Priesterwald / Bois-le-Pretre - Bois de Mort Mare - een weekje aan het front - december 2025
Eerste dag - erg mistig
Na een jaar of tien aan het front
tussen Metz en de Vogezen, wordt het tijd om de Moezel over te steken naar het
westen.
Het hele uitgestrekte gebied van
Moezel tot Maas is een project van jaren, en om dat een beetje systematisch aan
te vallen, begin ik dit jaar met de oostelijke helft van het Priesterwald,
tussen Norroy en Villers-sous-Preny.
Ik heb een geheel nieuwe kaart samengesteld uit een stuk of
15 deelkaarten, en veel aandacht gegeven aan een nauwkeurige kalibratie.
Voorlopig een kaart van de Moezel tot Saint-Baussant, daar moet ik een paar
jaar mee vooruit kunnen.
In het gebied liggen enorm veel Duitse Lagers, ik tel er zo
al 24 die bij naam genoemd zijn en dan nog een aantal waar op de kaart geen
naam bij staat. Ik bezoek op de resterende helft van de aanreisdag als eerste
het Camp de Norroy, dat zoals de naam al aangeeft dicht bij Norroy ligt. Ik heb
een paar paden gevolgd die steeds te veel naar het zuiden afbogen, terwijl ik
juist naar het noorden wilde. Ik kom veel uit stenen gestapelde muurtjes tegen
waarbij ik twijfelde of het iets met een kampement te maken had, maar later zag
ik op andere willekeurige plaatsen ook van die muurtjes langs hellingen en ben
tot de conclusie gekomen dat ze niets met een Lager te maken hebben. Ik moet
bij gebrek aan een goede weg dan maar door het bos langs de helling lopen waar
het Lager gesitueerd is, maar het is veel moeite voor niets. Wel loopgraven,
een betonnen zandzakje en twee half ingestorte Stolleningangen. Ik kwam bij
toeval op een plek waar ik jaren geleden ook al eens geweest ben, in een oude
steengroeve, waar nog wat grote steenblokken liggen en een metalen portaal van
een kraan, alles niet WO1 gerelateerd.
De omstandigheden zijn goed, er hangt echter een dichte mist over het landschap. Niet zo heel erg maar het verhindert het kijken op afstand en door de mist wordt toch alles nat.
Tweede dag
Na het toch wel wat teleurstellende begin van gisteren wil
ik vandaag het Priesterwald doorsteken van noord naar zuid, tot in de voorste
linie, om een beter idee te krijgen van het terrein en wat ik er zoal kan
tegenkomen, en om een plan voor de komende dagen te maken. Mijn vertrekpunt is
een parkeergelegenheid bij een sportveld.
Lange tijd alleen maar loopgraven.
Van een vierkant blok, opgebouwd uit stenen, had ik een coördinaat van een
Frans forum, en dat bleek goed te kloppen (wp11). In de onmiddellijke omgeving
zijn meerdere gebetonneerde ingangen van schuilplaatsen te zien (wp12, 13, 14).
Vanaf het vierkante blok naar het
zuiden kom ik meer restanten tegen, waarvan met name de laatste een aardige
vondst is (wp15 t/m 22). Het is een soort huisje waarvan dunwandige betonnen
platen losgeraakt zijn. Ik moet vaststellen dat hier de tekens op mijn kaart
heel goed kloppen en dat mijn kaart dus goed gekalibreerd is. Dat geeft hoop
voor de toekomst. Het betekent ook dat als er op de plaats van een intekening
niets te zien is, er dan ook niets (meer) is.
Lange tijd door het bos gelopen
zonder iets te zien, tot in de voorste linie. Hier zijn op korte afstand van
elkaar veel Stolleningangen, vaak gemaakt met de kenmerkende paraboolvormige
golfplaten die je ook altijd op foto’s van het Priesterwald ziet. Enkele
afwijkende bovengrondse betonbokken (wp23 t/m 35).
