vrijdag 28 januari 2011

Legermuseum foto's op Flickr


Mijn werk aan het archief van het Legermuseum is geruisloos overgegaan in werken aan verschillende websites. In dat kader kijk ik ook hoe nieuwe media ingezet kunnen worden. Als uitprobeerseltje heb ik een serie foto's nu eens niet op de Legermuseum website geplaatst maar op fotosite Flickr. Ook al omdat een deskundige bij ons op bezoek was die zei dat we eens verder op het web moesten kijken dan alleen onze eigen site. Met in mijn achterhoofd een rapport van de Library of Congress, waar ze een aantal jaren geleden zijn begonnen met 3000 foto's in Flickr Commons waarbij ze na 48 uur al een miljoen bezoekers hadden. Onwaarschijnlijke aantallen die door latere acties van het Nationaal Archief en de KB al behoorlijk gerelativeerd zijn.
Ik deed het heel bescheiden, met 30 foto's over de Mobilisatie 1939-1940, afkomstig uit twee verschillende fotoalbums van Nederlandse militairen. Er was juist daarvoor een fotoexpositie in het museum geweest over het onderwerp en op de Legermuseum website is het dan niet ongewoon dat zo'n expositie verder leeft als online-expositie. Op de eigen website heb ik een pagina als introductie en vanaf daar kan men doorklikken naar Flickr. Vanaf Flickr kan weer doorgeklikt worden naar het Legermuseum en dan is het cirkeltje rond.

Op de homepage is een link maar verder is er geen enkele aankondiging gedaan of andere publiciteit aan gegeven; gewoon maar kijken wat er van komt. Na een paar dagen had ik bij de meeste foto's al 1 bezoeker, en dat was ik waarschijnlijk zelf. Nu, na een paar maanden, staat de teller tussen 40 en 90. Er is bij geen enkele foto commentaar gegeven, en 1 foto is door iemand als favoriet aangemerkt en in een eigen fotoserie overgenomen. Het gaat hier om een foto van soldaten met een gasmasker op, die is overgenomen door een gasmaskerfetishist die zelf een pagina heeft met uitsluitend foto's van mensen met gasmaskers.
Geen astronomische bezoekersaantallen dus. Fotosharing is geen wondermiddel en er is blijkbaar meer voor nodig om het een succes te laten worden. Zie hier de foto's:
http://www.flickr.com/photos/55995799@N05/

Nu ga ik Flickr voor mezelf eens toepassen op een iets andere manier. Niet met foto's, waar het platform eigenlijk voor bedoeld is, maar met afbeeldingen van handschriften. In oud Duits geschreven soldatenbrieven van Duitse soldaten uit de Eerste Wereldoorlog. Ik heb de eigenaardige hobby om dat oude handschrift te ontcijferen, ook als oefening om het een beetje bij te houden. Een brief koop je al voor 1 euro op ebay en daar kan je een poos mee zoet zijn.
Ik heb op Flickr ook al eens een paar transcripties gegeven bij achterkanten van ansichtkaarten die door anderen zijn geplaatst. Zie bijvoorbeeld:
http://www.flickr.com/photos/drakegoodman/5359251871/
http://www.flickr.com/photos/drakegoodman/5359075187/

Aris de Bruijn
The Legermuseum Archives

zaterdag 15 januari 2011

Zinloos digitaliseren


Al jaren is men wereldwijd als een razende boeken aan het digitaliseren. De Verenigde Staten voorop natuurlijk. We kennen allemaal de activiteiten van Google en de samenwerking met Amerikaanse en Canadese bibliotheken. Allemaal mooie initiatieven waar ik zelf voor onderzoek al zeer veel profijt van heb gehad. Je hoeft voor veel dingen de deur niet meer uit omdat het online te vinden is.

Allemaal mooi en aardig maar hier wil ik het echter hebben over een minder nuttig verschijnsel: het zinloos digitaliseren. Het valt niet te ontkennen dan men zo hier en daar als een kip zonder kop maar alles door de digitaliseringsmolen maalt, zonder al te veel op kwaliteit te letten. Het lijkt meer om aantallen te gaan dan om bruikbaarheid. Ik ben al aardig wat curieuze werkjes tegengekomen. Het boven aan dit stukje afgebeelde werk "Exercier Reglement für die Grossherzoglich Hessische ..." spant wel de kroon. Het boek bevat in werkelijkheid uitsluitend uitklapbare pagina's maar bij het digitaliseren is dit niet gedaan. Resultaat is dat er GEEN ENKELE bruikbare, leesbare, zichtbare pagina is. Zelfs de titel staat er maar half. Digitised by Google en te vinden op
http://www.archive.org/details/texts
Wat moeten we hiermee? Het bedrijf dat de digitalisering heeft uitgevoerd heeft hem gewoon meegeteld bij het indienen van de rekening, de scanoperator heeft zijn schouders opgehaald en gedacht wat kan mij het schelen, het is toch bijna weekend, de opdrachtgever heeft geen controle uitgevoerd en het ook nog doodleuk op internet gezet, er zijn vooraf geen goede afspraken gemaakt over de behandeling van dit soort pagina's. Het is zowieso een ergerlijk verschijnsel dat opgevouwen kaarten en dergelijke nooit goed gescand worden. Elk boek waar uitklapkaarten in zitten, en dat zijn er nogal wat als het gaat over militaire geschiedenis en veldslagen, wordt onvolledig gescand. En deze kaarten en schema's zijn vaak onmisbaar voor het boek.
Een ander drama voltrekt zich bij de tekstherkenning. De Amerikanen proberen alles om te zetten naar doorzoekbare tekst, ook het oudduitse Frakturschrift. Dat heeft geen enkele zin en levert alleen maar geheimschrift op. Zie hier een willekeurig stukje uit de Gesammelte Schriften van Helmuth von Moltke:

S)er ^vXjalt biefeS SöanbeS nun bietet in feinen Beiträgen
jur 8eBen§gef(l§i(j^te »eitere ttjic^tige SSaufteine für ba§ itUn^^
unb ei^aralterbilb beS großen SKanneg. SSietteid^t ^ätte ein
längcrei^ Qntoatttn nod^ einige, freilid^ wol^I nur unbebeutenbe
©njel^eiten für biefe Aufgabe gu liefern »ermod^t, aber eS er*»
fc^ien nid^t angegeigt, auf eine geringe SBal^rfc^'cinKc^feit l^in
ben abfd^Iuß toeiter ]§inau§jufd^ieben, benn ba§ ©efammtbilb, toie
e§ fid^ ie|}t fd^on barfteöt, l^ätte baburd^ leine Äenberung erfal^ren,

Een andere goede bron voor onleesbare boeken is de site van de Franse bnf.
http://gallica.bnf.fr/

Hier krijg je aan het begin van de scan nog een waarschuwing voor slecht scanresultaat. Maar heel veel is gewoon het gevolg van slordig werken. Pagina's die gescand zijn precies op het moment dat de pagina wordt omgeslagen, handen in beeld, verkeerde formaatinstelling zodat het tekstgedeelte van de pagina ergens klein in een hoekje staat en de rest van de pagina leeg is, zwart-wit en kleur gescande pagina's door elkaar zonder aanwijsbare reden, doorgeslagen achterkant omdat er geen zwart papiertje achter gehouden is. Allemaal curieus, grappig maar soms ook tenenkrommend, als je precies het stuk informatie mist dat je zoekt en je weet dat het er met een beetje meer aandacht wel had kunnen staan.
Voorlopig sla ik dit soort vondsten op in een apart mapje op mijn computer, onder de naam "digitale curiosa". Kunnen we er later nog eens naar terugkijken en om lachen.



Aris de Bruijn
The Legermuseum Archives

donderdag 6 januari 2011

Camouflage


Voor een presentatie zocht ik afbeeldingen van verschillende soorten camouflage. Nu bezit het Legermuseum een aardig aantal textielstalen van exotische camouflagepatronen uit bananenrepublieken van alle continenten, maar het was niet helemaal wat ik zocht. Ik vond in de bibliotheek een bijzonder boek over camouflage, een standaardwerk zou ik het wel willen noemen, getiteld: DPM, Disruptive Pattern Material. Het bestaat uit een cassette met twee boeken van ongelijke omvang, over de oorsprong en toepassing van camouflage, zowel voor militaire doeleinden als in de burgermaatschappij (camouflagepatronen in de mode bijvoorbeeld).

Militaire camouflage begint eigenlijk pas echt tijdens de Eerste Wereldoorlog. We kennen natuurlijk de dazzle-painting van oorlogsschepen in WO1 en ook de camouflage met natuurlijke materialen zoals nagemaakte boomstammen die dienst deden als uitkijkposten. Verder zien we tegen het einde van de oorlog beschilderde tanks en helmen, bunkers die vermomd zijn als woonhuis en netten die het zicht op wegen moesten ontnemen. Voor uniformen wordt camouflage nog niet op grote schaal toegepast. We waren nog maar net afgestapt van de felgekleurde uniformen uit het Napoleontische tijdperk en overgegaan op Feldgrau, khaki en horizon bleu. Met patronen bedrukt textiel was er tijdens die oorlog nog niet, maar toch staan er interessante camouflagevoorbeelden in het boek waarvan het de bedoeling was dat ze met de hand op doek geschilderd zouden worden. Verrassend vind ik een overdruk van een pagina uit de Illustration uit 1920, waarop camouflagepatronen staan afgebeeld die een afspiegeling zijn van de Franse frontsectoren. (afbeelding hierboven geeft een paar voorbeelden). Nooit geweten dat zoiets er toen al was. Volgens het bijschrift viel camouflage onder de strengste Franse legercensuur en mocht er tijdens de oorlog niets over gepubliceerd worden. Vandaar dat er pas in 1920 iets over in de Illustration verscheen en in andere publicaties zoals La Guerre Documentée en Scientific American.

