zondag 4 september 2011
Vreemde voorwerpen in de oogbal
In "Sachsen in großer Zeit" staat in het hoofdstuk over gezondheidszorg tijdens de Eerste Wereldoorlog een stukje getiteld: "Der Sweetapparat".
Het gaat hier om een apparaat dat met behulp van röntgenstralen de positie kan localiseren van lichaamsvreemde voorwerpen die in de oogbal zijn binnengedrongen. Ontwikkeld door de Amerikaan Dr. William Sweet uit Philadelphia, die het apparaat op grond van zijn tienjarige ervaring tot in de uiterste perfectie had doorgeconstrueerd. Het Dresdener Garnison-Lazarett beschikte als enige in Duitsland over een dergelijk apparaat. Curieus om te lezen hoe ze aan deze "vijandelijke" technologie kwamen:
Der einzige Sweetsche Apparat im Bereich der Zentralmächte war in der I. Kgl. Ungarische Universitäts-Augenklink in Budapest im Gebrauch. Durch Vermittelung des Königlich Sächsischen und des k.k. Österreichisch-Ungarischen Kriegsministeriums wurde es Herrn Prof. v. Pflugk und mir ermöglicht, das Verfahren in Budapest zu studieren und den Apparat zeichnerisch und photographisch derartig aufzunehmen, daß er von der Dresdener Röntgenfirma Koch und Sterzel für unser Garnison-Lazarett erbaut werden konnte.
Improved Foreign Body Localizer
Nieuwsgierig geworden naar het apparaat van Dr. Sweet kwam ik op enkele artikelen van zijn hand en het boek "Röntgen rays and electro-therapeutics" waarin de methode wordt uitgelegd. Simpel gezegd komt het er op neer dat een röntgenfoto van het oog wordt gemaakt waarbij twee vaste punten naast het oog worden meegefotografeerd waarvan de locatie exact bekend is. Door driehoeksmeting tussen deze twee vaste punten en het vreemde voorwerp kan nu precies de plaats van het voorwerp berekend worden. Het is eigenlijk het schaduwbeeld van de drie punten dat op de foto zichtbaar is. Soms werden meerdere opnamen vanuit verschillende richtingen gemaakt om tot een nauwkeuriger berekening te komen. Sweet was er voor het eerst in geslaagd om een bruikbaar apparaat te maken dat de gevoelige plaat en de twee aanwijzers die de vaste punten leveren, op zijn plaats te houden naast het hoofd van de patiënt. Het hoofd moest gefixeerd liggen en de patiënt naar een bepaald punt kijken om de oogbal evenwijdig te houden aan de opnameplaat. Met deze opstelling kon de plaats van vreemde voorwerpen tot op de millimeter nauwkeurig worden bepaald. Zie de afbeelding voor een schematische voorstelling van het principe.
Voor wie het echt wil weten hier enkele links:
artikel Sweet: Improved Apparatus for Localizing Foreign Bodies in the Eyeball by the Roentgen Rays
http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC1322617/pdf/taos00139-0332.pdf
boek: Röntgen rays and electro-therapeutics, with chapters on radium and phototherapy, door Mihran Krikor Kassabian (bestand 40 MB)
http://ia600409.us.archive.org/32/items/rontgenrayselect00kassiala/rontgenrayselect00kassiala.pdf
In een ander artikel wordt geschreven over een testmethode waarbij voorwerpen in de ogen van schapen en konijnen werden geduwd om proefmateriaal te hebben. Overigens was de kans nog steeds klein dat het verwijderen van een voorwerp ook tot resultaat had dat het oog behouden bleef. De resultaten werden van tijd tot tijd gepubliceerd in een overzicht. Van een totaal van 982 gevallen werden er 812 veroorzaakt door deeltjes ijzer of staal, 60 door koper, messing of ander niet-magnetisch metaal, 73 door hagel, 32 door glas en 5 door steenkool. Van deze 982 gevallen werden 280 oogballen gered, maar in de meeste gevallen was het zichtvermogen minder dan 50%.
