Posts tonen met het label "Eerste Wereldoorlog". Alle posts tonen
Posts tonen met het label "Eerste Wereldoorlog". Alle posts tonen

donderdag 30 mei 2013

Kaiser-Kümmel in de loopgraven


In boeken met persoonlijke oorlogsbelevingen van soldaten ben ik altijd extra geïnteresseerd als ze iets schrijven over de producten die ze gebruiken, eten of drinken. Het is verbazend hoeveel van deze merken nu
nog steeds bestaan en nog steeds gekocht en gebruikt worden. Zo had de Duitse soldaat het al over Aspirin en Leukoplast. Heel veel biermerken natuurlijk, die er nu ook nog zijn. Op een Franse ansichtkaart kwam ik eens het berichtje naar huis tegen:  "Ik moet hier 's nachts  op wacht staan in de luisterpost, het is heel koud en ik heb keelpijn. Stuur mij een doosje Valda pastilles". En wat denk je, die groene driehoekige keelpastilles bestaan nog steeds. Ze worden al meer dan honderd jaar volgens het zelfde recept gemaakt.


Mijn laatste vondst kwam ik tegen in "Im Blickfeld des Scherenfernrohrs" van Hans Schmidt-Stölting. Hij was luitenant bij een veldartillerieregiment. Tijdens een aflossing voor Verdun raakt hij met een stuk geschut vast in de modder bij Bezonvaux. Het stuk is met geen mogelijkheid uit de modder te krijgen en ze moeten uren wachten op extra paarden om er voor te spannen. Hij schrijft dan tijdens deze wachttijd: "Ich hatte noch eine Feldflasche voll Gilka, die ich herumgab. Sie wurde leer." 
Dan is mijn interesse gewekt. Wat was Gilka, en bestaat het nog steeds? 


J.A.Gilka was een Berlijnse onderneming, bekend vanwege zijn Kümmelbrantwein "Kaiser-Kümmel"
Gilka Kaiser Kümmel is een licht gezoete Kümmelbrantwein uit Kümmelolie (olie uit karwijzaad), suiker en spiritus, die 38% alkohol bevat en sinds 1836 werd geproduceerd. Gilka Kümmel heeft een dubbel destillatieproces ondergaan en is daarom van hoge kwaliteit. De Gilka Kaiser-Kümmel werd aan het hof in Wenen gedronken en daar tot k.u.k. hofleverancier benoemd. Misschien dronk de Duitse keizer het ook, maar dat is niet helemaal zeker.
De bezittingen van de familie Gilka, inclusief de productiefaciliteiten, werden in 1954 onteigend vanwege fout in de oorlog, maar de productie werd in 1972 door een familielid weer voortgezet in Hamburg. Daarna is het verkocht aan Underberg. Onder de benaming J.A.Gilka KG wordt nu in Kettwig weer opnieuw Kaiser-Kümmel geproduceerd.

Ik was al eens eerder op Kümmel gestuit in het dagboek van Hanns Schammer. Die heeft het over Rostocker Doppelkümmel. Volgens hem was het bocht. Toen ik bij mijn eigen slijter ging informeren kreeg ik te horen dat het in Nederland niet eens verkocht mag worden. Ik weet niet of het waar is, maar als het echt spiritus is dan wil ik het wel geloven.




maandag 12 december 2011

Wederopbouw in de Grebbelinie


Soms komt informatie uit de meest onverwachte hoeken. Vorige week werd mijn brievenbus opgeschrikt door een exemplaar van het tijdschrift Landleven. Ik vroeg me meteen af waar ik dit aan te danken had en heb geloof ik wel drie keer de adressering gecontroleerd. Maar het was toch echt de bedoeling dat het bij mij terecht kwam.
"Magazine voor buiten wonen en buiten leven", staat er op. Voor mensen met kapitale boerderijen die over hun erf lopen in natuurrubberen laarzen van 179 euro die ze gekocht hebben in winkels waar live Ierse muziek gespeeld wordt. Mensen die hun oprijlaan schoonhouden met een veegmachine. Mensen zich in hun achtertuin vermaken met handige kleine houtkloofmachientjes die verkocht worden door iemand met de voornaam Donaat, en die de kerst doorbrengen op een botter in de Waddenzee. Ik val echt precies in de doelgroep.