Alle deelnemende legers stelden tijdens de oorlog gespecialiseerde camouflage eenheden op die experimenteerden met het verbergen van artillerie, voertuigen, uitrusting en installaties. Deze speciale eenheden werden meestal samengesteld uit kunstenaars en decorschilders. De oorsprong van camouflage is een beetje duister maar is in ieder geval Frans. In augustus 1914 werden onafhankelijk van elkaar voorstellen gedaan door Eugin Corbin en Lucien-Victor Guirand de Scévola voor het verbergen van artillerie met beschilderd doek. Louis Guingot, een vriend van Corbin en schilder/decorateur, experimenteerde met manieren om verf op textiel aan te brengen. Al in september 1914 presenteerde hij samen met zijn broer Henri aan het Franse opperbevel een groot stuk beschilderd canvas en vijf met de hand beschilderde pakken waarmee ze een artillerieopstelling en bemanning aan het gezicht onttrokken. De Franse generaals waren onder de indruk en gaven opdracht aan een groep kunstenaars onder leiding van Corbin en Guingot om meer camouflagetextiel te produceren. In november kwam hieruit voort de Equipe de Camouflage. In februari 1915 werd het een officieel Frans legeronderdeel, de Section de Camouflage, vanaf dat moment geleid door Lucien-Victor Guirand de Scévola, een bekend portretschilder. De sectie bestond in augustus 1915 uit drie regionale werkplaatsen en een centrale werkplaats in Parijs. De eenheid breidde snel uit met schilders, decorateurs en beeldhouwers die van het front werden weggehaald. Alles gebeurde in het grootste geheim. Behalve hoeveelheden beschilderd doek kwamen er andere uitvindingen uit voort zoals postduiven die zwart geschilderd werden om ze op kraaien te laten lijken, holle namaakbomen waar een uitkijkpost in verstopt zat, tot aan een groot doek waar op ware grootte een massale aanval van 300 soldaten te zien was.
De Franse impressionistische schilder en camoufleur Jean-Louis Forain maakte als inspecteur reisjes naar het front om aanwijzingen te geven over de toepassing van camouflage. Aan het front werden stalen genomen van de overheersende locale kleuren grond en patroonkaarten geproduceerd om aan te geven welke schema's en kleuren nodig waren voor verschillende regio's en in verschillende jaargetijden. In 1917 kwam daar een vliegtuig bij dat speciaal belast was met de controle vanuit de lucht van de effectiviteit van de camouflage op de grond.

Eind 1916 kwamen de Britten met een Camouflage Section, geadviseerd door Solomon J. Solomon van de Royal Academy. Ook deze afdeling had veel schilders en beeldhouwers in zijn gelederen. In Wimereux was de hoofdvestiging van de sectie, met locale werkplaatsen op diverse plaatsen langs het front, onder de dekmantel Special Works Park. In Londen werd een school opgericht die aan commanderende officieren les gaf in camouflagetechnieken. In andere landen zoals Italië, Duitsland en België werden soortgelijke secties opgericht en kwam men met vergelijkbare oplossingen.
Ook aan de Amerikanen wordt in het boek een stukje gewijd. Daar begon het met een groep vrijwilligers in New York, eveneens met kunstenaars en decorateurs, die uitgroeide tot een groep van 200 man. Toen het Amerikaanse leger een oproep deed voor een camouflagekorps, meldden veel leden van deze New York Camouflage Society zich aan als vrijwilliger voor de Amerikaanse camouflageeenheid die werd geleid door een theaterdirecteur.
Intussen waren aan het front in Frankrijk al een paar kunstenaars bezig met het bestuderen van Franse en Britse technieken. Toen begin 1918 de eerste groep uit de VS overkwam ontstond een camouflage werkplaats bij Dijon. Deze compagnie, aangevuld met vrouwelijke Franse werkers, schilderde patronen op voertuigen en produceerde dagelijks 45.000 vierkante meter aan camouflagenetten.
De eerste camouflage op personen bestond uit pakken met stroken textiel daarop aangebracht en uit handbeschilderde capes met gezichtsnetten, die vooral verstrekt werden aan sluipschutters en bemanning van observatieposten. De Britse camoufleur en theater decorontwerper L.D. Symington maakte een aantal ontwerpen voor pakken, het Symien Sniper Suit en het Boiler Sniper Suit (zie afbeelding).
In het boek staan voorbeelden afgebeeld van beschilderde regencapes en een camouflageovertrek voor een Franse kepi. Alles uit de verzameling van Jean-Pierre Verney, die de basis vormt voor het nieuwe museum in Meaux dat op 11 november 2011 geopend zal worden. Bijzondere verzameling moet deze man gehad hebben. Dat maakt een bezoekje aan dat museum in de toekomst wel de moeite waard.

Eigenlijk is camouflage een vreemde toepassing van kunst in de oorlogvoering. Omgekeerd heeft de militaire camouflage ook weer veel kunstenaars ertoe aangezet om camouflage als onderwerp van hun kunstwerk te kiezen. Enkele voorbeelden:
Colin U. Gill - Heavy Artillery, 1919
Drevil - Les quarante camoufleurs, 1916
Leon G.C. Underwood - Erecting a camouflage tree, 1919
Edward Alexander Wadsworth - Dazzle-Ships in Drydock at Liverpool, 1919
Edward Alexander Wadsworth - Dazzle-Ships in Drydock 1918 (houtsnede) (afbeelding)
Meer over de wisselwerking met kunststromingen zoals futurisme en vorticisme is te vinden in het boekje Dazzle Painting, kunst als camouflage en camouflage als kunst, Albert Roskam, uitgegeven bij de gelijknamige tentoonstelling in het Maritiem Museum in Rotterdam in 1987.


Het Canadian War Museum heeft vorig jaar een tentoonstelling gehouden over camouflage getiteld From Battlefield to Catwalk. De tentoonstelling liep tot september maar op de website zijn nog aardige dingen te vinden.
Ik vind het opvallend dat het War Museum een onderdeel is van het Canadian Museum of Civilization. Ze kijken daar toch heel anders tegen een militair museum aan dan bij ons. Oorlog als ondereel van beschaving. Bij ons is het eerder een tegenstelling.
http://www.civilisations.ca/cwm/exhibitions/exp/camo/camo01e.shtml

Als laatste wil ik verwijzen naar een interessante blog getiteld Camoupedia. Het is een voortzetting van een boek met dezelfde titel, Camoupedia: a compendium of research on art, architecture and camouflage, door Roy R.Behrens, Bobolink Books 2009.
De blog is in het leven geroepen om aanvullingen en nieuwe ontdekkingen te kunnen blijven publiceren na verschijnen van het boek.
http://camoupedia.blogspot.com/

Boekgegevens van het in dit artikel besproken boek:
DPM, Disruptive Pattern Material. An Encyclopaedia of Camouflage: Nature - Military - Culture. London 2004. ISBN 095434040x

Musée de la Grande Guerre du Pays de Meaux
http://museedelagrandeguerre.eu/fr

Aris de Bruijn
The Legermuseum Archives

dinsdag 21 december 2010

Ernstig vuurwerk

Dit verhaaltje begon eigenlijk als een spin-off van de geplande mini-expositie "klap op de vuurpijl" in het Collectie Informatie Centrum van het Legermuseum, maar omdat de mini-exposities geslachtofferd zijn met het oog op Soesterberg, is het nu een weeskind. Geheel in de geest van de Amerikaanse filosoof Roy Sorensen die gisteren te gast was in Wintergasten en die gespecialiseerd is in dingen die er feitelijk niet zijn, maar die wel invloed hebben op de dagelijkse gang van zaken. Ik bedoel hier niet het nieuwe museum hoor, maar de mini-expositie. [smile]

Mathieu zorgde voor de titel. In zijn mooie artikel in de nieuwe Armamentaria die vandaag verscheen, staat het woord "ernstvuurwerk" als tegenhanger van "siervuurwerk". Hij schrijft over oorlogsvuurpijlen dat ze in het derde kwart van de 19e eeuw uit het zicht verdwenen als oorlogswapen, maar alleen nog werden gebruikt als signaalmiddel. En dat is nu precies waar ik naar toe wil.
Nachtelijk vuurwerk boven het slagveld

De hemel boven het slagveld moet er af en toe uitgezien hebben alsof er een machtig vuurwerk aan de gang was. Behalve door over en weer vliegende granaten werd de hemel doorkliefd met vuurpijlen en lichtsignalen van verschillende kleuren en vormen. De volgende impressie is van zo'n "son et lumière" boven de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog.