In het boek van Kassabian wordt ook enige aandacht gegeven aan de geschiedenis van het gebruik van röntgenstralen voor militaire medische toepassingen op het slagveld. Röntgenstralen werden voor het eerst succesvol toegepast in 1897 in de Grieks-Turkse oorlog. Naar aanleiding daarvan werden verbeteringen aangebracht voor gebruik van apparaten in het veld. Chirurg-majoor Beevor paste ze toe aan de Indiase grens tijdens een conflict in 1898, gevolgd door Majoor Battersby die de leiding had over röntgenapparatuur tijdens veldtochten in de Soudan. Na de slag bij Omdurman werden 121 gewonde soldaten behandeld waarvan er 21 niet hadden kunnen worden gered zonder de correcte diagnose met röntgenapparatuur.
Ene Clinton Dent, oorlogscorrespondent in Zuid-Afrika, heeft geschreven over de verwondingen veroorzaakt door Mauser kogels die zich in botten boren en ze daarna doen breken. Majoor Matignon heeft uitvoerig geschreven over röntgenapparaten in gebruik bij de vijfde divisie van het Japanse leger in Mantsjoerije, tijdens de Japans-Russische oorlog. De benodigde stroom werd geleverd door een dynamo die aangedreven werd met handkracht. Twee man moesten continu de dynamo draaiend houden om voldoende stroom te produceren.
Het gebruik van röntgenstralen zorgde voor een nieuw tijdperk in militaire chirurgie. Kogels en bomfragmenten konden worden gelocaliseerd, botbreuken worden vastgesteld zonder de patiënt bloot te stellen aan onnodige pijn en infecties.
Een portretfoto van Dr. Sweet vond ik in een artikel "Miracles of surgery shown in a great congress" in de New York Times van 19 november 1911. "Amazing Operations Performed at the Biggest and Most Interesting Gathering of Surgeons Ever Held in this Country" staat er boven.
De firma Koch & Sterzel Spezialfabrik wissenschaftlicher Apparate und Instrumente heeft nog tot in de DDR tijd bestaan. Later onder een andere naam en in 1990 overgenomen door Siemens waarna het bedrijf stukje voor stukje werd ontmanteld. Ze maakten niet alleen röntgenapparatuur maar ook transformatoren, meetinstrumenten en radio's.
De laatste foto is van een apparaat van Koch & Sterzel in een verlaten industriecomplex. Symboliseert wel een beetje de teloorgang van de industrie uit het oosten van Duitsland.
zondag 10 juli 2011
De zonnebloemen van Anselm Kiefer
De commotie rondom de tentoonstelling Kiefer & Rembrandt is inmiddels overgewaaid. Ik geloof zelfs dat de tentoonstelling al afgelopen is. De invulling die Kiefer heeft gegeven aan de opdracht om een kunstwerk te maken geïnspireerd op de Nachtwacht is grotendeels onbegrepen gebleven. De meest gehoorde opvatting is dat door Kiefer toch vooral naar Van Gogh verwezen is en niet naar Rembrandt. Sommige commentaren zijn uitgesproken negatief geweest, met denigrerende opmerkingen over dorre zonnebloemen en een oud caféstoeltje. Kiefer zou de Nachtwacht letterlijk de rug toegekeerd hebben. Kiefer zelf heeft het vuurtje nog wat opgestookt. In het begin zei hij nog dat hij pas tijdens het maken van het kunstwerk aan Van Gogh had gedacht, later was het van begin af aan de bedoeling geweest. Het Rijksmuseum heeft zich niet geroepen gevoeld om in de verdediging te gaan, maar intussen wel wat krampachtige pogingen gedaan om aan te tonen dat er toch echt wel een verband bestaat tussen La Berceuse en de Nachtwacht.
Ik heb wel het kunstwerk zelf gezien maar moet eerlijk bekennen dat ik niet naar de lezingen, of zelfs de " mini-cursus" over het werk van Kiefer ben geweest. Ik weet dus niet wat daar allemaal gezegd is, maar doe hier zelf een poging om aan te tonen dat naar mijn mening de relatie La Berceuse - Nachtwacht toch echt niet zo ver weg ligt.
Vergeet Van Gogh eventjes. Als ik aan zonnebloemen denk, denk ik aan Kiefer, niet aan Van Gogh. Bij Van Gogh is een zonnebloem een vrolijk bloemetje, maar bij Kiefer is het een symbool met meerdere betekenissen. Alles bij Kiefer heeft twee betekenissen (minstens). Twee tegengestelde betekenissen. Als hij het materiaal lood gebruikt dan kan dat goed en kwaad betekenen. Lood kan giftig zijn, maar lood beschermt ook tegen straling. Kwaad en goed. Vuur kan vernietigend zijn maar uit vuur kan ook iets nieuws ontstaan, als een feniks uit de as. Een schilder kan een schepper zijn, maar heeft ook de macht om iets te vernietigen. Zo kan je het hele oeuvre van Kiefer doorlopen, bedenk bij alles wat hij doet een dubbele betekenis, je kan er van uit gaan dat hij dat ook zo heeft bedoeld.