Nu wilde ik net de voetbalvereniging een plezier doen met wat extra gewicht in de oud papier bak, toen mijn oog viel op één van de titels van de artikelen: Boerderijen in de Grebbelinie.
Kijk, dat ligt meer in mijn lijn. Was mijn interesse toch nog gewekt.
Het verhaal in het kort: Tijdens de mobilisatie zijn zeker 300 boerderijen in de Grebbelinie met de grond gelijk gemaakt (in brand gestoken), om schootsveld te krijgen voor de verdediging. Na de capitulatie is al snel de wederopbouw ter hand genomen maar op het einde van de oorlog hebben de Duitsers de linie ook nog een keer bezet en zijn er opnieuw boerderijen vernield. Een tweede wederopbouwfase dateert van 1947. Deze wederopbouw boerderijen zijn nog aanwezig in het landschap en herkenbaar aan een aantal duidelijke kenmerken.

Het artikel in Landleven is gebaseerd op een studie van Sophie Elpers van het Meertens Instituut:
Elpers, S.M. (2009) Wendepunkt? Der Wiederaufbau der kriegszerstörten Bauernhöfe in den Niederlanden. In: Landwirtschaftliches Bauen im Nordwesten zwischen 1920 und 1950, (pp. 111-128).

De overheersende bouwstijl tijdens de wederopbouw was die van de Delftse School. Een sobere traditionele baksteenarchitectuur. Het traditionalisme van de Delftse School is vooral een anti-stedelijke stijl van woningbouw, landhuizen en boerderijen. Het was een reactie op het Nieuwe Bouwen en de frivoliteiten van de Amsterdamse School. Kenmerkend voor de stijl is de geslotenheid van de bakstenen gevels, de steil hellende pannen zadeldaken met kleine overstekken, de toepassing van eenvoudige hoofdvormen en het gebruik van natuurlijke materialen. Het zadeldak ligt opgesloten tussen topgevels die eindigen in een tuit. De achtergevels hebben vaak schampmuurtjes op de hoeken en uitstekende schouderstukken onder de dakgoot. Andere vaak terugkerende motieven zijn betonnen stalramen, ronde kantelramen, hooidakkapellen, bijzondere metselverbanden en ontlastingsbogen boven de ramen en deuren. Tenslotte hebben de meeste boerderijen een gevelsteen met een jaartal en een uit de vlammen herrijzende leeuw.

Ik had tot dusverre nooit zo stilgestaan bij de wederopbouw in Nederland, terwijl ik des te meer aandacht heb gehad voor de wederopbouw in Noord Frankrijk na de Eerste Wereldoorlog. Reconstructie van de vernielde dorpjes in Noord Frankrijk is één van mijn favoriete onderwerpen. Ik zal geen gelegenheid voorbij laten gaan om andere mensen te wijzen op de ontwikkelingen in stedebouwkundig plan, de stijl en de toegepaste materialen in de nieuwe dorpjes. Ik heb in november weer een prachtig boekje gekocht over de twee wederopbouwmomenten in Lotharingen, na de Eerste en na de Tweede Wereldoorlog.

"Les Reconstructions des années 1920 et 1950 en Lorraine. Un renouveau architectural et urbain". Een uitgave van La Gazette Lorraine. Ik heb meer dan een half uur in de rij gestaan voor dit boekje, omdat de verkoopster van Leclerc het nodig vond om ondanks de drukte voor iedere klant alle aankopen in kerstpapier te verpakken. Voor een ander boek had ik het geduld waarschijnlijk niet op kunnen brengen, maar dit wilde ik beslist hebben.