“Eergisteren van acht uur ’s avonds tot in de vroege morgen ben ik getuige geweest van de beschietingen. Ik zat er als in de loge van een schouwburg en door de kijksleuf zag ik voor mijn ogen hoe de opera zich afspeelde; een barbaarse en ononderbroken muziek, Franse en Duitse kanonschoten van alle kalibers, geweerschoten, mitrailleurs. De vlammen van de schoten verlichtten de hemel, de harde lichtflitsen van de weerkaatsingen doortrokken de hemel. Vreemde langgerekte acteurs die naderbij kwamen, zich weer terugtrokken, zich vergrootten, verkleinden, lichtkogels die uiteenspatten in een regen, lichtsignalen in een bundel, in een bol, witten oranje-roden blauwen groenen stijgen op, bijzondere en geraffineerde danseressen."

Het citaat is uit een brief van 2 september 1915 van schrijver-dichter Guillaume Apollinaire gepubliceerd in "Lettres à Madeleine". Apollinaire was artilleriewaarnemer in het Franse leger en gefascineerd door de techniek, de dynamiek en de energie van de oorlog. Wat hij zag was een nachtgevecht aan het loopgravenfront, met alles wat er bij hoorde, een artilleriebeschieting, een infanterieaanval en de onvermijdelijke reacties van de tegenstander. De kanonnen kregen hun aanwijzingen niet alleen van artilleriewaarnemers maar regeerden op lichtsignalen van de soldaten in de voorste loopgraven. Als de infanterie na een aanval de bereikte posities wilde markeren werden gekleurde vuurpijlen afgeschoten. Schoot de eigen artillerie te kort, wat geen uitzondering was, dan volgde het signaal "vuur naar voren verleggen". Er konden andere eenvoudige bevelen gegeven worden, zoals "vuur terugleggen", "spervuur", "breng meer munitie", "zend reserves", enz. De signalen konden bestaan uit verschillende kleuren of vormen, waarvan de betekenis voorafgaand aan de aanval was afgesproken. De betekenis moest zo lang mogelijk geheim blijven en de code werd minstens elke week veranderd, om de vijand niet in de kaart te spelen.

Het gebruik van lichtsignalen was een snelle vorm van communicatie, in een tijdperk waarin draadloze communicatie nog nauwelijks bestond, zonder tussenkomst van hogere instanties. Het was wel éénrichtingsverkeer, van voren naar achteren. Ook zorgde de zichtbaarheid en herkenbaarheid nog wel eens voor vergissingen. De tegenstander gebruikte ook lichtsignalen, die nauwelijks verschilden van de eigen signalen en niet alle kleuren waren even goed te herkennen. Rood, groen, geel en wit waren de beschikbare kleuren en door combinaties te maken werd het aantal mogelijkheden uitgebreid, maar dat werd er niet eenvoudiger op en de kans op vergissingen was groot. Uit de aanbevelingen in de voorschriften blijkt dat rood de best zichtbare kleur was en dat groen en geel gemakkelijk verward konden worden met wit licht. Naast de verschillende kleuren had men de beschikking over signalen die variaties in vorm te zien gaven. Duitse voorschriften spreken over:

Sternpatronen, Signalpatronen mit Perlen, - mit Verästelung, - mit Doppelstern, - mit Blitz., - mit nachziehenden Perlen en dan waren er ook nog patronen die voorzien waren van een kleine parachute om de lichtbol zo lang mogelijk in de lucht te houden. Het is in deze warboel begrijpelijk dat vergissingen vaak voorkwamen. Als de communicatie tussen infanterie en artillerie niet lukte, dan kon dit vele slachtoffers tot gevolg hebben, soms door het "eigen vijandelijke vuur", waarmee de eigen te kort schietende artillerie bedoeld werd. De aanbeveling was dan ook om alleen enkelvoudige signalen te gebruiken, in één kleur en met maar één vooraf afgesproken betekenis, en om dat signaal net zo lang te herhalen tot de boodschap was overgekomen.

Apollinaire zag het ernstige vuurwerk vanaf een relatief veilige positie. Maar dat was voor hem niet voldoende. Hij was, zoals meer kunstenaars in die tijd, gefascineerd door de oorlog en vond het een voorrecht om het te mogen meemaken. Hij was eerst als vrijwilliger bij de artillerie terecht gekomen maar hij vond dat hij daar niet dicht genoeg op de actie zat. Hij vroeg overplaatsing aan naar de infanterie om voor in de loopgraven midden tussen het strijdgewoel te zitten. Hij wilde het allemaal zelf ondergaan. De italiaanse futuristen gingen nog een stap verder. Ze beschreven de oorlog als het buitengewone gevoel van de onweerstaanbare kracht van destructie. De moderne oorlog vroeg om een moderne manier van schilderen. Het realisme had voorgoed afgedaan en voldeed niet meer om de nieuwe tijd te beschrijven. Ze verheerlijkten de oorlog en zagen het als een opstuwing van het leven naar een hoger niveau van activiteit. Kracht, snelheid, dynamiek. Ze bewonderden de technische vooruitgang, technologie en mechanisatie. De toekomst was het enige dat telde en er moest afgerekend worden met het verleden. Ze verheerlijkten het gevaar en de spanning, overdrijving, destructie, rebellie. "Buiten de strijd is er geen schoonheid. Geen meesterwerk zonder agressief karakter" stond in het manifest van Marinetti te lezen.
(In het manifest stond ook dat alle musea verbrand moesten worden, maar dat schrijf ik hier natuurlijk niet).

Op het omslag van de Gallimard-uitgave van de brieven van Apollinaire uit 2005 staat een schilderij afgebeeld van Gino Severini, ook één van de Italiaanse futuristen, getiteld "Kanon in actie", dat heel goed aansluit bij de tekstpassage. In een poging om ook het lawaai en de bewegingen uit te drukken heeft hij er voor gekozen om teksten als een collage te integreren in zijn schilderij. Het schilderij kan niet alleen bekeken worden maar ook gelezen. "Bboumm - Vuur! - arithmetische perfectie - geometrisch ritme - kracht - geleidelijk naar de aarde afbuigende boog - de aarde verheft zich in golven tegen het kanon - precisie - mechanische soldaten laden systematisch - diepte, angst, stilte "


Overigens keerde Severini zich al vrij snel weer af van deze techniek, omdat het gebruik van teksten toch niet ideaal was en hij raakte ook gefrustreerd omdat het hem niet lukte om de bijtende stank van de loopgraven uit te beelden. Hij liet de oorlog voor wat hij was en ging voortaan verder met het schilderen van stillevens. Andere kunstenaars konden het spektakel van de oorlog niet verwerken; ze kregen psychische problemen en belandden in een inrichting.
Apollinaire bleef zijn opvattingen trouw maar liep in 1917 een hoofdwond op waardoor hij voor de rest van de oorlog uitgeschakeld was. Ik zag in het Historial in Peronne ooit een tentoonstelling over Apollinaire met in een vitrine het met bloed besmeurde boek dat hij aan het lezen was toen hij de granaatscherf tegen zijn hoofd kreeg. Dan is de oorlog weer heel dichtbij.


Over kunstenaars in de Eerste Wereldoorlog: www.art-ww1.com/gb/visite.html

Bij de twee kleine foto's:
Italiaan prepareert een signaalraket
Helft van een britse stereofoto "instructie in de open lucht over signaalraketten en lichten"
Bij de laatste foto: Flares fired by M777 howitzers to illuminate during Operation Tora Arwa V in the Kandahar province Aug. 2 2009.

Vorschriften für den Stellungskrieg für alle Waffen
Teil 9. Nachrichtenmittel und deren Verwendung, Berlin 1917
Teil 4. Leuchtmittel, Berlin 1916
Teil 5. Der Artillerieflieger und der Artillerieballon, Berlin 1918

Boekreferentie: Guillaume Apollinaire, Lettres à Madeleine, Gallimard Paris 2005

Nieuw uitgekomen: Armamentaria 45, jaarboek Legermuseum 2010/2011. Met o.a. Mathieu Willemsen, Oorlogsvuurpijlen en het Nederlandse Leger

Aris de Bruijn
The Legermuseum Archives

zondag 12 december 2010

Declaration of Independence


Het moet weer eens over Amerikanen gaan. Niet dat ik nou zo dol ben op dat land, en het is ook niet mijn favoriete volk, maar ze geven wel stof tot schrijven.
Lee Ann Potter van de National Archives in Washington gaf deze week op de Digitaal Erfgoedconferentie een dijk van een lezing waar geen van de andere sprekers ook maar een moment bij in de schaduw kon staan. Hoe doen ze dat toch, die Amerikanen? OK, wat ze te vertellen had was inderdaad ook wel de moeite waard, maar het zit 'm toch vooral in de presentatie. De vanzelfsprekendheid, de overtuiging waarmee het gebracht wordt. Als een Hilary Clinton die er tot het laatst van overtuigd is dat ze de verkiezingen gaat winnen. En altijd alles in superlatieven. Het grootste, het mooiste, het beste, het meeste. Een miljoen bezoekers bij het archief, van mensen die er allemaal in de rij staan om naar de drie belangrijkste originele documenten, de "Charters of Freedom" te kijken: Constitution of the United States, Declaration of Independence en de Bill of Rights.


