maandag 9 maart 2026

De symboliek van de klaproos

De klaproos (poppy) of Papaver somniferum

 

De klaproos werd na de Eerste Wereldoorlog een symbool van herdenking voor gesneuvelde soldaten en hoop op een vreedzame toekomst. Het op de kleding dragen van de poppy als Brits symbool van herinnering begon curieus genoeg bij een Amerikaanse, Moina Michael, die geïnspireerd werd door het gedicht van de Canadese arts John McCrae uit 1915:

'In Flanders' fields the poppies blow

Between the crosses, row on row'

voor het hele gedicht zie
https://www.britishlegion.org.uk/get-involved/remembrance/in-flanders-field

Een tweede bron is de Franse Anna Guérin die poppies naar het Verenigd Koninkrijk bracht die gemaakt waren door Franse huisvrouwen om fondsen te werven voor kinderen in de getroffen gebieden. De vraag was al snel zo groot dat in Schotland voor de fabricage een heuse fabriek gesticht werd door Lady Haig, de vrouw van Field Marshal Sir Douglas Haig, commandant van de Britse legers aan het westfront.

Het Earl Haig Fund, verkoopt elk jaar vanaf begin november remembrance-poppies om in het knoopsgat te dragen en om kransen van te maken. Tegenwoordig niet meer van plastic maar van gerecycelde koffiebekertjes. Elk jaar 2 miljoen poppies en 38.000 kransen.

 


Mijn eigen poppy, nog wel met plastic

Op remembrance sunday (de zondag het dichtst bij 11 november) komt de Cenotaph in Londen vol te liggen met herinneringskransen van poppies, geplaatst door een onafzienbare rij veteranenorganisaties die langs de Cenotaph lopen in een march-past, in een tempo van 116 tot 120 paces to the minute.

 

 De cenotaph in Whitehall, Londen. Een cenotaph is een monument voor gesneuvelde strijders die elders een graf hebben gevonden of vermist zijn.

De klaproos is dus het symbool van de slachtoffers van de Eerste Wereldoorlog. Of moet ik poppy zeggen, want het is toch vooral een Britse aangelegenheid. Hoewel, zelfs de Fransen lijken de klaproos omarmd te hebben als symbool voor hun gesneuvelden. Ze hadden ooit de korenbloem. Op de Chemin des Dames was een korenbloem-route, maar dat is nu een klaproos-route geworden. Het Franse woord voor korenbloem is 'bleuet', en bleuet is ook de benaming voor de jonge soldaten van 1917 die een jaar voor hun eigenlijke opkomstdatum werden opgeroepen om de tekorten in het leger aan te vullen, en die vooral op de Chemin des Dames sneuvelden. Daar staat een standbeeld van zo’n bleuet die een hand geeft aan een Marie-Louise uit het leger van Napoleon. Ook Napoleon had behoefte aan meer soldaten, en terwijl hij zelf zijn veldslagen uitvocht contracteerde zijn vrouw een nieuwe lichting rekruten, vandaar dat ze haar naam als bijnaam kregen. Niet dat de Fransen de korenbloem helemaal achter zich hebben gelaten, in de Caverne du Dragon zijn nog volop korenbloem souvenirs te koop:

 Korenbloem souvenirs in het winkeltje van de Caverne du Dragon, Chemin des Dames


Klaproos wenskaarten

Niet iedereen brengt de klaproos meteen in verband met de oorlog. Je kan ook gewoon een onschuldig Hallfords wenskaartje naar iemand sturen met zo’n mooi rood bloemetje er op. Of een wenskaartje van de hartstichting die de rode bloem laat verwijzen naar bloed, net zoals de monumentale kroonluchter met klaprozen, aangevuld met hartjes, bij de afdeling cardiologie in het UMCG. In de filialen van grootgrutter Albert Heijn zijn servetjes te koop waarop de klaproos en de korenbloem samen staan afgebeeld. Toeval? Ongetwijfeld, want het is onwaarschijnlijk dat de servetjesfabrikant hierbij aan de Eerste Wereldoorlog heeft gedacht. Het dessin heet gewoon “veldboeket”.