Mooi dat we zoiets dus ook in Nederland hebben en dat de kenmerken nog zo duidelijk voorhanden zijn. Ik dacht dat bij ons de relatie tussen landschap en bebouwing al lang verloren was gegaan (behalve misschien op het gebied van kleurgeving). In Nederland gaat toch immers iedere vijf jaar alles op de schop dus van een historische context of cultuurhistorische relatie is meestal niet veel meer terug te vinden. Misverstand.

Bij hetzelfde Meertens Instituut is op de website een databank van wederopbouwboerderijen te raadplegen, niet alleen van de Grebbelinie, maar van heel Nederland. Aan de hand daarvan zou je een eigen route kunnen uitzetten. Bij het rondstruinen door de database kwam ik er achter dat een paar van deze boerderijen bij mij in de buurt staan. Ik probeerde er één op te zoeken met Google streetview, maar ik kwam er niet uit. Toen ben ik er maar even naar toe gefietst om het met eigen ogen te zien. Op het adres vinden we echter geen wederopbouwboerderij meer maar staan twee vrij moderne woonhuizen. De database weerspiegelt dus niet de actuele situatie. Het is de vraag hoeveel boerderijen er nog daadwerkelijk over zijn.

databank wederopbouwboerderijen

Als er in de Grebbelinie nog wel een redelijk aantal bewaard is gebleven dan kan dat een kans bieden voor de ontwikkelingen rondom het komende Militair Historisch Museum in Soesterberg. Het museum kan de militair historische achtergrond belichten van de Grebbelinie, en tegelijk aanhaken op een cultuurhistorische route door het landschap. Ik hoop dat ze die mogelijkheid benutten. Is Soesterberg toch niet die eenzame, cultuurloze zandvlakte die het op het eerste gezicht leek te zijn.


woensdag 12 oktober 2011

Duitse soldaten in de Kilian Stollen geborgen

Alle slachtoffers van 18 maart 1918
Met een kruisje de 21 die niet geborgen werden

In het nieuws deze dagen is de berging van gesneuvelde Duitse militairen uit de Eerste Wereldoorlog in de Sundgau. De Duitsers waren bedolven geraakt toen de ondergrondse ruimte waarin ze zich bevonden, instortte door een Franse mijnenwerperbeschieting. Het feit vond plaats op 18 maart 1918, bij Reserve Regiment 94, toen het regiment al te horen had gekregen dat het in de sector zou worden afgelost. In de regimentsgeschiedenis van Reserve-Regiment 94 is een passage gewijd aan het drama.

Uit de regimentsgeschiedenis van Reserve-Regiment 94:

Anfang April fand der Aufenthalt in der angenehmen Stellung sein Ende, leider nicht, ohne eine sehr schmerzliche Erinnerung zu hinterlassen. Am 18. März führte unsere Artillerie von 6 bis 9 Uhr morgens ein Gelbkreuzschießen gegen eine Batteriegruppe im Lerchenholz durch. Offenbar als Vergeltung hierfür belegte der Franzose unter Mitwirkung von Fliegern unsere vorderen Linien von 12 Uhr mittags bis 6 Uhr nachmittags mit schweren Minen. Es wurden sechs Werfer in den vorderen feindlichen Gräben festgestellt. Die Wirkung unsere Artillerie dagegen war anfangs zu schwach. Erst später gelang es, drei Werfer außer Gefecht zu setzen. Die feindliche Beschießung richtete sich hauptsächlich gegen den Kilianstellung, der am Hange des Lerchenbergs im zweiten Graben von C2 etwa 150 Meter hinter der vordersten Linie lag. Um ein Ausweichen der Besatzung zu verhindern, wurde durch die feindliche Artillerie eine starke Feuerglocke von Granaten und Schrapnells um den Stollen gelegt. Auch streuten MG. den Abschnitt ab.
Von der 6.Komp. hatte sich der größte Teil der Besatzung von C2 in den Stollen geflüchtet, der mit seiner 3½ - 6 Meter starken Erddecke und den 16 Ausgängen für schußsicher galt. Gegen 1.30 Uhr nachmittag erhielt der linke Teil des Stollens, bei dem die Erddecke am schwächsten war, kurz hintereinander drei Treffer, wodurch der Stollen auf 60 Meter Länge eingedrückt wurde und Feldwebelleutnant Hütten, 1 Vizefeldwebel, 7 Unteroffiziere und 25 Mann unter sich begrub. Außerdem wurden 10 Mann durch Verschüttung verwundet, 1 Mann durch Maschinengewehrfeuer getötet. Trotz dieses schweren Verlustes war die Haltung der 6.Komp. vorzüglich. Die Stellung wurden bei Einbruch der Dunkelheit sofort wieder besetzt, so daß der Gegner bei etwaigem Vorstoß auf tatkräftigen Widerstand der Besatzung gestoßen wäre.
Gegen 8 Uhr abends setzte von neuem starkes Störungsfeuer der feindlichen Artillerie gegen C2 ein und hielt bis 10 Uhr abends an. Es wurde sofort versucht, die Verschütteten auszugraben. Dies gelang aber erst nach Hinzuziehung von Pionieren und eines Zuges Infanterie mit Wagenwinden. Leider wurden nur Tote geborgen. Schließlich mußten die Arbeiten wegen technischer Schwierigkeiten eingestellt werden. In der nacht wurde die schwer geprüfte 6.Komp. durch die 2. abgelöst und fand Unterkunft im Baderstollen. Das Gelbkreuzschießen wurde am nächsten Tage wiederholt, der Feind antwortete aber nicht mehr.