Het enige wat ik daar tegenover kan stellen is dat ooit voor een expositie in het Legermuseum, over de inzet van Nederlandse militairen in voormalig Indonesië, de originele onafhankelijkheidsverklaring van Indonesië is tentoongesteld, en dat het bruikleen toen verzekerd was voor 500.000 gulden. Hoeveel bezoekers dat heeft getrokken weet ik niet.
Nu hebben de Amerikanen ook nog niet zo veel geschiedenis. Dat gaf zelfs Lee Ann volmondig toe, maar ze buigen dat dan weer om tot een voordeel. Ze hebben hun geschiedenis ingedeeld in een genormaliseerde, vastgestelde tijdbalk, volgens de National Standards for History. Deze standaard begint met Era 1, The Beginnings of Human Society. We zitten volgens deze schaal nu in Era 10. Mooi overzichtelijk zo.

Het Amerikaanse architectenduo Diller en Scofidio heeft ooit geprobeerd de hele Amerikaanse geschiedenis samen te vatten in 50 Samsonite koffers. Ze brachten hun 200 jarige geschiedenis in beeld onder twee trefwoorden: Beds and Battlefields, bedden en slagvelden. Het begin en het einde van het leven, zou je kunnen zeggen. Onder bedden werd dan verstaan de geboortebedden, in de geboortehuizen van Amerikaanse persoonlijkheden zoals presidenten en generaals. Ze schijnen een grote aantrekkingskracht uit te oefenen op de gemiddelde Amerikaanse toerist. Dat de oorspronkelijke geboortehuizen vaak al lang verdwenen zijn is geen enkele belemmering. Ze zijn gewoon opnieuw geconstrueerd. Voor de Amerikaan maakt het geen verschil of zo'n bed nu echt is of een replica.


Ik heb me laten vertellen dat van die originele Amerikaanse documenten, er minstens één of misschien wel alle drie, een replica is. Dus waar die 1 miljoen bezoekers zich aan staan te vergapen is nog niet eens echt ook. Het origineel was lang geleden al zo verbleekt dat er bijna niets meer te lezen was, waarna ze hem heel precies nagetekend hebben. De versies die er nu liggen zijn ook al weer zo verbleekt dat ze nauwelijks nog te lezen zijn.
Ik heb de authenticiteit geprobeerd te verifiëren op internet maar ik vond geen site waar dat op stond, en de National Archives zullen de laatste zijn om het toe te geven. Toen was er ook nog geen WikiLeaks natuurlijk.
Wat ik wel tegen kwam was dat er ook "authentieke reproducties" worden aangeboden. In de eerste plaats in de winkel van de National Archives zelf, tot en met T-shirt versies aan toe; het is gewoon merchandise. Het zijn misschien wel de meest gekopieerde documenten in de VS. The National Archive (dus zonder "s", in hele kleine lettertjes: A private free enterprise not affiliated with archives.gov.) biedt reproducties aan die volgens één van de reacties op de site, er beter uitzien dan de originelen in Washington. Ja, waarom zou je eigenlijk nog naar Washington gaan. Voor 29,97 dollar krijg je alle drie de documenten thuisgestuurd. En je krijgt je geld terug als je niet tevreden bent. 100% MONEY BACK GUARANTEE IF NOT DELIGHTED.


Overigens zijn er wel officiële oude kopieën van deze documenten. Van de Declaration of Independence zijn in 1823 door drukkerij William Stone 200 kopieën gemaakt waarvan er nog 35 bekend zijn.
Eén ervan dook dit jaar op in een rommelwinkeltje in Nashville, Tennessee. Hij bracht bij een veiling $ 477.650 dollar op. De vinder had hem voor $ 2,48 gekocht, en verklaarde met het geld een nieuwe tweedehands auto te gaan kopen, een serre aan zijn huis te gaan bouwen, en een deel aan zijn ouders en aan goede doelen te geven. Wat een mooi Amerikaans verhaal weer.


De oudste afschriften van de Declaration of Independence zijn de zogenaamde Dunlap prints, vernoemd naar de drukker die ze maakte op 5 juli 1776, dus 1 dag na de beroemde 4th of July, en werden direct door boodschappers te paard verspreid door de koloniën.
Er zijn er waarschijnlijk 200 gemaakt. In 2009 werd een 26e kopie van zo'n Dunlap print gevonden bij de National Archives in Londen. De 25e kopie was ooit geveild voor 8.14 miljoen dollar.


Bij de afbeelding boven aan dit artikel van links naar rechts:
Constitution of the United States
Signed Copy of the Constitution of the United States; Miscellaneous Papers of the Continental Congress, 1774-1789; Records of the Continental and Confederation Congresses and the Constitutional Convention, 1774-1789, Record Group 360; National Archives.
Declaration of Independence
Official signed copy of the Declaration of Independence, August 2, 1776; Miscellaneous Papers of the Continental Congress, 1774-1789; Records of the Continental and Confederation Congresses and the Constitutional Convention, 1774-1789, Record Group 360; National Archives.
Bill of Rights
Engrossed Bill of Rights, September 25, 1789; General Records of the United States Government; Record Group 11; National Archives.


Website van de afdeling van de National Archives and Records Administration die zich bezig houdt met lesprogramma's voor het onderwijs aan de hand van originele documenten. Hier is alles over de documenten te vinden, inclusief afbeeldingen.
http://docsteach.org/

De National Archives Store, met reproducties in allerlei soorten en maten, en ook een "Create Your Own Document Kit" met ganzenveer, inkt en een blanco stuk perkament.
http://estore.archives.gov/category.aspx?categoryID=54

De tentoonstelling in het Legermuseum gehouden in 1993: Inzet in Nederlands-Indië, 1945-1950, heeft als archiefreferentie 0875

Het boek van Diller and Scofidio heet: "Back to the Front: Tourisms of War", FRAC, Basse Normandie 1994

Site waar je de drie Charters of Freedom kan kopen : http://www.thenationalarchive.com/index.html

Veilinghuis Raynors' waar de vondst van Nashville geveild is en waar vaker historische documenten geveild worden:
http://www.hcaauctions.com/index.html
Het is alleen al een feest om online door hun 178 pagina's tellende veilingcatalogus te bladeren. Highlight in de komende veiling is de oudst bekende handtekening van de moordenaar van Abraham Lincoln. Moet tussen de 13.000 en 15.000 dollar gaan opbrengen. Bieden kan ook online en het hoogste bod staat tot nu toe op 9.250

PDF download van de Dunlap print bij de National Archives in Londen:
http://www.nationalarchives.gov.uk/documentsonline/details-result.asp?queryType=1&resultcount=1&Edoc_Id=8199065



Aris de Bruijn
The Legermuseum Archives

zaterdag 4 december 2010

Kanonnen opgevist uit de Straat van Messina


Vandaag weer eens een echt archief-artikel. Het archiefwerk loopt voor mij op z'n eind vanwege het naderende einde van de stage, en ik probeer zoveel mogelijk losse eindjes weg te werken zodat een eventuele opvolger daar niet mee opgezadeld zit. Het lijkt onvermijdelijk dat er altijd een restje ongeregeld overblijft. Een van de moeilijk plaatsbare dossiers onder uit de kast bestond uit :
Een halve getypte pagina zonder titel, datum of schrijver, een envelop met een reeks krantenknipsels, twee handgeschreven notities in het hoofdpijnhandschrift van Generaal Hoefer gedateerd 1937, en een melinex mapje met drie sterk aangetaste vrachtetiketten in het Italiaans.
Ga daar maar iets van maken.

Op de envelop met krantenknipsels staat getikt: Kanonnen. Opgevist in de straat van Messina. Thans in het Legermuseum. En met de hand bijgeschreven: M.A.de Ruyter.
Het beeld begint zich al te vormen. Als de krantenknipsels zelf onder de loep worden genomen wordt alles duidelijk. Het gaat om resten van de vloot van Michiel de Ruyter, die in 1937 gevonden zijn in de Straat van Messina. Drie kanonnen en een anker, afkomstig van de vloot waarmee admiraal de Ruyter op 23 april 1675 ter hoogte van Stromboli zijn laatste zeeslag leverde. Deze resten zijn in 1937 bij toeval gevonden, door een Italiaanse expeditie die op zoek was naar gezonken oorlogsschepen uit de Eerste Wereldoorlog.
Over de vondst zegt een van de knipsels:
"De directeur van het Legermuseum, Generaal-Majoor b.d. F.A.Hoefer, wien deze vondst ter ore kwam, heeft zich vervolgens, na zich met den Minister van Defensie te hebben verstaan, in een persoonlijk schrijven tot Mussolini gewend, teneinde te verkrijgen dat deze herinneringen aan een voor ons land zoo belangrijk historisch gebeuren, voor ons land bewaard bleven. En het gevolg van dit schrijven is geweest, dat de kanonnen eenige maanden later bij monde van den Italiaanschen gezant, onze regeering als een geschenk werden aangeboden."


De bronzen kanonnen en het anker zijn daarop met het stoomschip Tiberius van de KNSM naar Nederland vervoerd, en bij Artillerie-Inrichtingen Hembrug opgeknapt. Het was op dat moment nog niet duidelijk of de kanonnen ook afkomstig waren van het vlaggenschip, of misschien van een van de andere schepen.
Een knipsel gedateerd 11 februari 1938 kopt: De bij Palermo gevonden kanonnen zijn niet van het vlaggenschip "De Eendracht". Generaal Hoefer heeft persoonlijk medegedeeld dat de kanonnen van één van de andere schepen van de vloot zijn. Het bericht vermeldt tevens dat de kanonnen al wel staan opgesteld in het Legermuseum, maar dat de officiële overdracht nog moet plaatsvinden.