Derde dag
Vandaag weer een dag met vallen, struikelen,
uitglijden en opstaan, letterlijk. Het terrein is zeer ongelijk, bezaaid met
losse stenen en takken, die je niet kan zien door een dek van natte en gladde
bladeren. Het heeft vannacht iets gevroren want er zat een beetje ijs op mijn
autoruiten. Het is de hele dag fris en droog gebleven en ik heb voor het eerst
met wanten aan gelopen.

Elke dag heb ik een plan om te
doen en elke dag wijk ik daar meteen weer van af. Onvoorstelbaar veel
loopgraven zijn hier, diepe loopgraven die uitgehakt zijn in de rotsachtige
ondergrond en daarom niet zo geërodeerd als op andere frontdelen. Enkele
loopgraven hebben Stolleningangen, rijen achter elkaar, soms met golfplaat,
soms met beton. Ik was nogal geobsedeerd geraakt door een punt op mijn kaart
dat aangeduid staat als Ouvrage Tiflis. Iets dat met name genoemd wordt zou wel
eens iets belangrijks kunnen zijn. Het ligt in de uiterste noordoosthoek van
het Priesterwald, of liever gezegd er iets buiten, heel laag in het dal van de
Moezel. Een glibberige steile afdaling om er te komen, en dat moet ik later
weer omhoog ook. Het leverde uiteindelijk niet veel op, niet het mooie betonnen
bouwwerk waar ik op gehoopt had, maar veel grondwerk en een kleine vierkante
betonnen bak. Dat was alles. (wp56)

Doel voor vandaag was eigenlijk de
hoek in de Duitse frontlijn die door de Fransen benoemd was met Mauvais Coin
(slechte hoek). De voorste loopgraaf ligt hier iets voorbij de loopgraven op
mijn kaart. Dat betekent dat of de kalibratie van de kaart hier niet helemaal
klopt, of dat er op een later moment in de oorlog nog iets bijgegraven is. De
hoek bestaat vooral uit veel grondwerk en omgewoeld terrein. Er zal wel druk om
gevochten zijn. Vanaf hier enkele Stolleningangen gevonden (wp61-64). Bij wp65
een betonnen schacht naar een ondergrondse ruimte. Het was de bedoeling om de
voorste linie verder af te lopen tot ik aansluiting zou vinden met het laatste
punt van gisteren, maar dat was iets te optimistisch. Het terrein is zwaar met
veel omgevallen bomen en takken in de loopgraaf. Bij wp66-69 nog meer
Stolleningangen.
Duits monument en enkele oude grafstenen
Om de dag af te ronden ben ik met
de auto naar een bos in het achterland gereden. Hier lopen geen linies meer en
ik heb alleen drie omlijnde zones waar ik kan gaan kijken. Het is zeer de vraag
of er iets te zien is. De nieuwe TGV lijn is hier vlak bij aangelegd maar heeft
mijn zones net ongemoeid gelaten. Het bos heeft veel namen, Bois Communal de
Vandières met als delen Les Forges, les Abreuvoirs en Nalieux. Het eerste punt
blijkt een artillerieopstelling geweest te zijn, heel groot met aardwerken waar
wel zeven of acht stukken geschut (zware artillerie) op rij gestaan hebben. Het
tweede punt blijkt onbereikbaar, midden in jonge aanplant en bovendien het
terrein van een hogedruk gasleiding. Het derde en verst weg gelegen punt ligt
bij een kruising van zes paden die de Duitsers aangeduid hebben met Grosser
Stern (er was ook een Kleiner Stern). Er staan twee flinke grote betonnen
muren, intact en groen bemost. Functie onduidelijk.
Iets te noorden van de plek waar
mijn auto stond, aan de andere kant van de TGV lijn, hadden de Duitsers een
Divisions Platz. Ik ben helemaal vergeten om er te kijken, ik was er vlak bij.
Vierde dag
Om eens even iets anders te doen heb
ik in het bos bij Vilcey-sur-Trey het leeuwmonument bezocht. Overal staan
bordjes met ‘monument du lion’, dus zoeken hoeft niet. Het is in redelijke
staat, vooral de sokkel is groot, en delen van de tekstpanelen zijn weg. Er
staat een flink informatiepaneel bij waar goed te zien is hoe het was en welke
teksten er stonden. Langs het pad er naar toe staan een paar bunkerrestanten.