Terug naar de zonnebloemen. In 2000 was ik in Gent in het SMAK, bij een expositie van recent werk van Anselm Kiefer tot aan 1999. Kiefer had toen al meermalen zonnebloemen gebruikt in zijn werk. In een begeleidend schrijven van de tentoonstelling staat te lezen:
After his move to Barjac in the south of France, not far from Arles where Van Gogh painted his bright yellow sunflowers, Kiefer also discovered the sunflower as a plant motif. In contrast to the flowers painted by the 19th century Dutch artist, which seem to capture the sunlight, Kiefer's flowers are dark and omnious. He has, moreover, incorporated sunflower seeds into such works as Cette clarté obscure qui tombe des étoiles (1996) [Die uit de sterren vallende obscure helderheid]. These seeds, which bear within them all "times" or seasons, those of germination, bloom and decay, seem to symbolise a sort of everlasting beginning, a continuous transformation.
Dus ook toen werd Van Gogh er al bij gehaald. Ik denk dat niemand meer iets met zonnebloemen kan doen zonder verwijzing naar Van Gogh. Maar bij Kiefer betekent een zonnebloem toch echt iets anders.
De uitgebloeide zonnebloemen, die omgekeerd opgehangen zijn, verliezen hun zaden die op de grond vallen. De grond zit vol met droogtescheuren, lijkt dus levenloos, maar bij Kiefer staan de scheuren in de grond niet alleen voor droogte en sterven, maar ook voor trillingen, voor beweging, dus voor leven. Opnieuw één van Kiefers tegenstellingen. De dorre zonnebloem markeert het einde van een levenscyclus, maar de zaden staan voor een nieuw begin. Ze kunnen in de vibrerende aarde ontkiemen en er ontstaat nieuw leven. De geboorte van het nieuwe leven wordt prachtig gesymboliseerd door de wiegster. De wiegster zelf wordt niet afgebeeld. En daar ligt een geniale vondst van Kiefer. Via de titel La Berceuse en het klapstoeltje trekt hij de wiegster van Van Gogh zijn eigen kunstwerk in. Hij gebruikt het werk van Van Gogh om het ontwaken van nieuw leven te symboliseren.
De tegenstellingen van Kiefer, het licht en donker, leven en dood, geboorte en verval, dag en nacht (dag- en nachtwacht), het clarté obscure uit zijn titels, dat alles heeft voor mij veel meer met het clair-obscur van Rembrandt te maken dan met van Gogh. Dat van Gogh steeds om de hoek komt kijken is de genialiteit van Kiefer, want hij gebruikt Van Gogh alleen maar als een voertuig om bij Rembrandt uit te komen. Hij gebruikt hem om van zijn eigen zonnebloemen tot bij Rembrandt te geraken, om überhaupt aan de opdracht te kunnen voldoen. Kiefer zei zelf in een filmpje zoiets als: "Ik kan niet zo maar iets maken wat ik leuk vind. Het moet wel in een ontwikkeling passen".
Anselm Kiefer „Sol invictus – Der unbesiegte Sonnengott“ 1995
Een grote zonnebloem op het moment van ondergang, verstrooit zijn droge maar vruchtbare zaden.
De titel suggereert een parallel met het Romeinse Rijk. Opkomst en ondergang. Op het hoogtepunt wordt het geconfronteerd met een onvermijdelijke ondergang en dood. In het werk van Kiefer is de factor tijd cyclisch in tegenstelling tot lineair en eindig. Leven en dood, schepping en ondergang zijn onafscheidelijk met elkaar verbonden. De Nachtwacht was het hoogtepunt uit het oeuvre van Rembrandt.
Ik heb wel het kunstwerk zelf gezien maar moet eerlijk bekennen dat ik niet naar de lezingen, of zelfs de " mini-cursus" over het werk van Kiefer ben geweest. Ik weet dus niet wat daar allemaal gezegd is, maar doe hier zelf een poging om aan te tonen dat naar mijn mening de relatie La Berceuse - Nachtwacht toch echt niet zo ver weg ligt.