Op de plaats van de ingestorte Stollen is door de Duitsers een monument geplaatst waar alle 21 namen op staan van de soldaten waarvan de lichamen niet geborgen konden worden. Op de foto in de regimentsgeschiedenis zijn de namen nog net leesbaar, inclusief de stamboeknummers. Dat zou de identificatie van de nu opgegraven stoffelijke resten moeten vergemakkelijken, want er zijn immers maar 21 mogelijkheden.


Unter diesem Denkmal war der Kilianstollen, in dem am 18.März 1918 Feldwebelleutnant Hütten und 33 Unteroffiziere und Mann der 6.Komp. durch französische Minen verschüttet wurden, die nur zum Teil ausgegraben und beerdigt werden konnten. Den dort verbleibenden 21 Mann setzte man diese Gedenktafel.


Ehrenfriedhof Illfurth bei Mülhausen, auf dem die Gefallenen aus 67 Ortschaften zusammengetragen sind.

Wie meer wil weten over de Kilian-Stollen, over hoe het er uit zag en wat de precieze locatie is, kan terecht op de uitstekende website:
http://j-ehret.com/sundgaufront/aspach_kilianstollen.htm

De regimentsgeschiedenis van R.I.R.94:
Julius Richter, Das Reserve-Infanterie-Regiment 94 im Weltkriege 1914/18, Jena 1934

zondag 4 september 2011

Vreemde voorwerpen in de oogbal


In "Sachsen in großer Zeit" staat in het hoofdstuk over gezondheidszorg tijdens de Eerste Wereldoorlog een stukje getiteld: "Der Sweetapparat".
Het gaat hier om een apparaat dat met behulp van röntgenstralen de positie kan localiseren van lichaamsvreemde voorwerpen die in de oogbal zijn binnengedrongen. Ontwikkeld door de Amerikaan Dr. William Sweet uit Philadelphia, die het apparaat op grond van zijn tienjarige ervaring tot in de uiterste perfectie had doorgeconstrueerd. Het Dresdener Garnison-Lazarett beschikte als enige in Duitsland over een dergelijk apparaat. Curieus om te lezen hoe ze aan deze "vijandelijke" technologie kwamen:


Der einzige Sweetsche Apparat im Bereich der Zentralmächte war in der I. Kgl. Ungarische Universitäts-Augenklink in Budapest im Gebrauch. Durch Vermittelung des Königlich Sächsischen und des k.k. Österreichisch-Ungarischen Kriegsministeriums wurde es Herrn Prof. v. Pflugk und mir ermöglicht, das Verfahren in Budapest zu studieren und den Apparat zeichnerisch und photographisch derartig aufzunehmen, daß er von der Dresdener Röntgenfirma Koch und Sterzel für unser Garnison-Lazarett erbaut werden konnte.