In het bos zal waarschijnlijk nog wel meer staan maar dat heb ik niet
onderzocht.
Van uit Villers naar het zuiden
ben ik door het ravijn weer het Priesterwald ingetrokken. Meteen bij ingang van
het bos hebben drie Lagers gelegen: een Quellenlager (zijn er meer van),
Schluchtlager en Hewelager. Ik heb ze alle drie doorkruist en welgeteld één
stukje beton gezien. Verder naar het zuiden zonder iets te zien weer tot in de
voorste linie gelopen. Hier Stolleningangen wp77 t/m 87
Mijn indruk na vier dagen is dat
het niet meevalt op dit frontdeel. Waar je in het Lotharingen ten oosten van de
Moezel maar een bos in hoeft te lopen om beton tegen te komen ligt dat hier
heel anders. Het grote verschil is natuurlijk dat daar bijna niet gevochten is
en in het Priesterwald juist heel veel.
Hier zijn veel loopgraven in moeilijk te belopen terrein buiten de paden. Maar er is iets anders. Ik merk dat ik het fysiek niet meer trek om dagen achter elkaar door zo’n bos te ploeteren. Ik geloof dat ik wel 100 keer gestruikeld en uitgegleden ben en het is eigenlijk een wonder dat ik alleen een paar blauwe plekken heb en dat ook mijn uitrusting nog heel is. Misschien betekent het dat ik fronttrips zoals deze niet meer kan maken. Dieptepunt was een voorval bij zo’n paraboolvormige Stolleningang : soms zit daar een tekst boven in het beton. Toen ik dat probeerde leesbaar te maken verloor ik mijn evenwicht, gleed uit en gleed in het gat van de ingang, die daar toevallig heel diep was. Ik kon nog net met mijn handen de betonnen zijkant grijpen en met veel moeite weer naar buiten klimmen. Dat was een moment waarop ik dacht: stop hiermee en zoek een andere hobby.
Mijn waterfles was ondersteboven in de loopgraaf terechtgekomen en daar leeggelopen, dus ik had voor de rest van de dag geen water meer.

Bois de Mort Mare
Vijfde dag
Ik had nog één volle dag om in te vullen. Het Priesterwald
was ik wel zo’n beetje klaar mee, ook al had ik nog maar een klein deel gezien.
Dus ik dacht, stel dat het de laatste keer is wat zou je nog willen zien. Ik
had eigenlijk nog twee wensen, maar moest kiezen want twee was te veel voor een
dag. Dus het front voor Seicheprey, met een fantastisch verhaal over
Amerikanen, kwam te vervallen. Wat ik zeker wilde bezoeken was het frontdeel
van de mijnenoorlog in het Bois de Mort Mare. Daar had ik al wat vooronderzoek
naar gedaan, en geprobeerd de mijnkraters op de kaart in te tekenen, met de
datums van de mijnexplosies er bij. De Franse en de Duitse verslagen hierover
lopen nogal uiteen zoals gewoonlijk.
Mijnkraters in het Bois de Mort Mare
Meest oostelijke deel, bij Flirey, oost van de D904, is een
stukje bos bestempeld als historisch circuit. Bordjes erbij, monument, hekjes
met kettingen, enz. Ik kon vier grote kraters goed herkennen, er zouden er
zeven moeten zijn. Helemaal aan de andere kant van het mijnengebied, waar
vroeger een spoorlijn doorheen liep, is niets meer te vinden want het is open
terrein, geëgaliseerd en weer in gebruik genomen als akker. Dat is jammer want over
deze sectoren aan weerskanten van de spoorlijn, de sectoren Cottiard en Ritz,
is juist veel geschreven. Daar tussenin is een vrij langgerekte bosrand waar
veel mijnkraters te zien zijn, in het wild zeg maar. Hier zijn de eerste mijnen
afgegaan die nog niet zo’n grote springlading hadden en dus ook minder grote
kraters veroorzaakten. Waarschijnlijk ook kleine kraters door camouflets. In
een iets verder teruggebogen deel van de Duitse frontlijn is zowaar wat
betonwerk te vinden. Voor meer beton moet je waarschijnlijk veel verder terug
het achterland in, als ik kijk wat er allemaal op de kaart staat aangegeven.