Het was nog niet zo vanzelfsprekend dat de kanonnen bij het Legermuseum terecht kwamen blijkt uit een naar de krant ingezonden brief. Ondanks het feit dat het verkrijgen van de kanonnen een initiatief van Generaal Hoefer was, meende ook Vlissingen aanspraak te kunnen maken op de kanonnen, op grond van het feit dat eerdere gevonden kanonnen ook in Vlissingen terecht waren gekomen.
"Naar men zich zal herinneren zijn er reeds vroeger een paar kanonnen van De Ruyter's vloot gevonden; die staan nu bij het standbeeld van den zeeheld te Vlissingen."
Er waren meer kapers op de kust. In een ingezonden brief in het Handelsblad van baron Van Asbeck, Commandant van het Koninklijk Instituut voor de Marine te Willemsoord heet het
"Inderdaad staan eénige van die kanonnen bij het standbeeld van De Ruyter te Vlissingen, doch er staan ook eénige bij den Van Speyk's mast, vóór het Koninklijk Instituut voor de Marine te Willemsoord. Mijns inziens behooren ook de thans aangevoerde kanonnen daar thuis en niet in een Legermuseum. Ik hoop dan ook, dat de autoriteiten nog bijtijds de bestemming dezer kanonnen zullen willen wijzigen in de door mij aangegeven richting."
Een reactie hierop in de avondeditie van het Handelsblad:
"Dat de kanonnen van De Ruyter nooit in een legermuseum mogen worden ondergebracht is de oud-kapitein ter zee W. F. van Erp Taaiman Kip te Amsterdam geheel eens met baron Van Asbeck. Inz. zou ze geplaatst willen zien óf bij De Ruyter's standbeeld te Vlissingen, of bij den Van Speyk's mast te Willemsoord, of wel in of bij het Ned. Historisch Scheepvaartmuseum te Amsterdam, de stad waar de Admiraal in de Nieuwe kerk begraven ligt."

En zo werd via de krant een strijd gevoerd over de bestemming van de kanonnen. Of het Legermuseum als bestemming echt in gevaar is geweest weet ik niet, maar Hoefer wint uiteindelijk, en op 3 maart 1938 verschijnt in het Utrechts Nieuwsblad een fotootje van de kanonnen en het anker op de binnenplaats van Doorwerth.
De kanonnen zijn er al op 30 december 1937 gearriveerd volgens een van de aantekeningen van Hoefer zelf. Zijn andere aantekening gaat over de precieze vindplaats van de kanonnen.

Op de halve getypte pagina, die een deel van een brief lijkt te zijn (aan de Minister van Oorlog?) en een verslag bevat van de gebeurtenissen toen de kanonnen eenmaal op Nederlandse bodem waren aangekomen, lezen we:
"Den 17 October j.l. kwamen de in kisten verpakte 3 vuurmonden en 1 anker per stoomschip "Tiberius" aan het adres van het Nederlandsche Legermuseum te Amsterdam aan. De Kon.Ned.Stoomboot Maatij. had ons tevoren hiervan verwittigd en verzocht om toezending van het oorspronkelijke connossement en tevens om eene door ons af te geven schriftelijke verklaring voor de douane dat de aan het Legermuseum geadresseerde zending voor definitieve opslag in dat Museum bestemd was. Hieraan werd door ons voldaan.
Aangezien voor de plechtige ontvangst der kanonnen op het Legermuseum eenige voorbereiding noodig was, hoopten wij den dag der aankomst der zending aldaar te vernemen. Toen dit bericht uitbleef telephoneerden wij den 20 Oct. j.l. naar de Artillerie-Inrichtingen en ontvingen ten antwoord dat de zending aldaar was aangekomen, dat de dag van doorzending naar het Legermuseum nog niet bekend was, maar dat de n.b. aan het Legermuseum geadresseerde kisten waren geopend, teneinde de inhoud te kunnen fotograferen en schoonmaken. Vooral voor het schoonmaken waarschuwen wij ten zeerste. Men bedenke dat het museumstukken zijn.
Den 21e j.l. vernamen wij dat bovengenoemde handelingen zouden zijn geschied omdat de Marine voor de zending interesse zoude hebben. Wij vestigen er nog de aandacht op dat de Italiaansche gezant ons bij schrijven van den 21 Oct. j.l. het afzenden dier zending bericht en daarbij omtrent de zending uitdrukkelijk vermeldt: "donati dal Regio Governo al Museo di Doorwerth".
De Italiaansche gezant, waarmede wij voor de regeling persoonlijk in aanraking kwamen, verklaarde gaarne bij de plechtige ontvangst van de kanonnen op het Legermuseum aanwezig te willen zijn.
Uwe Excellentie zal wel begrijpen, dat wij met de grootste verbazing kennis namen van het ophouden en openmaken der voor het Nederlandsch Legermuseum bestemde en aan hetzelve geadresseerde zending."




Om het verhaal compleet te maken zit er tussen de krantenknipsels een bericht van 19 oktober 1937 over de Italiaanse gezant bij het Nederlandse hof, die een rol heeft gespeeld bij de overdracht van de kanonnen aan Nederland. Deze heer F.M.Talliani zal dan binnenkort in het huwelijktreden met aartshertogin Margaretha van Habsburg, dochter van wijlen aartshertog Leopold Salvator en Blanche van Castilië, prinses van Bourbon.


"Aartshertogin Margaretha is 8 Mei 1894 te Lemberg in Galicië geboren en woont thans te Weenen met haar moeder. Zij is een nicht van Otto van Habsburg, den Oostenrijkschen kroonpretendent. De aartshertogin kent ons land uit eigen aanschouwing en heeft nog in December van het vorige jaar eenigen tijd gelogeerd bij den Oostenrijkschen gezant."

Aan het lichaam van de overleden de Ruyter is ook een krantenknipsel gewijd.
"Het zal niet allen Nederlandschen toeristen, die de kathedraal van Syracuse bezichtigen, bekend zijn dat deze een rol heeft gespeeld in verband met het overlijden van De Ruyter. Het stadsbestuur deed na zijn dood stappen bij de kerkelijke autoriteiten om de deelen van het lichaam die niet medegebalsemd werden, in de kathedraal te doen bijzetten. Dit stuitte evenwel op verzet, daar het begraven van Protestanten in naar Roomsch-Katholieken ritus gewijde aarde niet geoorloofd was. Na eenig gehaspel en misver¬stand tusschen het stadsbestuur en het vloot-commando werd tenslotte het gedeelte van het stoffelijk overschot, dat niet naar het vaderland zou worden vervoerd, ter aarde be¬steld „ter plaatse daar men den kapitein Noirot had begraven: die was op een kleene heuvel, omtrent honderdt schreeden van de stadt, in de baay gelegen, én rondom van de zee omringht". De vraag rijst of deze historische plek bekend is. Aan den westkant van het schiereiland Ortygia (toenmaals de geheele stad Syracuse omvattend) vindt men verscheidene kleine eilandjes, ongeveer op den aangegeven afstand van de kust. Zoo een daarvan, nevens het graf van den gesneuvelden scheepsbevelhebber Noirot, het hart van onzen grooten zeeheld bevat, kan dit dunkt mij Nederlandschen bezoekers van Syracuse niet onverschillig zijn."


Het citaat waar dit knipsel gebruik van maakt komt uit Geeraardt Brandt, Leven en bedryf van den heere Michiel de Ruiter (1687). De herdruk uit 1988 is in de bibliotheek van het Legermuseum aanwezig, maar ook gedigitaliseerd en online beschikbaar bij de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren :
http://www.dbnl.org/tekst/bran002leve01_01/

Met de kanonnen van Doorwerth is het slecht afgelopen zoals velen wel zullen weten. In de Tweede Wereldoorlog vonden de Duitsers het brons een interessante oorlogsbuit en ze sleepten alles mee. Een deel van alle aanwezige kanonslopen is na de oorlog teruggevonden in Groningen, enkele grote vuurmonden waren opgeblazen, misschien om het vervoer en het omsmelten te vergemakkelijken. Brokstukken brons zijn later geschonken voor de vervaardiging van het borstbeeld (of de kopie daarvan) van Generaal Snijders, ontworpen door de beeldhouwster Isabella van Beeck-Calkoen, en voor de vervaardiging van bronzen herdenkingspenningen.
Ook hier is weer een verhaal van te maken want in het archief bevinden zich interessante stukken hierover.

Het archiefmateriaal over de kanonnen van Messina is geregistreerd onder referentienummer 1372

Aris de Bruijn
The Legermuseum Archives

dinsdag 23 november 2010

Frans dorpje geëvacueerd vanwege munitievondst


Er gaat bijna geen maand voorbij of er is weer iets in het nieuws over de Eerste Wereldoorlog. Als je naar Frankrijk gaat en je bekijkt een plaatselijke krant dan vind je altijd wel een artikeltje dat op een of andere manier met de oorlog te maken heeft. Nu is er weer opschudding in het plaatsje Coucy-lès-Eppes, in de buurt van Laon in het achterland van de Chemin des Dames. In het dorp is tijdens grondwerkzaamheden voor nieuwbouw van een huis, een voormalige Duitse munitiedump gevonden. Naar schatting 30 ton explosieven verdeeld over zo'n 1600 granaten van 10,15 en 21 cm. De granaten staan allemaal rechtop met de punt omhoog in een zone van 16 bij 1,5 meter op een diepte van 80 centimeter.