 

 
Kroonluchter van klaprozen en hartjes in het Universitair Medisch Centrum Groningen 
 

Servetjes van Albert Heijn met klaprozen en korenbloemen

 

Oorsprong van de symboliek

Waar vindt die klaproos zijn oorsprong? Veel gehoorde verklaringen die het rood van de klaproos in verband brengen met het vergoten bloed van de slachtoffers van de oorlog, of het feit dat de klaproos als eerste ging bloeien in het verwoeste landschap van Vlaanderen, zijn leuk verzonnen, maar dat is slechts achteraf.

 

Papaver

Voor de echte oorsprong moeten we terug naar de Griekse mythologie. Het gaat eigenlijk niet alleen om de bloeiende klaproos maar ook om de papaverbol, de Papaver somniferum. Papaver is het attribuut van de Griekse god Hypnos (bij de Romeinen Somnus genoemd), de god van de (eeuwigdurende) slaap, en zijn tweelingbroer Thanatos, de god van de dood, zonen van Nyx, de godin van de nacht. Hypnos vinden we terug bij meerdere auteurs van de klassieke oudheid. Ovidius plaatst Hypnos, samen met onder andere Morpheus, een van zijn duizend zonen en god van de dromen, in een grot waardoor de slaapbrengende rivier de Lethe stroomt. Voor de grot groeien papavers en andere bedwelmende planten. “een diepe spelonk met voor de ingang een veld van welige papavers en niet te tellen kruiden, waar de welbedouwde nacht haar slaapdrank haalt om over duister land te sprenkelen”. Het gaat bij de papaver dus om de slaapverwekkende eigenschap. Het is de papaver die de gesneuvelde soldaten in een eeuwigdurende slaap brengt. De kortdurende bloeitijd van een klaproos symboliseert ook het korte, vroegtijdig afgebroken leven van de gesneuvelde soldaat.

 

Beelden van Hypnos met vleugels aan de slapen.

In de oorlog zijn het Hypnos en zijn broer Thanatos die de doden van het slagveld wegdragen. De twee zijn gevleugeld en in de funeraire kunst soms afgebeeld met een omgekeerde toorts, symbool van dood en vergankelijkheid. Hypnos heeft op afbeeldingen uit de oudheid vaak een krans van papavers op het hoofd. In de Germaanse mythologie zijn het de eveneens gevleugelde Walküren die de gesneuvelde helden van het slagveld begeleiden naar het Walhalla.

Afbeelding op een Griekse vaas. De twee gevleugelde figuren Hypnos en Thanatos, de slaap en de dood, dragen de gesneuvelde Sarpedon weg van het slagveld van Troje.

 

Dezelfde scene maar dan uitgebeeld in brons. Handgreep van een cista (kostbaarhedenkistje)

 

Homerus en Vergilius beschrijven de dood als een 'diepe rust', een 'dodelijke slaap'. De begraafplaats is de plek waar men slaapt en wordt wel gezien als een ‘immense slaapzaal’ waar de slapende doden wachten op de wederopstanding. Het idee van de wederopstanding is in later eeuwen overgenomen in het Christelijke geloof. Luther noemde de dood een ‘diepe, sterke en zoete slaap’ en het graf een ‘rustbed’. Oud volksgeloof koesterde het idee dat de doden een onbeweeglijk, onzichtbaar en stil leven leiden, maar wel een leven dat even echt is als dat van de levenden.

 

Enkele moderne interpretaties van Hypnos :

 


 

Bronnen:
Moormann en Uitterhoeve; Van Achilles tot Zeus, de klassieke mythologie in de kunst
Impelluso; De natuur en haar symbolen
Ovidius; Metamorphosen boek XI
Beuchert; Symbolik der Pflanzen 
Jean-Claude Eger; Le sommeil et la mort dans la Grece antique
Encyclopedie sur la mort : https://agora.qc.ca/thematiques/mort/documents/sommeil_et_mort
Website van het Royal British Legion : https://www.britishlegion.org.uk


dinsdag 3 februari 2026

Marianne au pouvoir (Marianne aan de macht)