Vergeet Van Gogh eventjes. Als ik aan zonnebloemen denk, denk ik aan Kiefer, niet aan Van Gogh. Bij Van Gogh is een zonnebloem een vrolijk bloemetje, maar bij Kiefer is het een symbool met meerdere betekenissen. Alles bij Kiefer heeft twee betekenissen (minstens). Twee tegengestelde betekenissen. Als hij het materiaal lood gebruikt dan kan dat goed en kwaad betekenen. Lood kan giftig zijn, maar lood beschermt ook tegen straling. Kwaad en goed. Vuur kan vernietigend zijn maar uit vuur kan ook iets nieuws ontstaan, als een feniks uit de as. Een schilder kan een schepper zijn, maar heeft ook de macht om iets te vernietigen. Zo kan je het hele oeuvre van Kiefer doorlopen, bedenk bij alles wat hij doet een dubbele betekenis, je kan er van uit gaan dat hij dat ook zo heeft bedoeld.
Terug naar de zonnebloemen. In 2000 was ik in Gent in het SMAK, bij een expositie van recent werk van Anselm Kiefer tot aan 1999. Kiefer had toen al meermalen zonnebloemen gebruikt in zijn werk. In een begeleidend schrijven van de tentoonstelling staat te lezen:
After his move to Barjac in the south of France, not far from Arles where Van Gogh painted his bright yellow sunflowers, Kiefer also discovered the sunflower as a plant motif. In contrast to the flowers painted by the 19th century Dutch artist, which seem to capture the sunlight, Kiefer's flowers are dark and omnious. He has, moreover, incorporated sunflower seeds into such works as Cette clarté obscure qui tombe des étoiles (1996) [Die uit de sterren vallende obscure helderheid]. These seeds, which bear within them all "times" or seasons, those of germination, bloom and decay, seem to symbolise a sort of everlasting beginning, a continuous transformation.
Dus ook toen werd Van Gogh er al bij gehaald. Ik denk dat niemand meer iets met zonnebloemen kan doen zonder verwijzing naar Van Gogh. Maar bij Kiefer betekent een zonnebloem toch echt iets anders.
De uitgebloeide zonnebloemen, die omgekeerd opgehangen zijn, verliezen hun zaden die op de grond vallen. De grond zit vol met droogtescheuren, lijkt dus levenloos, maar bij Kiefer staan de scheuren in de grond niet alleen voor droogte en sterven, maar ook voor trillingen, voor beweging, dus voor leven. Opnieuw één van Kiefers tegenstellingen. De dorre zonnebloem markeert het einde van een levenscyclus, maar de zaden staan voor een nieuw begin. Ze kunnen in de vibrerende aarde ontkiemen en er ontstaat nieuw leven. De geboorte van het nieuwe leven wordt prachtig gesymboliseerd door de wiegster. De wiegster zelf wordt niet afgebeeld. En daar ligt een geniale vondst van Kiefer. Via de titel La Berceuse en het klapstoeltje trekt hij de wiegster van Van Gogh zijn eigen kunstwerk in. Hij gebruikt het werk van Van Gogh om het ontwaken van nieuw leven te symboliseren.
De tegenstellingen van Kiefer, het licht en donker, leven en dood, geboorte en verval, dag en nacht (dag- en nachtwacht), het clarté obscure uit zijn titels, dat alles heeft voor mij veel meer met het clair-obscur van Rembrandt te maken dan met van Gogh. Dat van Gogh steeds om de hoek komt kijken is de genialiteit van Kiefer, want hij gebruikt Van Gogh alleen maar als een voertuig om bij Rembrandt uit te komen. Hij gebruikt hem om van zijn eigen zonnebloemen tot bij Rembrandt te geraken, om überhaupt aan de opdracht te kunnen voldoen. Kiefer zei zelf in een filmpje zoiets als: "Ik kan niet zo maar iets maken wat ik leuk vind. Het moet wel in een ontwikkeling passen".
Anselm Kiefer „Sol invictus – Der unbesiegte Sonnengott“ 1995
Een grote zonnebloem op het moment van ondergang, verstrooit zijn droge maar vruchtbare zaden.