Het dorp is in rep en roer want overdag, als de mijnopruimers bezig zijn, moeten bijna alle bewoners (een kleine 500 van de 650) het dorp uit. Zesentwintig mijnopruimers denken er nog de hele week mee bezig te zijn voor alles is afgevoerd. Aan het einde van elke werkdag rijden er drie vrachtauto's onder escorte met hun explosieve lading weg uit het dorp, één naar Sissone, het militaire kamp, en de andere twee naar Suippes voor een onmiddelijke vernietiging.


Intussen zijn de plaatselijke historici ook al in hun archieven gedoken om de munitieopslag te verklaren. Waarom een depot op deze plaats? Natuurlijk wordt er meteen weer gezegd dat het een strategische plek is. "Het dorp was door het Duitse zevende leger uitgekozen vanwege de strategische ligging". Dat zal best, zo was elke dorp strategisch. Overtuigender is de aanwezigheid van een spoorverbinding. Coucy-lès-Eppes was een overslagpunt van normaalspoor naar smalspoor. De smalspoorverbinding werd in 1917 aangelegd van Coucy-lès-Eppes naar het zuiden via Festieux, voor de bevoorrading van het front van de Chemin des Dames met munitie. Zo simpel kan het ook zijn.



Hier nog een filmpje waarin de inwoners van het dorp hun reactie geven:
http://lorraine-champagne-ardenne.france3.fr/info/champagne-ardenne/le-village-de-coucy-les-eppes-evacue-aisne-65783808.html?onglet=videos&id-video=000184741_CAPP_LevillagedeCoucylsEppesbienttvacu_101120101817_F3

Aris de Bruijn
The Legermuseum Archives

zondag 21 november 2010

De Generaal met het houten been


Ik had niet gedacht nog een keer terug te moeten komen op het armen en benen onderwerp, maar Mathieu maakte mij er op attent dat het museum toch wel degelijk een object in de collectie heeft dat binnen dit kader past. Het is een houten been, waarvan het niet meteen duidelijk was aan wie het had toebehoord. Een kleine navraag wees uit dat het gaat om het houten been van Generaal Menno David Graaf van Limburg-Stirum, oud Minister van Oorlog (1807-1891)
Het is weer een mooi voorbeeld van de relaties die tussen verschillende objecten in de collectie bestaan. In de bibliotheek vinden we een boekje dat als eerbetoon aan de generaal verscheen in 1892:
Een zeldzaam Nederlander. Levensbeschrijving van zijne excellentie Menno David Graaf van Limburg Stirum. door Doctor J.A.van der Stok.
Daaraan ontleen ik de volgende feiten en anekdotes:


Menno wordt geboren op het buitenverblijf Rockfield nabij Wexford in Ierland op 30 november 1807 als vijfde van tien kinderen. Zijn voornaam is een rechtstreekse verwijzing naar Menno van Coehoorn, de beroemde vestingbouwer, waarmee in de verte een familieverwantschap bestaat.
Zijn vader, Frederic Willem graaf van Limburg Stirum, was Luitenant-Generaal, die in 1813 zijn diensten aanbood aan de Prins van Oranje, en met hem vanuit Engeland naar Holland vertrok. Menno was toen zes jaar en bleef met de rest van de familie voorlopig in Ierland achter, totdat in 1821 ook moeder en de kinderen richting Den Haag gingen.
De 13-jarige Menno begint zijn militaire carrière als cadet-page op de artillerie- en genieschool in Delft. Nog geen 4 jaar later wordt hij benoemd tot 2e luitenant van het korps ingenieurs, mineurs en sappeurs, en komt terecht bij het garnizoen in Grave. Via stationneringen in Breda, Oostende en Ieper belandt hij uiteindelijk begin 1832 in Antwerpen. Hij is dan intussen 1e Luitenant.

Tijdens de Belgische opstand waarbij België zich uiteindelijk afscheidt van de noordelijke Nederlanden, is in Antwerpen in oktober 1830 een oproer uitgebroken. Het garnizoen van de stad, onder bevel van generaal Chassé, trekt zich terug op de Citadel. Twee jaar houdt deze situatie stand, onder betrekkelijke rust en inactiviteit. Van Stirum maakt er in zijn nagelaten brieven meermalen melding van dat hij zich opwindt over het werkeloos toezien. Het gebrek aan handelen is voor Van Stirum onbegrijpelijk.
"Het bloed kookte hem; wild brieschten zijne gedachten op; reikhalzend stak hij beide handen uit tot het verrichten van "daden", maar de fiere leeuw werd als in eene kooi opgesloten en tot werkeloosheid gedoemd". De Citadel werd versterkt en een verbinding met Holland in stand gehouden zodat met niet genoodzaakt hoefde te zijn om "zoolen en schoenen te eten".Eind 1832 komt in de situatie verandering als Belgischgezinde Franse troepen overgaan tot beschieting van de Citadel. Het is tijdens deze beschieting dat Van Stirum zijn rechter onderbeen kwijtraakt. In zijn eigen woorden beschrijft hij het gebeuren in een brief aan zijn vader:

"Mijn dierbare vader
Ik schrijf in de haast een paar woorden om u te zeggen, dat ik in eene goede gezondheid verkeer en op een goede weg ben om spoedig genezen te zijn van eene zeer ernstige wond, welke ik kreeg in den avond van den 6-den door het vallen van een van 's vijands bomscherven.
Daar u vroeger of later de waarheid toch moet weten, zal ik u zeggen, dat op dien avond ons vivre magazijn in brand stond - en dat ik enkele werkers bij mij had, met wie ik trachtte den brand te blusschen - na enkele ogenblikken dit te hebben beproefd, ging ik iets terug van het gebouw en bijna onmiddellijk daarna voelde ik eene terugstootende en plotselinge schok in het lagere gedeelte van mijn rechter been.
Ik viel op de linkerzijde en daar het andere been in drie stukken was, waarvan de voet eene vormelooze massa geleek, droeg ik mijnen werkers op, mij naar het hospitaal te dragen. Dit geschiedde en de doctors, na de beenbreuk onderzocht te hebben, zeiden dat dit een geval van afzetten (amputatie) was - en vroegen of ik daartoe kon besluiten. Ik lag te bed en antwoordde met een lach, dat ik het best vond en verzocht hun om maar direct te beginnen - de 2 chirurgijn-majoors in het hospitaal voerden de operatie in 5 minuuten uit met de meest mogelijke kundigheid.
Ik heb zelfs niet even maar ene kik gegeven.
Ik ben nu in een veilig, klein kamertje en zeer goed, maar ...
Wat is toch de bedoeling met te blijven in dit onbegrijpelijke slachthuis? Sinds 8 dagen hebben de Franschen zoo'n overweldigende hoeveelheid bommen en andere projectielen in het fort geworpen, dat het als bezaaid is met ijzer. Ik heb geen tijd om meer te vertellen en het schrijven vermoeit mij. Breng allen thuis, alles liefde over en geloof mij als altijd Uw toegenegen zoon Menno"


Bij de operatie assisteert de hospitaalbediende B.Hesselink met wie Van Stirum nog jarenlang een briefwisseling onderhoudt. Bij de herdenking van het bombardement op Antwerpen, 50 jaar later, blikt Hesselink terug: "Ik zeg het nog vaak, de Graaf mag een held genoemd worden want toen zijn been werd afgezet, heeft hij niet eens gezegd: "dat doet mij zeer", maar wel "is het haast gedaan, het verveelt me". Den anderen dag zei de Graaf: "Hesselink, zou je mijn been nog kunnen wedervinden?" - "Wat zou de Luitenant er mee willen doen?" - "Ik wou er eene pijp van gehad hebben".Tegen zijn oppasser, die kort na het ongeluk stond te wenen van verdriet, schijnt Van Stirum gezegd te hebben: "Ben je gek vent, je moest pret hebben en lachen, want weet je wel dat je voortaan nog maar eene laars te poetsen hebt".

De bezetting van de Citadel van Antwerpen houdt 23 dagen stand en moet zich dan overgeven. Van Stirum verblijft voor verpleging tot begin 1833 in Antwerpen en wordt nog tijdens deze periode benoemd tot Ridder der Militaire Willemsorde 4e Klasse. Hij bezat toen al het Metalen Kruis voor Moed, Beleid en Trouw en er zouden nog meer onderscheidingen volgen. De 30e november 1832 (de dag van Van Stirum's verjaardag) is de geschiedenis ingegaan als de dag van het eerste schot op de vesting.