Improved Foreign Body Localizer

Nieuwsgierig geworden naar het apparaat van Dr. Sweet kwam ik op enkele artikelen van zijn hand en het boek "Röntgen rays and electro-therapeutics" waarin de methode wordt uitgelegd. Simpel gezegd komt het er op neer dat een röntgenfoto van het oog wordt gemaakt waarbij twee vaste punten naast het oog worden meegefotografeerd waarvan de locatie exact bekend is. Door driehoeksmeting tussen deze twee vaste punten en het vreemde voorwerp kan nu precies de plaats van het voorwerp berekend worden. Het is eigenlijk het schaduwbeeld van de drie punten dat op de foto zichtbaar is. Soms werden meerdere opnamen vanuit verschillende richtingen gemaakt om tot een nauwkeuriger berekening te komen. Sweet was er voor het eerst in geslaagd om een bruikbaar apparaat te maken dat de gevoelige plaat en de twee aanwijzers die de vaste punten leveren, op zijn plaats te houden naast het hoofd van de patiënt. Het hoofd moest gefixeerd liggen en de patiënt naar een bepaald punt kijken om de oogbal evenwijdig te houden aan de opnameplaat. Met deze opstelling kon de plaats van vreemde voorwerpen tot op de millimeter nauwkeurig worden bepaald. Zie de afbeelding voor een schematische voorstelling van het principe.

Voor wie het echt wil weten hier enkele links:

artikel Sweet: Improved Apparatus for Localizing Foreign Bodies in the Eyeball by the Roentgen Rays
http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC1322617/pdf/taos00139-0332.pdf
boek: Röntgen rays and electro-therapeutics, with chapters on radium and phototherapy, door Mihran Krikor Kassabian (bestand 40 MB)
http://ia600409.us.archive.org/32/items/rontgenrayselect00kassiala/rontgenrayselect00kassiala.pdf

In een ander artikel wordt geschreven over een testmethode waarbij voorwerpen in de ogen van schapen en konijnen werden geduwd om proefmateriaal te hebben. Overigens was de kans nog steeds klein dat het verwijderen van een voorwerp ook tot resultaat had dat het oog behouden bleef. De resultaten werden van tijd tot tijd gepubliceerd in een overzicht. Van een totaal van 982 gevallen werden er 812 veroorzaakt door deeltjes ijzer of staal, 60 door koper, messing of ander niet-magnetisch metaal, 73 door hagel, 32 door glas en 5 door steenkool. Van deze 982 gevallen werden 280 oogballen gered, maar in de meeste gevallen was het zichtvermogen minder dan 50%.



In het boek van Kassabian wordt ook enige aandacht gegeven aan de geschiedenis van het gebruik van röntgenstralen voor militaire medische toepassingen op het slagveld. Röntgenstralen werden voor het eerst succesvol toegepast in 1897 in de Grieks-Turkse oorlog. Naar aanleiding daarvan werden verbeteringen aangebracht voor gebruik van apparaten in het veld. Chirurg-majoor Beevor paste ze toe aan de Indiase grens tijdens een conflict in 1898, gevolgd door Majoor Battersby die de leiding had over röntgenapparatuur tijdens veldtochten in de Soudan. Na de slag bij Omdurman werden 121 gewonde soldaten behandeld waarvan er 21 niet hadden kunnen worden gered zonder de correcte diagnose met röntgenapparatuur.
Ene Clinton Dent, oorlogscorrespondent in Zuid-Afrika, heeft geschreven over de verwondingen veroorzaakt door Mauser kogels die zich in botten boren en ze daarna doen breken. Majoor Matignon heeft uitvoerig geschreven over röntgenapparaten in gebruik bij de vijfde divisie van het Japanse leger in Mantsjoerije, tijdens de Japans-Russische oorlog. De benodigde stroom werd geleverd door een dynamo die aangedreven werd met handkracht. Twee man moesten continu de dynamo draaiend houden om voldoende stroom te produceren.
Het gebruik van röntgenstralen zorgde voor een nieuw tijdperk in militaire chirurgie. Kogels en bomfragmenten konden worden gelocaliseerd, botbreuken worden vastgesteld zonder de patiënt bloot te stellen aan onnodige pijn en infecties.

