15 - 19 maart 2026
Deze reis van vier dagen had twee doelen. Ten eerste de omgeving van het plaatsje Seicheprey ter ondersteuning van een verhaal over Operatie Kersenbloesem, waarover later meer, ten tweede op zoek naar betonwerken in het achterland van de sector.
Ondanks omleidingen en wegwerkzaamheden toch redelijk op tijd aangekomen in het Maas-Moezel gebied. Onderweg kon ik bijtanken in Luxemburg, voor 1,65 euro per liter terwijl het bij ons in Nederland meer dan 2,50 euro is. Ook Frankrijk was goedkoop met 1,86 euro. Daar rekenen alle pompen dezelfde prijs, je hoeft niet te gaan shoppen, hoe zit dat eigenlijk, is dat wettelijk geregeld of gewoon afgesproken?
Lichtsignalstation
Als eerste de bossen ten noorden van het verdwenen dorp Regnieville onderzocht. Pas laat op de dag, na vele kilometers niets, verscheen in het Bois de la Rappe het eerste beton. Een geheel intacte bunker met aan alle zijden schuin weglopende openingen. Ik durf wel te stellen dat het hier gaat om een Lichtsignalstation. Het ligt op de plaats die op mijn kaart is aangeduid met Reservelager. Ik ging vanaf dit punt op weg naar een Bataillons Gefechts Stand, wat vaak wel garant staat voor een flink betonwerk. In dit geval alleen ruïnes helaas. Niet precies op de plaats die ik verwachtte maar iets meer naar het oosten, langs een pad. Eigenlijk een hele rij ruïnes van vrij grote bouwwerken en ik neem aan dat de Gefechtsstand er een van was. Via andere routes teruggelopen en niets bijzonders meer gezien. Rien à signaler.
Seicheprey / Bois de Remières
De volgende dag op weg naar Seicheprey. Onderweg in Apremont-la-Foret de Marianne gefotografeerd. Bij Seicheprey is op 20 april 1918 de eerste echte confrontatie geweest tussen Duitse en Amerikaanse troepen. De Duitsers wilden de onervaren Amerikanen een lesje leren door een grote overval op hun linies uit te voeren, Operation Kirschblüte, om daarna weer terug te trekken. De Amerikanen dachten dat ze een grote Duitse doorbraakpoging hadden voorkomen en klopten het voorval op tot buitengewone proporties. Voorpaginanieuws in alle kranten en zelfs gebruikt voor de promotie van een nieuwe oorlogslening.
Kleine bosjes ten noordwesten van Seicheprey, Alfa-Wäldchen, Beta-Wäldchen, Namenloses-Wäldchen en Pflaumen-Wäldchen, die een rol hebben gespeeld bij de actie, bestaan nu niet meer. Het grotere Bois de Remières ten noordoosten is er wel maar zit samen met het voormalige Viereckswald vastgegroeid aan het hele grote Foret Dominiale des Hauts de Mad.
In dit bos is een groot depot voor de opslag van brandstof in grote betonnen cilindervormige silo's. Vroeger brandstof voor het Amerikaanse leger, maar sinds de val van de Muur en het verdwijnen van de Amerikaanse troepen, is het opgekocht door de Franse overheid. Het is een heel groot door hekwerken afgesloten terrein dat een flinke hap neemt uit het voormalige front.
Bois de Remières
Het Bois de Remières is vanuit het noorden niet heel eenvoudig te bereiken. Het terrein is heel modderig, weinig doorlopende paden, er stromen beekjes doorheen, en het is goed te merken dat er bijna nooit mensen komen. Alleen al aan het wild is het te merken. Heel veel dierensporen, door zwijnen omwoelde grond, en in de verte voortdurend blaffende reeën die zich niet lieten zien. Wat dieper in het bos lopen grote en diepe loopgraven. Het is Frans frontgebied dus beton verwacht ik hier niet. Niet ver van de bosrand een groot stuk gebogen golfplaat, dat is de enige hardware in dit bos. Ten zuiden van het bos loopt een landweggetje. Een bestelbusje kwam hier aangehobbeld, op weg naar een gestrand landbouwapparaat. Misschien moest het gerepareerd worden. Het busje met daarin een vrij jong stel stopte naast mij en de vrouw, die het raampje opendraaide, vroeg mij of ik verdwaald was. Dat was ik niet en na het wensen van een bonne journee hobbelde het busje verder.
Terug naar het noorden gelopen waarbij ik onderweg langs een heel merkwaardig punt kwam. De stam van een oude eik, een "getuige-eik", die volgens een bijschrift de oorlog nog heeft meegemaakt, ligt hier onder een speciaal vervaardigd afdakje. Hij moet symbool staan voor "de hevige strijd, het lijden, de troosteloosheid en verwoesting die het dagelijkse lot waren van iedereen die in deze oorlog werd meegesleurd waarin niets of niemand werd gespaard". Pathétique!