De titel suggereert een parallel met het Romeinse Rijk. Opkomst en ondergang. Op het hoogtepunt wordt het geconfronteerd met een onvermijdelijke ondergang en dood. In het werk van Kiefer is de factor tijd cyclisch in tegenstelling tot lineair en eindig. Leven en dood, schepping en ondergang zijn onafscheidelijk met elkaar verbonden. De Nachtwacht was het hoogtepunt uit het oeuvre van Rembrandt.
Labels:
Anselm Kiefer,
clair-obscur,
La Berceuse,
Nachtwacht,
Rembrandt,
Van Gogh,
zonnebloemen
zondag 3 juli 2011
De fresco's van Max Beckmann 1915

De Duitse Expressionistische kunstenaar Max Beckmann deed in de Eerste Wereldoorlog dienst als gewondenverzorger, maar op verzoek van een Oberstabsarzt kreeg hij de opdracht om de wanden van een, zoals hij het zelf zegt, "Riesenbadeanstalt" te decoreren. Deze badgelegenheid was ondergebracht in een oude spinnerij. Over de plaats heb ik me het hoofd gebroken want in de brieven die Beckmann naar huis stuurde, wordt slechts de beginletter V. vermeld. Ik weet nu dat het Wervik moet zijn. Waarom er boven de brieven een V staat in plaats van W is me niet duidelijk, misschien heeft men destijds bij het ontcijferen van het oude duitse handschrift, of later bij de omzetting van Frakturschrift naar Rundschrift de W voor een V aangezien.
De Badeanstalt stond in het Franse deel van Wervik, Wervicq-sud. Beckmann schrijft in een brief van 28 mei 1915 over de situering:

...um hier her zu gelangen muss ich immer erst fast eine halbe Stunde gehen, da die Estaminet am anderen Ende der Stadt liegt. Unser Lazarett liegt auf der andern Seite etwas ausserhalb der Stadt. Die Militärbadeanstalt liegt mehr in der Mitte, übrigens in Frankreich. Augenblicklich bin ich in Belgien.
De brieven, of een deel er van, zijn verzameld door zijn vrouw en uitgegeven in een klein boekje onder de titel "Briefe im Kriege". De eerste uitgave was in 1916, later nog eens heruitgegeven in 1955 en 1984.
Hier volgen de fragmenten die over de wandschilderingen gaan:
V., d.27.3.15
Riesenbadeanstalt in V. Geistig sehr interessierter Professor Oberstabsarzt. Wünscht Wände für seine Badeanstalt dekoriert zu haben. Feldlazarett direkt an der Front.
Der Oberstabsarzt K. ist ein geistreicher und verständnisvoller Mensch. Meine Aufgabe, die mir gestellt ist, werde ich zu lösen versuchen. Ich werde das Bad, eine große Spinnerei, in ein orientalisches Bad umwandeln, mit Wüste und Palmen, Oasen und Dardanellenschlachten.
V., d.28.3.15
Heute war ich fleissig und habe einen genauen Entwurf für die schwierigste Wandfläche gemacht, die durch hervorstehende Leisten und schornsteinähnliche Mauern sehr zerteilt und daher schwer zu einer Einheit zu zwingen ist.

V., d.30.3.15
Heute habe ich intensiv nach einem Lanzenreiter gearbeitet. Ich beschäftige mich viel mit Verkürzungen, zeichne so ein Reiter auf seinem Gaul sehr tief von unten, so dass der Kopf des Pferdes mit seinen mysteriös geblähten Nüstern direkt gegen so einen pompös brutalen Kopf eines Kerls steht. Alles dies will ich mit an die Wände malen. Ich habe meinen Plan, ein orientalisches Bad zu malen, aufgegeben, ich male nun, was um mich herum ist
V. hat eine fabelhafte graue alte gotische Kirche, die steil und vornehm zwischen den roten Dachern steht. Unten fließt die Lys, dann wild aufgewühltes Terrain mit amüsanten Fouragewagen und davor dann der von unten gesehene Reiter, dahinter ein sich bäumendes Pferd und rechts ein Infanterist, der sich mit einer grotesken Bewegung schwer auf sein Gewehr stützt, mit einem Ausdrück im Gesicht: Ihr könnt mir alle... runter rutschen. Harmonie, olivfarbene Röcke, weißes und braunes Pferd, lehmfarbener Boden und gelber Himmel, dazu grün und rosa und tiefblaue Gesichter. Beleuchtung ziemlich steil von links, so daß die Figuren seitlich beleuchtet zum Teil als Silhouetten gegen das helle Terrain und den Himmel stehen, da nur die Gegend der Sonne leicht und fahl violett bewolkt ist. Aber natürlich grob in der Mache, zum Teil stark konturiert.