Marianne is de nationale personificatie van Frankrijk. Ze bekleedt een ereplaats in stadhuizen en rechtbanken. Op 14 juli, de nationale feestdag, als overal Franse vlaggen wapperen, zien we ook overal Marianne. Ze is de allegorische voorstelling van de republiek Frankrijk sinds de Franse revolutie. Een exact moment is er niet, het kan 1898 zijn of 1892 of nog anders, samen met het ontstaan van de Franse rood-wit-blauwe driekleur, Liberté, Egalité, Fraternité. Marianne stond op dat moment voor Liberté, vrijheid. Tijdens de bestorming van de Bastille werden nog allerlei symbolen door elkaar gebruikt, maar langzamerhand kreeg Marianne met haar Frygische muts de overhand.

De eerste Franse republiek verdween met de komst van Napoleon. Er was nog een revolutie nodig om Frankrijk weer een republiek te maken, de Julirevolutie van 1830. Eugene Delacroix heeft deze strijd voor de vrijheid verbeeld op zijn beroemde schilderij: "La Liberté guidant le peuple" De vrijheid leidt het volk. Marianne, het nationale symbool van Frankrijk en met enorme vlag, is omringd door revolutionairen uit alle standen van de bevolking.

Wie is Marianne ?

Een vrouwelijk personage dat symbool staat voor een land is niet uniek. Duitsland heeft zijn Germania, Beieren heeft Bavaria, Engeland heeft Britannia en zelfs Nederland heeft een Nederlandse maagd. Maar deze vrouwen spelen een ondergeschikte rol in een monarchie. De Nederlandse maagd wordt bijna altijd vergezeld van een leeuw, symbool van kracht, moed en dominantie (zie ook het monument op Plein 1813, hoewel er destijds veel kritiek was op deze slappe, ingedutte leeuw). Frankrijk heeft nog wel een haan, de Coq Gaulois, symbool van waakzaamheid, maar de haan heeft heraldisch gezien geen betekenis en moet het afleggen tegen de leeuwen en adelaars van de omringende landen.

Marianne wordt meestal afgebeeld met een Frygische muts. Een oud symbool dat al sinds de Romeinen staat voor Vrijheid. Er zijn ook Mariannes met een diadeem, een lauwerkrans, een kroon of zelfs een helm, afhankelijk van de periode of de context. De muts werd soms als te streng ervaren of te veel verbonden met linkse politiek. Maar de uitvoeringen met de rode Frygische muts hebben wel de overhand, al dan niet met een rood-wit-blauwe cocarde aan de zijkant.

Van oorsprong was Marianne symbool voor Vrijheid, later voor de Republiek Frankrijk en nu voor alles wat Frans is, de Franse staat in zijn algemeenheid. Pas in 1849 kreeg Marianne een min of meer officiële status als symbool voor Frankrijk. Hoewel nog steeds niet wettelijk vastgelegd vinden we Marianne steeds vaker terug in uitingen van de Franse overheid. De Franse ministeries gebruiken een Marianne als hun logo:

 

Marianne op onderscheidingen

 


Links een medaille met Frygische muts, voor vrijwilligers in de rangen van de bataljons die deelnamen aan de bestorming van de Bastille. Rechts een Legion d'Honneur uit de periode van de IIIe republiek (1870-1951) met in het medaillon een Marianne zonder muts maar met lauwerkrans.
Tijdens het tweede keizerrijk onder Napoleon III dat hieraan voorafging, was Marianne verboden. Het republikeinse symbool was in strijd met het keizerrijk en werd gezien als een symbool van verzet.

 

Marianne tijdens en na de Eerste Wereldoorlog

De iconografie van de Eerste Wereldoorlog is enorm. Marianne is terug te vinden in de pers, op ansichtkaarten en op affiches. Haar afbeelding, met een Frygische muts op het hoofd, was overal te zien, op munten en postzegels, standbeelden op openbare pleinen en bustes in gemeentehuizen, allegorieën in lovende persillustraties, enz. Ze verscheen onder meer op affiches die oproepen om te tekenen voor oorlogsleningen. Voor de overwinning, voor de driekleur, de overwinning is aan ons. Op het middelste affiche vermorzelt Marianne in haar linker hand een Duitse adelaar. Was Marianne oorspronkelijk symbool van Vrijheid, tijdens de oorlog verschuift dat in de richting van de Overwinning, la Victoire.