Opgepoetste loopgraven van Saint-Baussant
Ik ben aangekomen bij het hekwerk van het depot de hydrocarbures. Er loopt nog net een puntje van de Duitse frontlijn buiten het hek en daar liggen twee zeer vergane fragmenten van Duitse bunkers. Meer naar het oosten kom ik dan in het gebied dat voor 14-18 toeristen al van verre wordt aangeduid als Tranchées de Saint-Baussant. Met stenen en beton versterkte Duitse loopgraven zijn hier gerestaureerd, opgepoetst en gestofzuigd. Nog net niet zoals bij Vimy maar het scheelt niet veel. Langs de loopgraven zijn bordjes en grotere infoborden geplaatst met soms nuttige, soms minder nuttige, af en toe ook ronduit foute of onzinnige opschriften. Duitse namaakopschriften met taalfouten. Een betonnen open rechthoek die overduidelijk een opstelling voor een mijnenwerper is geweest wordt hier benoemd als mitrailleurpositie met een groot niet ter zake doend bord over mitrailleurs er bij. De frontsectoren zijn in de foute volgorde en soms met Franse namen benoemd. Op mijn kaart achtereenvolgens Blumen-Stellung, Port Arthur en Kegelbahn. Port Arthur is een verwijzing naar de Chinese havenplaats waar tijdens de Russisch-Japanse oorlog hevig om is gevochten (1905).
Iets verder terug ligt opnieuw een gerestaureerde stenen-met-beton loopgraaf, benoemd als Tranchée des Oiseaux, een Franse naam voor een Duitse loopgraaf, de originele Duitse naam weet ik niet. Dieper in het Bois de la Sonnard, voorbij de Waldstellung, wemelt het op mijn kaart van de markeringen die helaas niets opleveren. Wel veel loopgraven gezien maar het enige verharde object is een uit rode bakstenen gemetseld werkje, nu slechts een ruïne. Verder gelopen langs de Mittlere Stellung waar een Stolleningang van paraboolvormig golfplaat te zien is, vlak langs de openbare weg en daarom dichtgezet met een hekwerk.
In het midden van het dorp Seicheprey, naast de kerk, staat een hardstenen fontein met tekstplaat, geschonken door de Amerikanen van de 26e Divisie, Infanterie Regiment 102, uit Connecticut. De verdedigers van Seicheprey van 20 april 1918, "in the firm belief that the friendship of frenchmen and americans sealed in this place in battle shall serve the cause of peace among all nations".
Seicheprey met Amerikaanse fontein
Op mijn loopgraafkaart staat vlak bij Thiaucourt-Regniéville de aanduiding "Kriegshaus". De naam kwam ik ook een keer tegen in een regimentsgeschiedenis, met als enige context "we gingen naar het Kriegshaus". Intrigerende naam. Achter de Duitse militaire begraafplaats van Thiaucourt loopt een ravijn. Afgedaald en een asfaltweg overgestoken kom je dan op een pad langs een weiland. Links en rechts zijn kuilen en graafwerken te zien, en op de plaats van het Kriegshaus enkele resten van stenen muurtjes. Dat is alles. Ik hou het er op dat de benaming Kriegshaus niets meer of minder aanduidt dan een Lager.
Terug op de begraafplaats enkele originele gebeeldhouwde grafstenen gefotografeerd, en een platte steen van iemand uit R.I.R.259, een van de regimenten die manschappen leverde voor Operatie Kersenbloesem. Zijn overlijdensdatum is 30 april 1918, tien dagen na de strijd, dus misschien overleden na verwondingen.
Toch nog beton
Vervolgens naar het Bois du Beau Vallon om te zoeken naar de positie van Regiments Stab 52. Behalve wat kleine ruïnes ook drie grotere bouwwerken, waarvan alleen de laatste intact en toegankelijk is. De eerste van de drie zou de Regimentsstab geweest kunnen zijn omdat er extra aandacht is besteed aan verfraaiing. In de buitenste cementlaag is een voegenpatroon aangebracht om het op natuursteen blokken te laten lijken. Langs het pad dat over het plateau heen loopt zijn aan weerskanten restanten van het Roufflager te zien. Alles in puin of alleen als grondwerk zoals bijna overal.
Verderop langs de D3 ligt het Bois du Four met hierin weer een depot met brandstoftanks. Het was daarom zeer de vraag of ik wel op de gewenste plek zou kunnen komen. Dat viel gelukkig mee, het terrein is hier niet zo ruim omheind als bij het vorige depot. Ik heb gezocht naar Regiments Gefechtsstand 51. Ik had als aanwijzing twee verschillende bronnen, die een positie aan twee verschillende kanten van een pad aangaven. Er kon er maar een de juiste zijn, en dat bleek een vrij groot bouwwerk geweest te zijn dat nu in puin ligt. Een tweede bouwwerk, iets verder het bos in, ligt ook in puin. Vlak langs het hekwerk van het depotterrein staat een intacte bunker die bestaat uit twee lagen die iets gedraaid zijn ten opzichte van elkaar, als een deconstructivistisch bouwwerk.
Op goed geluk een pad naar het noorden gevolgd en dat leidde tot een explosie van wel twaalf bouwwerken op rij vlak langs de bosrand. Wel veel ruïneus maar toch ook een paar ongeschonden betonwerken.