Lille, d. 3. 4. 15
Heute war also Lille, wo ich Material kaufen sollte, das Programm.
Brüssel, d. 16. 4. 15
Also Brüssel ist wirklich fabelhaft: Es ist die schönste Stadt, die ich je gesehen habe, wir mussen unbedingt zusammen her. Ich kaufte Farben fürs Lazarett. Könnte noch hier bleiben, aber ich platze vor Arbeitswut.

18.4.15
Nachmittags habe ich das erste Mal in meinem Leben Fresko gemalt. Eins meiner schönsten Erlebnisse. Es ist wie für mich geschaffen. Vieles wird erst ganz frei
in mir auf diesen großen Flachen. Und es ist wunderbar, wie schön die Farbe auf dem Kalk steht. Hier kann man auch wagen, was bei der ölfarbe manchmal
nicht geht, größere Flachen relativ leer stehen zu lassen, um mit andern um so intensiver zu wirken. Für mich ist der Krieg ein Wunder, wenn auch ein ziemlich unbequemes. Meine Kunst kriegt hier zu fressen.
V., d. 20. 4. 15
Ich bin in voller Arbeit an meinem Fresko. Augenblicklich etwas nervös, so daß ich mich immer von Feinden umringt fühle, was sehr unangenehm ist. Wahrscheinlich liegt gar kein Grund vor.
V., d. 21. 4. 15
Ich habe fein gearbeitet heute, es ist wirklich schade, daß ich Dir die Sachen nicht zeigen kann, ich lerne sehr viel durch das Fresko. Es hat einen enormen Reiz.
V., d. 1. 5. 15
Also vorläufig ist hier alles wieder sehr harmonisch. Mein »Fresko« ist fertig, und allgemeine Befriedigung. Habe heute entsetzlich viel geredet und bin sehr müde. - Es ist zu schade, daß man die Briefe immer erst bekommt, wenn die Stimmung sich bereits wieder geändert hat. Natürlich erscheint es im Moment, als ob sie sich nie wieder ändern könnte. Aber sie tut es doch wieder.

V., d.11.5.15
Ich male ein neues Fresko, das Personal der Badeanstalt darstellend. Es gibt mir Gelegenheit, mir die Leute, die ich um mich sehe, zu notieren, was teilweise sehr humoristisch ist. Ich zeichne würdige , Habyschnurrbart tragende Unteroffiziere, groteske Belgierinnen, neidische Krankenpfleger usw. Ein heftig spröder Stoff, der leicht zum Anekdotischen verleiten könnte.
Ich habe eine solche Passion für die Malerei! Immer arbeite ich an der Form. lm Zeichnen und im Kopf und im Schlaf. Manchmal denke ich, ich muß verrückt wer¬den, so ermüdet und quält mich diese schmerzliche Wollust. Alles versinkt, Zeit und Raum, und ich denke nur immer, wie malst du den Kopf des Auferstandenen gegen die roten Gestirne am Himmel des Jüngsten Tages. Oder wie bringst du es fertig, den Schnurrbart des Unteroffiziers D. und seine rötliche Nase zu einem lebendigen Ornament zusammenzuschmelzen, oder wie wirst du jetzt Minkchen malen, mit emporgezogenem Knie, auf die Hand den Kopf gestützt, gegen die gelbe Wand mit ihrem Rosa, oder das glitzernde Licht, das sich in dem blendenden Weiß der Fliegergranaten am bleiweißen Sonnenhimmel spiegelt, und die nassen, scharfen, spitzen Schatten der Häuser dazu, oder, oder ich könnte vier Seiten so fortschreiben, wenn ich nicht schlafen müßte, um den hundertsten Teil von all diesem wirklich malen zu können.
Es ist mir ganz recht, daß Krieg ist. Was ich bis jetzt gemacht habe, war alles noch Lehrjahre, ich lerne immer noch und erweitere mich.
De grote vraag die bij me opkomt is: hoe is het afgelopen met deze schilderingen?
Een website weet te vermelden dat de beschilderde muren na de oorlog zijn afgebroken, maar dat er wel foto's van zijn gemaakt. Nu ben ik natuurlijk benieuwd naar die foto's. Heeft iemand daar ooit iets van gezien? Is iemand enkele jaren geleden naar de Beckmann tentoonstellingen in Ieper of Gent geweest en waren ze daar misschien te zien?