Op deze drie patriottische ansichtkaarten zien we Marianne met twee meisje, de ene in de streekdracht van de Elzas, met grote zwarte strik in het haar, de andere in de dracht van Lotharingen. Het terugkrijgen van Elzas en Lotharingen, de gebieden die Duitsland had geannexeerd na de oorlog van 1870, was voor Frankrijk een van de grote oorlogsdoelen tijdens de Eerste Wereldoorlog. De revanchegedachte was al die jaren hoog gehouden en Marianne onderstreept dat nog eens. Alsace-Lorraine Françaises pour toujours.

 

Bondgenootschappen tijdens de oorlog. België, Engeland, Amerika en Rusland
 

 Een afbeelding van Marianne, gebeeldhouwd door een Franse soldaat in een steengroeve bij Confrécourt. De soldaten gebruikten tijdens de Eerste Wereldoorlog de steengroeves als schuilplaats, en hebben veel inscripties en beeldhouwwerkjes vervaardigd in de makkelijk te bewerken zachte zandsteen.
 

Na de oorlog verschenen overal monumenten ter nagedachtenis aan de slachtoffers van de oorlog, de "Monuments aux Morts". Alle gemeenten in Frankrijk, op één na, hebben een Monument aux Morts, maar slechts een klein aantal daarvan heeft een Marianne. Dat heeft ook te maken met de kosten van een monument. Veel kleine, arme gemeenten konden zo vlak na de oorlog geen Marianne of Poilu betalen en kozen voor een eenvoudige obelisk.


De afbeelding midden boven is het monument in de plaats Guines. Deze Marianne had oorspronkelijk een zwaard in haar hand waarmee ze een Duitse adelaar doorboorde. Dat werd in de Tweede Wereldoorlog vernield door de Duitsers en nu is er na restauratie een lauwerkrans van gemaakt. Rechtsonder een nogal hysterisch ogende Marianne binnen in de Arc de Triomphe, die ook wel wat van een Jeanne d'Arc weg heeft.

 

Drie WO1 Mariannes, met Frygische muts, lauwerkrans en helm.

 

Er zijn vele albums te vullen met ansichtkaarten van heroïsche, strijdbare of troostende Mariannes:




Munten en postzegels

Marianne is nog steeds alom aanwezig in de Franse samenleving.
Bustes in gemeentehuizen


Zo maar een paar voorbeelden. Er zijn er nog veel meer

Het lijkt wel alsof elke nieuwe president van Frankrijk ook weer een nieuwe Marianne kiest waar dan een postzegel van gemaakt wordt. Marianne postzegels in het tijdperk Macron:


Marianne krijgt een gezicht

Het gezicht van Marianne was altijd anoniem, tot aan 1969, toen voor het eerst bekende Françaises figureerden als Marianne, te beginnen met Brigitte Bardot, gevolgd door Mireille Mathieu, Catherine Deneuve en nog een rij andere celebrities. Een verkiezing in 1999 onder 36.000 burgemeesters van Franse steden en dorpen, heeft Laetitia Casta uitgeroepen tot het nieuwe gezicht van de Republiek Frankrijk.

 


 
Dat was in 2000 maar in 2003 kwam er al weer een nieuwe kandidaat, de presentatrice Evelyne Thomas. Links Leatitia, rechts Evelyne.

Intussen zijn er ook stemmen die pleiten voor een zwarte Marianne. De burgemeester van Fremainville zei hierover dat het een symbool is dat staat voor Vrijheid, maar niet als vertegenwoordiging voor de Republiek. Het beeld rechts heeft hij uit de trouwzaal van zijn gemeentehuis laten verwijderen en vervangen door een klassieke buste. “Deze zwarte sculptuur was een Marianne van de vrijheid, geen Marianne van de Republiek. Ze vertegenwoordigde weliswaar iets, maar niet de Republiek.” 