Een portretfoto van Dr. Sweet vond ik in een artikel "Miracles of surgery shown in a great congress" in de New York Times van 19 november 1911. "Amazing Operations Performed at the Biggest and Most Interesting Gathering of Surgeons Ever Held in this Country" staat er boven.

De firma Koch & Sterzel Spezialfabrik wissenschaftlicher Apparate und Instrumente heeft nog tot in de DDR tijd bestaan. Later onder een andere naam en in 1990 overgenomen door Siemens waarna het bedrijf stukje voor stukje werd ontmanteld. Ze maakten niet alleen röntgenapparatuur maar ook transformatoren, meetinstrumenten en radio's.
De laatste foto is van een apparaat van Koch & Sterzel in een verlaten industriecomplex. Symboliseert wel een beetje de teloorgang van de industrie uit het oosten van Duitsland.


vrijdag 28 januari 2011

De Egestorf-brieven. Soldatenbrieven uit de Eerste Wereldoorlog


In vervolg op mijn vorige poging op de Flickr site wilde ik nu eens kijken wat het oplevert als je er geen foto's op zet maar alleen documenten met geschreven tekst. Ik had het natuurlijk op mijn eigen website kunnen plaatsen maar Flickr bedient een breder publiek. Het gaat om een reeks van 17 brieven en briefkaarten van soldaten uit de Eerste Wereldoorlog die met elkaar gemeen hebben dat ze zijn geadresseerd aan twee adressen in dezelfde straat in Egestorf (aan de Deister), bij Hannover. Vandaar dat ik het genoemd heb de Egestorf-brieven.
Alle post, op één briefkaart na, is gericht aan Friedrich Grüne, Bahnhofstr. 76 in Egestorf aan de Deister, Bezirk Hannover.
Het is een aardige puzzle om te proberen de (familie)relaties tussen de briefschrijvers en geadresseerden te ontrafelen.
Alle brieven en briefkaarten staan op:
http://www.flickr.com/photos/58746838@N08/sets/72157625924685444/with/5396063138/

Brieven en briefkaarten 1 t/m 5 zijn afkomstig van Wilhelm Noltemeyer, Wehrmann bij de 2e Sanitätskompagnie, 20e Divisie, 10e Legerkorps. Ze beslaan de periode 13 augustus 1914 tot 26 december 1914, achtereenvolgens uit Malmedy, op doortocht door België, Neufchatel aan de Aisne.
Wilhelm schrijft in een tijd dat nog gedacht wordt aan een snelle afloop van de oorlog. Eerst moet hij tot zijn spijt constateren dat hij met kerstmis niet thuis zal zijn. Later wordt de toon nog wat harder en schrijft hij: "hopelijk is deze rotzooi gauw voorbij want het begint vervelend te worden en de wijn is ook bijna op."