Labels:
1915,
Badeanstalt,
Brieven,
Fresco,
Krankenpfleger,
Max Beckmann,
Muurschildering,
Wervicq-Sud,
Wervik
vrijdag 28 januari 2011
De Egestorf-brieven. Soldatenbrieven uit de Eerste Wereldoorlog

In vervolg op mijn vorige poging op de Flickr site wilde ik nu eens kijken wat het oplevert als je er geen foto's op zet maar alleen documenten met geschreven tekst. Ik had het natuurlijk op mijn eigen website kunnen plaatsen maar Flickr bedient een breder publiek. Het gaat om een reeks van 17 brieven en briefkaarten van soldaten uit de Eerste Wereldoorlog die met elkaar gemeen hebben dat ze zijn geadresseerd aan twee adressen in dezelfde straat in Egestorf (aan de Deister), bij Hannover. Vandaar dat ik het genoemd heb de Egestorf-brieven.
Alle post, op één briefkaart na, is gericht aan Friedrich Grüne, Bahnhofstr. 76 in Egestorf aan de Deister, Bezirk Hannover.
Het is een aardige puzzle om te proberen de (familie)relaties tussen de briefschrijvers en geadresseerden te ontrafelen.
Alle brieven en briefkaarten staan op:
http://www.flickr.com/photos/58746838@N08/sets/72157625924685444/with/5396063138/
Brieven en briefkaarten 1 t/m 5 zijn afkomstig van Wilhelm Noltemeyer, Wehrmann bij de 2e Sanitätskompagnie, 20e Divisie, 10e Legerkorps. Ze beslaan de periode 13 augustus 1914 tot 26 december 1914, achtereenvolgens uit Malmedy, op doortocht door België, Neufchatel aan de Aisne.
Wilhelm schrijft in een tijd dat nog gedacht wordt aan een snelle afloop van de oorlog. Eerst moet hij tot zijn spijt constateren dat hij met kerstmis niet thuis zal zijn. Later wordt de toon nog wat harder en schrijft hij: "hopelijk is deze rotzooi gauw voorbij want het begint vervelend te worden en de wijn is ook bijna op."
Een tweede reeks van 4 brieven en briefkaarten komt van Hermann Noltemeyer, een broer van Wilhelm, als Landsturmmann bij de 9e Kompagnie, 3e Bataillon, Reserve-Infanterie-Regiment 79, 19e Reservedivisie, 10e Reserve Legerkorps.
De brieven van Hermann en Wilhelm hebben als aanhef "Liebe Schwager, Schwester und Adele", wat leidt tot de conclusie dat Friedrich Grüne getrouwd is met de zus van de broers Noltemeyer.
De eerste kaart van Hermann is gedateerd 14 oktober 1915 waarin hij aangeeft zojuist verplaatst te zijn naar de Lingekopf in de Vogezen, waar hij op 30 meter van de vijand ligt in een "ganz brenzliche Ecke", en dat hij blij zal zijn als hij het er daar levend van af brengt. Interessant zijn ook zijn opmerkingen over het maximale aantal brieven dat hem toegestaan is te schrijven. Ongetwijfeld een gevolg van de onrustige situatie in zijn frontsector.
Zijn laatste brief is van 25 juni 1916. Het is een dramatische brief want er wordt melding gemaakt van het sneuvelen van Friedrich. Het is niet helemaal duidelijk wie Friedrich is, maar waarschijnlijk een broer van Hermann en Wilhelm. Hermann is zelf aanwezig bij de begrafenis op de oorlogsbegraafplaats Chaumont bij Verdun.
Twee dagen later gedateerd is een brief van Carl Deppe aan Frau Witwe Noltemeyer, de moeder van Hermann, Wilhelm (en Friedrich), die woont op huisnummer 73a, dus enkele huizen verwijderd van Friedrich Grüne. Carl Deppe dient in de Sanitätskompagnie waar Friedrich verzorgd werd en aan zijn verwondingen is bezweken, en is blijkbaar een bekende van de familie. Hij schrijft aan moeder Noltemeyer om deelneming te betuigen, ook namens zijn kameraden, aan het overlijden van "Fritz" zoals hij hier wordt genoemd.