 


De figuur Marianne blijft natuurlijk niet beperkt tot bustes. Er zijn tal van kunstenaars die moderne Marianne-schilderijen hebben gemaakt. Christof Monnin heeft meerdere moderne en dynamische Mariannes geschilderd, steeds in net iets afwijkende versies, die vrijwel allemaal hun weg hebben gevonden naar gemeentehuizen.


Meer moderne Mariannes



 
 
 
De geschiedenis van Marianne is uitvoerig bestudeerd en opgeschreven in het drieluik van de Franse historicus Maurice Agulhon.
Marianne au combat 1789-1880
Marianne au pouvoir 1880-1914
Les Métamorphoses de Marianne 1914-2000





vrijdag 19 december 2025

Priesterwald / Bois-le-Pretre - eindejaars slagveldbezoek Frankrijk

Priesterwald / Bois-le-Pretre  - Bois de Mort Mare - een weekje aan het front - december 2025

 

Eerste dag - erg mistig


Na een jaar of tien aan het front tussen Metz en de Vogezen, wordt het tijd om de Moezel over te steken naar het westen.

Het hele uitgestrekte gebied van Moezel tot Maas is een project van jaren, en om dat een beetje systematisch aan te vallen, begin ik dit jaar met de oostelijke helft van het Priesterwald, tussen Norroy en Villers-sous-Preny.

Ik heb een geheel nieuwe kaart samengesteld uit een stuk of 15 deelkaarten, en veel aandacht gegeven aan een nauwkeurige kalibratie. Voorlopig een kaart van de Moezel tot Saint-Baussant, daar moet ik een paar jaar mee vooruit kunnen.

In het gebied liggen enorm veel Duitse Lagers, ik tel er zo al 24 die bij naam genoemd zijn en dan nog een aantal waar op de kaart geen naam bij staat. Ik bezoek op de resterende helft van de aanreisdag als eerste het Camp de Norroy, dat zoals de naam al aangeeft dicht bij Norroy ligt. Ik heb een paar paden gevolgd die steeds te veel naar het zuiden afbogen, terwijl ik juist naar het noorden wilde. Ik kom veel uit stenen gestapelde muurtjes tegen waarbij ik twijfelde of het iets met een kampement te maken had, maar later zag ik op andere willekeurige plaatsen ook van die muurtjes langs hellingen en ben tot de conclusie gekomen dat ze niets met een Lager te maken hebben. Ik moet bij gebrek aan een goede weg dan maar door het bos langs de helling lopen waar het Lager gesitueerd is, maar het is veel moeite voor niets. Wel loopgraven, een betonnen zandzakje en twee half ingestorte Stolleningangen. Ik kwam bij toeval op een plek waar ik jaren geleden ook al eens geweest ben, in een oude steengroeve, waar nog wat grote steenblokken liggen en een metalen portaal van een kraan, alles niet WO1 gerelateerd.

De omstandigheden zijn goed, er hangt echter een dichte mist over het landschap. Niet zo heel erg maar het verhindert het kijken op afstand en door de mist wordt toch alles nat. 


Tweede dag

Na het toch wel wat teleurstellende begin van gisteren wil ik vandaag het Priesterwald doorsteken van noord naar zuid, tot in de voorste linie, om een beter idee te krijgen van het terrein en wat ik er zoal kan tegenkomen, en om een plan voor de komende dagen te maken. Mijn vertrekpunt is een parkeergelegenheid bij een sportveld.

Lange tijd alleen maar loopgraven. Van een vierkant blok, opgebouwd uit stenen, had ik een coördinaat van een Frans forum, en dat bleek goed te kloppen (wp11). In de onmiddellijke omgeving zijn meerdere gebetonneerde ingangen van schuilplaatsen te zien (wp12, 13, 14).


Vanaf het vierkante blok naar het zuiden kom ik meer restanten tegen, waarvan met name de laatste een aardige vondst is (wp15 t/m 22). Het is een soort huisje waarvan dunwandige betonnen platen losgeraakt zijn. Ik moet vaststellen dat hier de tekens op mijn kaart heel goed kloppen en dat mijn kaart dus goed gekalibreerd is. Dat geeft hoop voor de toekomst. Het betekent ook dat als er op de plaats van een intekening niets te zien is, er dan ook niets (meer) is.