Brunnen, fontaines, quellen
Vanuit Viéville op zoek gegaan naar de posities Regimentsstab 52 en Gefechtsstand der 29.Ersatz-Brigade. Ze zouden op korte afstand van elkaar moeten liggen, aan de noordrand van het Foret Dominiale des Venchères, la Haie Essey. Ik was in december vanuit een andere richting al eens op zoek geweest maar dat had niets opgeleverd. Ik kan nu wel zeggen dat er niets anders meer over is van deze posities dan een paar rechthoekige kuilen in de grond. Het zullen houten bouwsels geweest zijn want stenen liggen er ook niet.
Pütter-Quelle, Oidmann-Quelle, Kühlewein-Brunnen en Kandler-Quelle
Verder het dal van het Ruisseau de la Fontaine ingelopen, langs alle bronnen die er zijn. Ik had ze al eens eerder bezocht maar dat is intussen dertig jaar geleden en van de tussenliggende werken kon ik me helemaal niets meer herinneren. Bij de Oidmannquelle stonden twee mountainbikers, waar ik behalve een bonjour geen gesprek mee heb gehad. Samen met het stel in het bestelbusje bracht dat het totaal op vier levende zielen tijdens deze hele reis.
Dit was een altaar voor Feldgottesdienst
Tussen de bronnen, iets verder van de beek verwijderd en hoger langs de helling, staat een altaar. Dat had ik nog niet eerder gezien en eigenlijk was het ook te laat om hem nog te kunnen zien want het grootste deel is verwoest door een grote omgevallen boom. Een foto van de originele toestand staat in het boek van Wim Degrande. Alleen de twee zijdelen zijn er nog, opgemetselde nissen die iemand heeft opgeluisterd met Mariabeeldjes en plastic bloemen. Een andere originele foto in hetzelfde boek vind ik nogal raadselachtig. Het gaat om de Kühlewein Brunnen, die ziet er nu toch wel beduidend anders uit dan vroeger. Andere zijkanten, andere achterkant, geen nissen meer. Dat zijn geen kleine veranderingen, het ding is compleet nieuw opgebouwd, eenvoudiger ook.
De laatste bron, iets zuidelijker gelegen zou de Haftmannquelle moeten zijn. Die wordt nooit ergens genoemd en ik weet nu waarom. De Fransen hebben op die plek een modern waterleidinggebouwtje geplaatst. Misschien weet niemand hoe het ding er ooit uit heeft gezien.
De weg terug naar Viéville over het plateau leverde niets op. Het enige dat nog vermeldenswaard is voor deze dag is dat het de hele dag gestormd heeft, en dat is best beangstigend in een bos want soms vallen flinke takken omlaag.
Waterleidinggebouwtje op de plaats van de Haftmann Quelle
Niet naar Saint-Mihiel
Tot slot kan ik er niet omheen een paar opmerkingen te maken over mijn verblijfplaats tijdens deze trip. Het gunstig gelegen hotel dat ik had willen boeken was niet beschikbaar op de door mij gewenste dagen, ook niet de week erna. Ik kwam daarom terecht in Saint-Mihiel, in het Hotel de la Gare. Dit hotel leek aanvankelijk met gemak in mijn top drie van slechtste hotels te komen, maar later bleken er toch ook wat positieve kanten aan te zitten dus niet in de top drie. Neemt niet weg dat er wel wat mis was. De douche van mijn kamer werkte niet. Ik heb altijd wat basisgereedschap bij me want niet werkende douches is een veel gekend fenomeen in Frankrijk. Maar dit kon ik niet repareren en het werd de volgende dag opgelost door me een andere kamer te geven. Daar werkte de tv niet maar dat vond ik niet zo erg want ik had toch geen behoefte aan 20 Franse praatprogramma's. Er was welgeteld één stopcontact in de kamer en dat is lastig als je drie dingen hebt om op te laden. Volgens de website zou er 24 uur bemanning van de receptie zijn maar na 18.00 uur was iedereen weg en was alles donker. Het restaurant was niet beschikbaar op mijn dag van aankomst, in tegenstelling tot wat de site beloofd had. Het ontbijt was van het type zoek-het-zelf-maar uit. Er lag brood dat er waarschijnlijk de dag ervoor al was neergelegd want dat kon je verkruimelen als beschuit.
Ik hou heel erg van mirabellen. We zitten hier in het gebied van de mirabellen. Op de Cotes de Meuse zijn veel boomgaarden en in het plukseizoen zitten kinderen langs de weg om kratjes mirabellen te verkopen aan voorbijgangers. Voor belachelijk weinig geld, voor soms maar een of twee euro heb je een kratje mirabellen. Toen ik bij het ontbijtbuffet een potje mirabellenjam zag staan kreeg ik er meteen zin in (bij ons zie je dat niet). Maar toen ik het deksel van het potje draaide bleek er een laag schimmel op te staan. Ik heb sindsdien alleen nog verpakte dingen gegeten en de croissantjes drie keer omgedraaid.
Mocht je ooit in Saint-Mihiel komen (die kans is klein) vermijd dan Hotel de la Gare en pas op voor mirabellenjam.
Duizend bommen en granaten

















Geen opmerkingen:
Een reactie posten