Wat ik hier in het bos wel voor het eerst gezien heb is
wild. Eerst drie herten met grote geweien, later drie reeën, allemaal in grijze
winterjas. Daarna stoven ook nog een aantal zwijnen door de struiken.
Ik besloot als laatste in het achterland, tussen Euvezin en
Vieville, de Gefechtsstand 51. Ersatz Brigade te zoeken. Tot mijn verrassing
vond ik veel meer dan dat. Ik had allereerst moeite een parkeerplek te vinden.
Het ligt aan een smalle weg zonder uitwijkmogelijkheden en met modderige
bermen. Ik wilde niet het risico lopen weer vast te komen zitten, en daarom toch
minstens twee wielen op de verharding te houden. Dat leverde een wat rare plek op,
althans ik had het zelf liever anders gezien, maar ik wist niet beters. Toen ik
al van de auto weg liep naar het bos, stopte een Fransman luid toeterend, hij
kwam hard en slingerend achteruit rijdend naar mij toe, gevaarlijk dicht langs
een andere passerende auto. Hij draaide zijn raampje open en vroeg me of ik
soms pech had met de auto. Ik zei dat ik er was voor een fotomomentje. O, zei
hij toen, pas maar op voor de wilde zwijnen. Ik bedankte hem dat hij gestopt
was en voor zijn aangeboden hulp. Het was niets, zei hij en reed verder. Het
was de eerste keer in vijf dagen dat ik onderweg contact had met een mens.
Verder nergens iemand gezien.

Direct langs de weg, net in de bosrand, stond een andere
Gefechtsstand dan degene waar ik naar op zoek was. Dit was dus bijvangst. De
Gefechtsstand van de Ersatz Brigade lag aan de andere kant van de weg wat
verder het bos in. Het was een complex van meerdere bouwsels, gedeeltelijk
ondergronds en het zou me niet verbazen als ze ondergronds met elkaar in
verbinding stonden. Het was mogelijk om naar binnen te gaan maar ik heb dat
niet gedaan.
Ik wilde een poging doen om Regimentsstab 52 en
Gefechtsstand 29. Ersatz Brigade te bezoeken, die dicht bij elkaar op mijn
route lagen, maar ik zag ze niet meteen en het was te laat en te donker om nog
verder te gaan.
Conclusie
Ik heb aan deze reis een enigszins ontevreden gevoel
overgehouden en ik weet niet goed hoe dat komt. Eigenlijk waren de condities
juist heel goed. Droog weer, kale bossen en temperaturen ruim boven nul.
Vandières als verblijfplaats kon haast niet beter, bijna op het slagveld. Ook
al was het hotel een beetje eigenaardig, met geheel eigen opvattingen over openingstijden,
een regelneef als hotelbaas die precies wilde weten hoe laat weg, hoe laat
komen, hoe laat eten, enz. Nogal beklemmend. En aan de hygiëne haperde ook wel
wat, met een seniele schoonmaakster die alles maar half deed en een
fruitvliegjesplaag in december.
Nee, dat was het allemaal niet wat mijn gevoel van
ontevredenheid voedde. Ik denk dat het komt door het gebrek aan vondsten, en
vooral ook de kwaliteit daarvan. Misschien was ik iets verwend geraakt daar aan
de oostkant van de Moezel, met veel betonnen bouwwerken in goede staat. Hier is
het lang zoeken naar armzalige hoopjes restanten. Lichtpuntjes kunnen de
locaties ver achter het front zijn, want tussen de aller voorste loopgraaf en
het verre achterland zit eigenlijk niets. Alleen maar loopgraven, veel
loopgraven.