Lange tijd door het bos gelopen zonder iets te zien, tot in de voorste linie. Hier zijn op korte afstand van elkaar veel Stolleningangen, vaak gemaakt met de kenmerkende paraboolvormige golfplaten die je ook altijd op foto’s van het Priesterwald ziet. Enkele afwijkende bovengrondse betonbokken (wp23 t/m 35).

 


Derde dag

Vandaag weer een dag met vallen, struikelen, uitglijden en opstaan, letterlijk. Het terrein is zeer ongelijk, bezaaid met losse stenen en takken, die je niet kan zien door een dek van natte en gladde bladeren. Het heeft vannacht iets gevroren want er zat een beetje ijs op mijn autoruiten. Het is de hele dag fris en droog gebleven en ik heb voor het eerst met wanten aan gelopen.

 


Elke dag heb ik een plan om te doen en elke dag wijk ik daar meteen weer van af. Onvoorstelbaar veel loopgraven zijn hier, diepe loopgraven die uitgehakt zijn in de rotsachtige ondergrond en daarom niet zo geërodeerd als op andere frontdelen. Enkele loopgraven hebben Stolleningangen, rijen achter elkaar, soms met golfplaat, soms met beton. Ik was nogal geobsedeerd geraakt door een punt op mijn kaart dat aangeduid staat als Ouvrage Tiflis. Iets dat met name genoemd wordt zou wel eens iets belangrijks kunnen zijn. Het ligt in de uiterste noordoosthoek van het Priesterwald, of liever gezegd er iets buiten, heel laag in het dal van de Moezel. Een glibberige steile afdaling om er te komen, en dat moet ik later weer omhoog ook. Het leverde uiteindelijk niet veel op, niet het mooie betonnen bouwwerk waar ik op gehoopt had, maar veel grondwerk en een kleine vierkante betonnen bak. Dat was alles. (wp56)

 

Doel voor vandaag was eigenlijk de hoek in de Duitse frontlijn die door de Fransen benoemd was met Mauvais Coin (slechte hoek). De voorste loopgraaf ligt hier iets voorbij de loopgraven op mijn kaart. Dat betekent dat of de kalibratie van de kaart hier niet helemaal klopt, of dat er op een later moment in de oorlog nog iets bijgegraven is. De hoek bestaat vooral uit veel grondwerk en omgewoeld terrein. Er zal wel druk om gevochten zijn. Vanaf hier enkele Stolleningangen gevonden (wp61-64). Bij wp65 een betonnen schacht naar een ondergrondse ruimte. Het was de bedoeling om de voorste linie verder af te lopen tot ik aansluiting zou vinden met het laatste punt van gisteren, maar dat was iets te optimistisch. Het terrein is zwaar met veel omgevallen bomen en takken in de loopgraaf. Bij wp66-69 nog meer Stolleningangen.

 

Duits monument en enkele oude grafstenen

Om de dag af te ronden ben ik met de auto naar een bos in het achterland gereden. Hier lopen geen linies meer en ik heb alleen drie omlijnde zones waar ik kan gaan kijken. Het is zeer de vraag of er iets te zien is. De nieuwe TGV lijn is hier vlak bij aangelegd maar heeft mijn zones net ongemoeid gelaten. Het bos heeft veel namen, Bois Communal de Vandières met als delen Les Forges, les Abreuvoirs en Nalieux. Het eerste punt blijkt een artillerieopstelling geweest te zijn, heel groot met aardwerken waar wel zeven of acht stukken geschut (zware artillerie) op rij gestaan hebben. Het tweede punt blijkt onbereikbaar, midden in jonge aanplant en bovendien het terrein van een hogedruk gasleiding. Het derde en verst weg gelegen punt ligt bij een kruising van zes paden die de Duitsers aangeduid hebben met Grosser Stern (er was ook een Kleiner Stern). Er staan twee flinke grote betonnen muren, intact en groen bemost. Functie onduidelijk.

Iets te noorden van de plek waar mijn auto stond, aan de andere kant van de TGV lijn, hadden de Duitsers een Divisions Platz. Ik ben helemaal vergeten om er te kijken, ik was er vlak bij.