In april 1833 vertrekt Van Stirum naar zijn familie in Den Haag, maar hij is er de man niet naar om de dienst te verlaten en thuis te gaan zitten. Zoals hij zelf zei:
Hij hoefde niet uit het raampje te kijken als een ouwe sok, en hij kon nog zwemmen. Vaak zei hij "wil je wel geloven dat ik meestentijds vergat dat ik een stelt had?"
In 1834 is hij weer als 1e Luitenant Ingenieur in Grave werkzaam, nu met een houten been.
Zijn carrière zet zich voort. In 1842 wordt hij benoemd tot Kapitein Ingenieur en in dat zelfde jaar wordt hij Ridder van de Nederlandse Leeuw en benoemd tot Secretaris der speciale commissie van inspectie over het militair onderwijs aan de Koninklijke Militaire Academie. Het jaar daarna ziet hij zich geplaatst aan het Departement van Oorlog op het bureau materieel der genie. Intussen is hij door koning Willem III benoemd tot Zijne Majesteits Adjudant in buitengewonen dienst.
In 1857 bij de herdenking van 25 jaar verdediging van de Citadel van Antwerpen, volgt zijn benoeming tot Zijne Majesteits Kamerheer in buitengewonen dienst.
Hij doorloopt de rangen van Majoor en Luitenant-Kolonel en doet na een dienstreis naar België en Engeland in een rapport een voorstel voor het oprichten van militaire slachterijen naar Belgisch voorbeeld. ".. die verbetering is een zegen voor onze soldaten en niet het minst de zieken onder hen, die in het hospitaal verpleegd, tegenwoordig het genot hebben de fijnste stukken vleesch te mogen ontvangen."
We zijn aangeland in 1864 waarin hij bevorderd wordt tot Kolonel en enkele jaren later verplaatst hij zich naar Utrecht als commandant van de 1e Geniestelling. Met de toenmalige Minister van Oorlog ontstaat een verschil van inzicht over fortenbouw. Hij weigert overplaatsing naar Den Bosch en verzoekt om op non-actief te worden gesteld. Hij is dan intussen Generaal-Majoor. Hij maakt in deze periode kennis met de Belgische fortenbouwer Brialmont waaruit een blijvende vriendschap voortkomt.

Van een van zijn vele reizen als privépersoon naar het buitenland, in dit geval naar Rhodos, laat hij een notitie achter voor het repareren van zijn houten been:
"Voor reparatie aan mijn been en hetzelve zwart verven... 3 francs (Ze kennen er geen bliksem van)"

Door de mobilisatie tijdens de Frans-Duitse oorlog in 1870, komt hij weer onder de wapenen en wordt hij commandant van de Hollandse Waterlinie bij Utrecht.
Januari 1871 gaat hij opnieuw op non-actief. In dat jaar is de overdracht van overblijfselen van Nederlandse militairen die gesneuveld waren in de Citadel van Antwerpen, in 1830-1832, naar de begraafplaats Ginneken, waar ook het graf is van Chassé, de bevelhebber van de citadel ten tijde van de belegering. Het zal nog enkele jaren duren voordat hier ook een monument wordt opgericht.
Een jaar later, in 1872, wordt hem de portefeuille aangeboden van Minister van Oorlog. In die rol doet hij een wetsvoorstel voor de afschaffing van de plaatsvervangende dienstplicht. Hij was er van overtuigd dat iedere vaderlander, van welke rang of stand dan ook, zijn vrijheid en onafhankelijkheid zelf moest verdedigen. Het wetsvoorstel wordt echter verworpen en Van Stirum ziet zich genoodzaakt ontslag aan te vragen. Het is voor hem buigen of barsten. Enkele maanden later, in december 1873, gaat hij met pensioen.
In 1874 is dan de onthulling van het monument op de begraafplaats in Ginneken, ter nagedachtenis van de belegering van de citadel, op de dag van het eerste kanonschot, 30 november. Van Stirum houdt op deze dag een redevoering.


De rest van zijn leven staat vooral in het teken van zijn streven tot afschaffing van de plaatsvervanging. Hij voert hierover ook correspondentie met zijn vriend Brialmont, en het komt tot oprichting van een Bond tegen de plaatsvervanging. (Plaatsvervanging of remplacement - de dienstplicht is niet persoonlijk maar kan overgedragen worden op iemand die tegen betaling de plaats inneemt van degene die opgeroepen is.)
"Als iedereen zijne plaats in het leger op tijd inneemt, zal dit niet meer worden beschouwd als eene wijkplaats voor den luiaard en den dagdief, die recht van lijf en leven is; als een ramp voor den jongeling, die, niet bij machte zich vrij te koopen, daarbij wordt ingelijfd. Alsdan zullen alle gegoeden hunne zoons moeten zenden naar die groote school van orde en van tucht."
De Rijnbode schrijft in 1875 naar aanleiding van de oprichting van de Antidienstvervangingsbond:
"Zij, die Scheveningen in den vroege morgen wel eens bezoeken zullen ook wel eens dien forschen grijsaard met dat houten been hebben opgemerkt, wiens voorkomen onmiskenbaar den krijgsman aanduidt. Met eene kracht, die de jeugd hem benijdt, doorklieft hij zwemmende dan de golven, en de acht en zestig jarige Generaal en oud-Minister van Oorlog wint het nog van de kloekste zwemmers in moed en behendigheid. Thans heeft die kloeke grijsaard eene beweging in het leven geroepen tot afschaffing der plaatsvervanging."

Aan zijn liefhebberij, het zwemmen in zee, komt in 1881 toen hij al 74 jaar was abrupt een einde. Niet na waarschuwingen en verzoeken van anderen, want daarnaar luisterde hij niet, maar na inschakeling van de politie.
"Men moet weten dat Van Stirum in de vroegste morgenuren geheel ontkleed (zonder zwembroek), op den rug van een ouden Scheveninger, natuurlijk een vriend van hem, zich zo ver als 't kon in zee liet dragen en dan van dien rug afgleed. Op zekeren morgen stond aan het strand een politiebeambte hem op te wachten (afgesproken werk), en deze bekeurde hem wegens het baden zonder zwembroek. Van Stirum vroeg zeer kalm, hoeveel die boete bedroeg en toen hem dit werd medegedeeld, tastte hij in den zak, betaalde het verlangde en zei heel leuk: - Ik wist niet, dat ik op mijn ouden dag en dan naakt nog zooveel waard was, en ... den volgenden dag zwom hij weer.
De list was dus mislukt. Toen werd Dr. Mess (de baddoctor) in het complot gehaald, en deze liet rode ballons in zee leggen, buiten wier omtrek het verboden werd te baden en sinds dien tijd was voor Van Stirum de aardigheid er af; en van af dat oogenblik heeft de zee hem niet meer omspoeld, en de Scheveningers, die vaak van hem getuigden: "de schoonste zeemeermin kan 't bij hem niet haelen", hebben zich niet meer kunnen verlustigen in de forsche en kloeke slagen, waarmede hun strand- en zeevriend zee bouwde."

In 1882 wordt Van Stirum door de koning benoemd tot Luitenant-Generaal. Zes dagen later vindt in Amsterdam de viering plaats ter herinnering van de dag waarop 50 jaar eerder het eerste schot viel op de citadel van Antwerpen. Van Stirum is de held van de dag en wordt door het publiek bestrooid met bloemen.
Een van de laatste schilderingen in het boekje dat ter ere van Van Stirum is verschenen, gaat over een wandeling die hij maakt samen met zijn vriend Brialmont, langs de Vijverberg in Den Haag. Tijdens de wandeling vindt een emotionele ontmoeting plaats met een oud vrouwtje. Zij geeft te kennen de marketentster te zijn uit de Citadel van Antwerpen en kent Van Stirum nog uit zijn tijd als Luitenant in de vesting.
Op het laatst van zijn leven kon Van Stirum niet meer lopen en werd hij rondgereden in een wagentje, geduwd door een jager van het regiment die hem als bijzondere gunst was toegestaan. Tot het einde toe bleef hij zijn generaalspet dragen, boven zijn burgerkleding. Op 22 juli 1891 overleed deze "zeldzame Nederlander" aan de gevolgen van een beroerte.



Zelf beschreef hij de dramatische gebeurtenis die leidde tot verlies van zijn been als volgt:
Gewond op 6 december 1832 door eene uit de lucht gevallen bomscherf bij het brandende magazijn van levensmiddelen. Op de binnenplaats der Citadel werd mijn rechtervoet, zoo te zeggen terstond, - in het zogenaamd - bomvrij hospitaal te midden van pestlucht en gekerm, afgezet.

Referenties:
Het houten been is objectnummer 067491 in de collectie van het Legermuseum.
Van het boekje "Een zeldzaam Nederlander, enz." zijn drie exemplaren aanwezig. Beschikbaar voor raadpleging is exemplaarnummer 00233758
In de eigen collectie onder objectnummer 00100867 nog een portrettekening Menno David van Limburg Stirum vervaardigd door Gaspard Louis Francois van Kinschot. Verder in de bibliotheek natuurlijk talrijke werken over de gebeurtenissen rondom de citadel van Antwerpen, generaal Chassé, de verhalen over Van Speijk, enz, enz.