Een tweede reeks van 4 brieven en briefkaarten komt van Hermann Noltemeyer, een broer van Wilhelm, als Landsturmmann bij de 9e Kompagnie, 3e Bataillon, Reserve-Infanterie-Regiment 79, 19e Reservedivisie, 10e Reserve Legerkorps.
De brieven van Hermann en Wilhelm hebben als aanhef "Liebe Schwager, Schwester und Adele", wat leidt tot de conclusie dat Friedrich Grüne getrouwd is met de zus van de broers Noltemeyer.
De eerste kaart van Hermann is gedateerd 14 oktober 1915 waarin hij aangeeft zojuist verplaatst te zijn naar de Lingekopf in de Vogezen, waar hij op 30 meter van de vijand ligt in een "ganz brenzliche Ecke", en dat hij blij zal zijn als hij het er daar levend van af brengt. Interessant zijn ook zijn opmerkingen over het maximale aantal brieven dat hem toegestaan is te schrijven. Ongetwijfeld een gevolg van de onrustige situatie in zijn frontsector.
Zijn laatste brief is van 25 juni 1916. Het is een dramatische brief want er wordt melding gemaakt van het sneuvelen van Friedrich. Het is niet helemaal duidelijk wie Friedrich is, maar waarschijnlijk een broer van Hermann en Wilhelm. Hermann is zelf aanwezig bij de begrafenis op de oorlogsbegraafplaats Chaumont bij Verdun.
Twee dagen later gedateerd is een brief van Carl Deppe aan Frau Witwe Noltemeyer, de moeder van Hermann, Wilhelm (en Friedrich), die woont op huisnummer 73a, dus enkele huizen verwijderd van Friedrich Grüne. Carl Deppe dient in de Sanitätskompagnie waar Friedrich verzorgd werd en aan zijn verwondingen is bezweken, en is blijkbaar een bekende van de familie. Hij schrijft aan moeder Noltemeyer om deelneming te betuigen, ook namens zijn kameraden, aan het overlijden van "Fritz" zoals hij hier wordt genoemd.

Dan hebben we nog Ernst Gehrke, Schütze bij de Maschinengewehr Kompagnie van Reserve Infanterieregiment 8, 5e Reservedivisie.Hij zit aan het oostfront ergens in een bos onder verschrikkelijke weersomstandigheden waarbij hij ook nog spreekt over de "Panje" wat toch altijd nog wat raadselachtig blijft. Van hem zijn drie brieven uit zomer en herfst 1916. Hij schrijft aan zijn Lieber Freund Friedrich, dus is waarschijnlijk geen familie maar alleen bevriend.
Wel familie lijkt H.Hunte want in een kort bericht van een paar regels aan Friedrich Grun schrijft hij "groet moeder en mijn zuster", maar hoe die relatie dan precies in elkaar zit blijft onduidelijk. Het is ook het enige bericht van deze persoon. Het kan ook gewoon een bekende uit het dorp zijn. Waarschijnlijk kende iedereen elkaar daar, met 67 inwoners. Hunte zit in hetzelfde regiment als Hermann, zelfde bataljon zelfs, maar andere kompagnie.
Tot zover lijkt het wel aandig in elkaar te passen, maar er is nog een briefkaart die weer een bommetje onder de hypothese legt dat de gesneuvelde Friedrich een broer van Wilhelm en Hermann zou zijn. Het is een kaart van Reservist Fr. (ondertekend met Freedrich) Beel uit Sanitäitskompagnie I, 1e Garde Infanterie Division, Gardekorps. Het is dezelfde eenheid als van Carl Deppe, die schreef over het verlies van zijn kameraad. Dus misschien is dit dan de Friedrich waar het over ging. Alleen als het een halfbroer is zou dat zijn andere achternaam kunnen verklaren.
De enige niet-soldatenbrief is een brief van ene Sophie uit Hameln aan Adele Grüne. Adele lijkt de dochter te zijn van de zus van de broers Noltemeyer, die overigens nergens bij naam genoemd wordt, en Friedrich Grüne. Maar wie is Sophie? Misschien de vrouw van een van de broers Noltemeyer.


Bij de transcripties:
Ik heb alle schrijf- en taalfouten laten staan. Vaak hebben zinnen geen beginhoofdletter en geen punt. Alles wordt achter elkaar door geschreven. Meestal heb ik dat zo gelaten behalve waar het voor de duidelijkheid beter uit kwam om wel een scheiding tussen zinnen aan te brengen.
Ik heb enkele namen Noltemeyer, Noltemeijer, Beel en Grün nagezocht bij de Duitse oorlogsgravendienst, maar er kwam geen informatie naar voren die aansloot bij het verhaal uit de brieven. Het lijkt me nog wel interessant om eens in het namenboek van de begraafplaats Ville-devant-Chaumont (tussen Azannes en Flabas ten noorden van Verdun) na te kijken of daar een van de namen terug te vinden is.

Aris de Bruijn
The Legermuseum Archives