 


Vierde dag

Om eens even iets anders te doen heb ik in het bos bij Vilcey-sur-Trey het leeuwmonument bezocht. Overal staan bordjes met ‘monument du lion’, dus zoeken hoeft niet. Het is in redelijke staat, vooral de sokkel is groot, en delen van de tekstpanelen zijn weg. Er staat een flink informatiepaneel bij waar goed te zien is hoe het was en welke teksten er stonden. Langs het pad er naar toe staan een paar bunkerrestanten. In het bos zal waarschijnlijk nog wel meer staan maar dat heb ik niet onderzocht.

 


Van uit Villers naar het zuiden ben ik door het ravijn weer het Priesterwald ingetrokken. Meteen bij ingang van het bos hebben drie Lagers gelegen: een Quellenlager (zijn er meer van), Schluchtlager en Hewelager. Ik heb ze alle drie doorkruist en welgeteld één stukje beton gezien. Verder naar het zuiden zonder iets te zien weer tot in de voorste linie gelopen. Hier Stolleningangen wp77 t/m 87

 


Mijn indruk na vier dagen is dat het niet meevalt op dit frontdeel. Waar je in het Lotharingen ten oosten van de Moezel maar een bos in hoeft te lopen om beton tegen te komen ligt dat hier heel anders. Het grote verschil is natuurlijk dat daar bijna niet gevochten is en in het Priesterwald juist heel veel.

Hier zijn veel loopgraven in moeilijk te belopen terrein buiten de paden. Maar er is iets anders. Ik merk dat ik het fysiek niet meer trek om dagen achter elkaar door zo’n bos te ploeteren. Ik geloof dat ik wel 100 keer gestruikeld en uitgegleden ben en het is eigenlijk een wonder dat ik alleen een paar blauwe plekken heb en dat ook mijn uitrusting nog heel is. Misschien betekent het dat ik fronttrips zoals deze niet meer kan maken. Dieptepunt was een voorval bij zo’n paraboolvormige Stolleningang : soms zit daar een tekst boven in het beton. Toen ik dat probeerde leesbaar te maken verloor ik mijn evenwicht, gleed uit en gleed in het gat van de ingang, die daar toevallig heel diep was. Ik kon nog net met mijn handen de betonnen zijkant grijpen en met veel moeite weer naar buiten klimmen. Dat was een moment waarop ik dacht: stop hiermee en zoek een andere hobby.
Mijn waterfles was ondersteboven in de loopgraaf terechtgekomen en daar leeggelopen, dus ik had voor de rest van de dag geen water meer.

 

 

Bois de Mort Mare


 

Vijfde dag

Ik had nog één volle dag om in te vullen. Het Priesterwald was ik wel zo’n beetje klaar mee, ook al had ik nog maar een klein deel gezien. Dus ik dacht, stel dat het de laatste keer is wat zou je nog willen zien. Ik had eigenlijk nog twee wensen, maar moest kiezen want twee was te veel voor een dag. Dus het front voor Seicheprey, met een fantastisch verhaal over Amerikanen, kwam te vervallen. Wat ik zeker wilde bezoeken was het frontdeel van de mijnenoorlog in het Bois de Mort Mare. Daar had ik al wat vooronderzoek naar gedaan, en geprobeerd de mijnkraters op de kaart in te tekenen, met de datums van de mijnexplosies er bij. De Franse en de Duitse verslagen hierover lopen nogal uiteen zoals gewoonlijk. 

Mijnkraters in het Bois de Mort Mare

Meest oostelijke deel, bij Flirey, oost van de D904, is een stukje bos bestempeld als historisch circuit. Bordjes erbij, monument, hekjes met kettingen, enz. Ik kon vier grote kraters goed herkennen, er zouden er zeven moeten zijn. Helemaal aan de andere kant van het mijnengebied, waar vroeger een spoorlijn doorheen liep, is niets meer te vinden want het is open terrein, geëgaliseerd en weer in gebruik genomen als akker. Dat is jammer want over deze sectoren aan weerskanten van de spoorlijn, de sectoren Cottiard en Ritz, is juist veel geschreven. Daar tussenin is een vrij langgerekte bosrand waar veel mijnkraters te zien zijn, in het wild zeg maar. Hier zijn de eerste mijnen afgegaan die nog niet zo’n grote springlading hadden en dus ook minder grote kraters veroorzaakten. Waarschijnlijk ook kleine kraters door camouflets. In een iets verder teruggebogen deel van de Duitse frontlijn is zowaar wat betonwerk te vinden. Voor meer beton moet je waarschijnlijk veel verder terug het achterland in, als ik kijk wat er allemaal op de kaart staat aangegeven.