Het Nationaal Archief bezit een uitgebreid familiearchief van de familie Van Limburg-Stirum met een gedeelte over Menno David
http://www.nationaalarchief.nl/toegangen/pdf/NL-HaNA_2.21.107.ead.pdf

Informatie over de begraafplaats Ginneken met het Citadelmonument is hier te vinden:
http://www.ginneken-dorp.nl/index.php?main=viewdoc&no=47&hfdstk=3
en het Stadsarchief Breda heeft in de webtentoonstelling oorlog en vrede een flink aantal foto's van hetzelfde monument
http://www.stadsarchief.breda.nl/index.php?option=com_memorix&Itemid=64&task=result&cp=1375&rpp=24



Aris de Bruijn
The Legermuseum Archives

zondag 7 november 2010

Losgeraakte ledematen


De laatste tijd ben ik herhaaldelijk gestuit op losse armen en benen. Niet in het archief gelukkig. Zelfs niet in de onlangs opengebroken kast die jarenlang dicht had gezeten. Voor zover ik weet beschikt het museum niet over menselijke resten.
Toch komen we regelmatig armen en benen tegen in de militaire geschiedenis. Soldaten op het slagveld hebben een veel grotere kans (hoeveel groter?) om een arm of been te verliezen dan, laten we zeggen, een verzekeringsagent of een groentenman (hoewel wij in Schoonhoven vroeger een groentenman met één arm hadden). Zeker in de tijd waarin een kanonskogel iemand niet meteen verpulverde, maar alleen verwondde. Het werd een beetje op de koop toe genomen. Het hoorde er bij en er werd rekening mee gehouden dat iemand een lichaamsdeel kwijt kon raken. In een Duits voorschrift over de taken van een vaandeldrager in de 30-jarige oorlog kwam ik tegen, dat indien de vaandeldrager tijdens het gevecht zijn beide armen verloor, hij zich dan in het vaandel moest rollen om het op die manier te verdedigen. Als extra mogelijkheid was het hem ook toegestaan om het vaandel tussen de tanden te klemmen.
Soms was een soldaat zelfs blij om een arm kwijt te raken. Het betekende een enkele reis naar huis, en wel levend. Om dit te illustreren het nu volgende citaat uit "Grijze zielen" van Philippe Claudel, over een soldaat tijdens de Eerste Wereldoorlog. (Een boektip van Frederiek)

"Ik bleef urenlang in een zaal zitten, naast een soldaat die zijn linkerarm was kwijtgeraakt. Ik weet nog dat hij zei dat hij zo blij was dat hij een arm had verloren, en dan nog wel zijn linkerarm, echt een mazzeltje voor hem als rechtshandige. Over zes dagen zou hij weer thuis zijn - voorgoed. Ver van dit oorlogsbedrog, zoals hij het uitdrukte. Een arm kwijt, heel wat jaren erbij. Levensjaren. Dat bleef hij maar zeggen terwijl hij zijn verdwenen arm liet zien. Hij had zijn verdwenen arm zelfs een naam gegeven: Augustijn. En hij praatte onophoudelijk met Augustijn, nam hem tot getuige, sprak hem toe, plaagde hem. Geluk zit in de kleine dingen. Soms hangt het aan een zijden draadje, soms hangt het aan een arm. Oorlog is de wereld op zijn kop: die kan van iemand die een lichaamsdeel verloren is de gelukkigste mens op aarde maken."


Bekende voorbeelden van hoge officieren die iets moesten missen.

Het been van Lord Uxbridge werd verbrijzeld door een kanonschot tijdens de slag bij Waterloo. Het geamputeerde been is een macaber eigen leven gaan leiden als toeristische attractie in Waterloo. Er zijn heel veel anekdotes ontstaan over dit been en de zaag waarmee het werd afgezaagd wordt bewaard in het National Army Museum. Het been werd eerst begraven in een tuintje en kreeg later een eigen grafsteen. Het trok een enorme hoeveelheid toeristen aan, onder wie onze eigen Prins van Oranje, en bracht geld in het laatje voor de eigenaar. Om aan de vraag te voldoen werden de botten zelfs weer opgegraven en in een vitrine tentoongesteld. Het verhaal rondom dit been gaat nog veel verder maar dat zou een artikel op zichzelf kunnen vormen. Bovendien was er nog een prothese die Lord Uxbridge zich had laten aanmeten, en die ligt nu in het Wellingtonmuseum in Waterloo.(zie foto)


Dan hebben we Generaal Gouraud die in 1915 zijn arm verloor op Gallipoli. Ik heb op de plaats gestaan waar het gebeurd moet zijn, naast fort Sedduhl Bahir, maar er is niets te zien dat aan het feit herinnert. Gouraud is alleen maar beroemder geworden als aanvoerder van de Franse koloniale troepen, en het heeft als voordeel gehad dat hij vrij gemakkelijk te herkennen is op foto's. Hoewel hij toch al vrij herkenbaar is door zijn markante puntbaardje. Hij draagt soms wel iets van een prothese maar die hangt er altijd slap bij en hij geeft een hand met zijn linkerhand. Hij salueert ook met links. Zie ook de filmpjes op de site van British Pathé. Het eerste filmpje bestaat uit korte stukjes uit verschillende jaren die achter elkaar zijn geplakt. In de eerste scenes heeft hij zijn arm nog (voor 1914), in de laatste scenes niet meer (1917 en 1918). Het tweede filmpje laat zijn afscheid zien uit het Franse leger.
http://www.britishpathe.com/record.php?id=80605
http://www.britishpathe.com/record.php?id=13945

Lord Raglan was zijn arm al kwijtgeraakt bij Waterloo voordat hij naar de Krim vertrok als commandant van de Britse troepen. Het schijnt dat we aan hem het begrip raglan-mouw te danken hebben. Zie het artikel in Armamentaria 34, Camouflage op de catwalk, de invloed van het uniform op de burgermode in vogelvlucht, van Mariska Pool.
http://www.collectie.legermuseum.nl/sites/strategion/contents/i004528/arma34%20camouflage%20op%20de%20catwalk.pdf


Een andere vreemde eend is een monument voor een gewonde voet. Het is het Boot Monument, een gedenkteken uit de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog (1775-1783) en het herdenkt Major General Benedict Arnold voor zijn daden in de Battle of Saratoga.

Benedict Arnold raakte drie keer kort achter elkaar gewond en de laatste verwonding aan zijn voet maakte een einde aan zijn militaire carrière. Bijzonder aan het monument is dat de naam van de eigenaar van de voet er niet op vermeld staat terwijl toch iedereen weet om wie het gaat. Een deel van de tekst luidt: "In memory of the most brilliant soldier of the Continental Army who was desperately wounded on this spot". De naam van Benedict Arnold staat er niet bij omdat hij enkele jaren later in de oorlog overliep naar de tegenpartij, de Britten. Hoewel over"lopen" in dit geval misschien een slecht gekozen woord is.



Daniel Sickles was een generaal in de Amerikaanse Burgeroorlog. In de Battle of Gettysburg manoeuvreerde hij zijn legerkorps ongeoorloofd in een onmogelijke positie waar het vrijwel weggevaagd werd. In het gevecht werd zijn been verbrijzeld door een kanonskogel en het moest in een veldhospitaal worden geamputeerd. Kort voor de gebeurtenis was een richtlijn uitgevaardigd door de Army Surgeon General voor het verzamelen van voorbeelden van morbide anatomie en van projectielen en verwijderde ledematen, met het oog op het nieuw opgerichte Army Medical Museum in Washington.


Sickles doneerde zijn been aan het museum in een klein kistje in de vorm van een grafkist en met een visitekaartje er bij. Het huidige National Museum of Health and Medicine heeft het been nog steeds in de expositie, samen met een kanonskogel die vergelijkbaar is met de kogel die hem trof. Sickles zelf ontsnapte door dit voorval aan de krijgsraad omdat men vond dat hij al genoeg gestraft was met het moeten missen van een been. Weer een voorbeeld van een positieve bijwerking.

Ongetwijfeld het meest heroïsch is de geschiedenis van de houten hand van Capitaine Danjou. (foto bovenaan dit artikel)
Het speelt zich af tijdens een vrij onbetekenende episode in de militaire expeditie van Napoleon III in Mexico, het gevecht om Camerone, een Mexicaanse haciënda, op 30 april 1863. Er stonden 62 Legionnairs van het vreemdelingenlegioen met 3 officieren tegenover 2000 republikeinen. Kapitein Danjou, die toen al beschikte over een houten handprothese, had zijn Legionnairs laten zweren stand te houden tot de laatste kogel. Na een urenlang durend gevecht stonden nog zes man overeind die de strijd voortzetten met de bajonet. De laatste drie man gaven zich over onder de voorwaarde dat ze hun wapens konden behouden en hun kameraden mochten begraven. De Mexicanen verloren 500 man. Kapitein Danjou was ook onder de gesneuvelden. Zijn houten hand werd door een plaatselijke boer op het slagveld gevonden en aan het vreemdelingenlegioen terugverkocht.
Camerone is nu voor het vreemdelingenlegioen het symbool voor standhouden tot de laatste patroon, tot de laatste man, voor de vervulling van de plicht waarvoor de Legionnair zijn woord gegeven heeft. Daarom wordt elk jaar op 30 april de dag van Camerone herdacht bij het monument in het hoofdkwartier in het Zuidfranse Aubange. De houten handprothese, het belangrijkste relikwie voor het Legioen, wordt dan tijdens een ceremonie door een uitverkoren Legionnair over de paradeplaats naar het Monument aux Morts gedragen. Snik.


En passant kwam ik op internet een online boek over het vreemdelingenlegioen tegen getiteld "Inside the foreign legion. The sensational story of the world's toughest army" van John Parker.


Gratis te downloaden op:
https://www.semperfidelis.ro/request.php?108


Aris de Bruijn
The Legermuseum Archives