Wat ik hier in het bos wel voor het eerst gezien heb is wild. Eerst drie herten met grote geweien, later drie reeën, allemaal in grijze winterjas. Daarna stoven ook nog een aantal zwijnen door de struiken.

Ik besloot als laatste in het achterland, tussen Euvezin en Vieville, de Gefechtsstand 51. Ersatz Brigade te zoeken. Tot mijn verrassing vond ik veel meer dan dat. Ik had allereerst moeite een parkeerplek te vinden. Het ligt aan een smalle weg zonder uitwijkmogelijkheden en met modderige bermen. Ik wilde niet het risico lopen weer vast te komen zitten, en daarom toch minstens twee wielen op de verharding te houden. Dat leverde een wat rare plek op, althans ik had het zelf liever anders gezien, maar ik wist niet beters. Toen ik al van de auto weg liep naar het bos, stopte een Fransman luid toeterend, hij kwam hard en slingerend achteruit rijdend naar mij toe, gevaarlijk dicht langs een andere passerende auto. Hij draaide zijn raampje open en vroeg me of ik soms pech had met de auto. Ik zei dat ik er was voor een fotomomentje. O, zei hij toen, pas maar op voor de wilde zwijnen. Ik bedankte hem dat hij gestopt was en voor zijn aangeboden hulp. Het was niets, zei hij en reed verder. Het was de eerste keer in vijf dagen dat ik onderweg contact had met een mens. Verder nergens iemand gezien.

 


Direct langs de weg, net in de bosrand, stond een andere Gefechtsstand dan degene waar ik naar op zoek was. Dit was dus bijvangst. De Gefechtsstand van de Ersatz Brigade lag aan de andere kant van de weg wat verder het bos in. Het was een complex van meerdere bouwsels, gedeeltelijk ondergronds en het zou me niet verbazen als ze ondergronds met elkaar in verbinding stonden. Het was mogelijk om naar binnen te gaan maar ik heb dat niet gedaan.

Ik wilde een poging doen om Regimentsstab 52 en Gefechtsstand 29. Ersatz Brigade te bezoeken, die dicht bij elkaar op mijn route lagen, maar ik zag ze niet meteen en het was te laat en te donker om nog verder te gaan.

 

Conclusie

Ik heb aan deze reis een enigszins ontevreden gevoel overgehouden en ik weet niet goed hoe dat komt. Eigenlijk waren de condities juist heel goed. Droog weer, kale bossen en temperaturen ruim boven nul. Vandières als verblijfplaats kon haast niet beter, bijna op het slagveld. Ook al was het hotel een beetje eigenaardig, met geheel eigen opvattingen over openingstijden, een regelneef als hotelbaas die precies wilde weten hoe laat weg, hoe laat komen, hoe laat eten, enz. Nogal beklemmend. En aan de hygiëne haperde ook wel wat, met een seniele schoonmaakster die alles maar half deed en een fruitvliegjesplaag in december.

Nee, dat was het allemaal niet wat mijn gevoel van ontevredenheid voedde. Ik denk dat het komt door het gebrek aan vondsten, en vooral ook de kwaliteit daarvan. Misschien was ik iets verwend geraakt daar aan de oostkant van de Moezel, met veel betonnen bouwwerken in goede staat. Hier is het lang zoeken naar armzalige hoopjes restanten. Lichtpuntjes kunnen de locaties ver achter het front zijn, want tussen de aller voorste loopgraaf en het verre achterland zit eigenlijk niets. Alleen maar loopgraven, veel loopgraven.