Dan hebben we nog Ernst Gehrke, Schütze bij de Maschinengewehr Kompagnie van Reserve Infanterieregiment 8, 5e Reservedivisie.Hij zit aan het oostfront ergens in een bos onder verschrikkelijke weersomstandigheden waarbij hij ook nog spreekt over de "Panje" wat toch altijd nog wat raadselachtig blijft. Van hem zijn drie brieven uit zomer en herfst 1916. Hij schrijft aan zijn Lieber Freund Friedrich, dus is waarschijnlijk geen familie maar alleen bevriend.
Wel familie lijkt H.Hunte want in een kort bericht van een paar regels aan Friedrich Grun schrijft hij "groet moeder en mijn zuster", maar hoe die relatie dan precies in elkaar zit blijft onduidelijk. Het is ook het enige bericht van deze persoon. Het kan ook gewoon een bekende uit het dorp zijn. Waarschijnlijk kende iedereen elkaar daar, met 67 inwoners. Hunte zit in hetzelfde regiment als Hermann, zelfde bataljon zelfs, maar andere kompagnie.
Tot zover lijkt het wel aandig in elkaar te passen, maar er is nog een briefkaart die weer een bommetje onder de hypothese legt dat de gesneuvelde Friedrich een broer van Wilhelm en Hermann zou zijn. Het is een kaart van Reservist Fr. (ondertekend met Freedrich) Beel uit Sanitäitskompagnie I, 1e Garde Infanterie Division, Gardekorps. Het is dezelfde eenheid als van Carl Deppe, die schreef over het verlies van zijn kameraad. Dus misschien is dit dan de Friedrich waar het over ging. Alleen als het een halfbroer is zou dat zijn andere achternaam kunnen verklaren.
De enige niet-soldatenbrief is een brief van ene Sophie uit Hameln aan Adele Grüne. Adele lijkt de dochter te zijn van de zus van de broers Noltemeyer, die overigens nergens bij naam genoemd wordt, en Friedrich Grüne. Maar wie is Sophie? Misschien de vrouw van een van de broers Noltemeyer.

Bij de transcripties:
Ik heb alle schrijf- en taalfouten laten staan. Vaak hebben zinnen geen beginhoofdletter en geen punt. Alles wordt achter elkaar door geschreven. Meestal heb ik dat zo gelaten behalve waar het voor de duidelijkheid beter uit kwam om wel een scheiding tussen zinnen aan te brengen.
Ik heb enkele namen Noltemeyer, Noltemeijer, Beel en Grün nagezocht bij de Duitse oorlogsgravendienst, maar er kwam geen informatie naar voren die aansloot bij het verhaal uit de brieven. Het lijkt me nog wel interessant om eens in het namenboek van de begraafplaats Ville-devant-Chaumont (tussen Azannes en Flabas ten noorden van Verdun) na te kijken of daar een van de namen terug te vinden is.
Aris de Bruijn
The Legermuseum Archives
Legermuseum foto's op Flickr

Mijn werk aan het archief van het Legermuseum is geruisloos overgegaan in werken aan verschillende websites. In dat kader kijk ik ook hoe nieuwe media ingezet kunnen worden. Als uitprobeerseltje heb ik een serie foto's nu eens niet op de Legermuseum website geplaatst maar op fotosite Flickr. Ook al omdat een deskundige bij ons op bezoek was die zei dat we eens verder op het web moesten kijken dan alleen onze eigen site. Met in mijn achterhoofd een rapport van de Library of Congress, waar ze een aantal jaren geleden zijn begonnen met 3000 foto's in Flickr Commons waarbij ze na 48 uur al een miljoen bezoekers hadden. Onwaarschijnlijke aantallen die door latere acties van het Nationaal Archief en de KB al behoorlijk gerelativeerd zijn.
Ik deed het heel bescheiden, met 30 foto's over de Mobilisatie 1939-1940, afkomstig uit twee verschillende fotoalbums van Nederlandse militairen. Er was juist daarvoor een fotoexpositie in het museum geweest over het onderwerp en op de Legermuseum website is het dan niet ongewoon dat zo'n expositie verder leeft als online-expositie. Op de eigen website heb ik een pagina als introductie en vanaf daar kan men doorklikken naar Flickr. Vanaf Flickr kan weer doorgeklikt worden naar het Legermuseum en dan is het cirkeltje rond.

Op de homepage is een link maar verder is er geen enkele aankondiging gedaan of andere publiciteit aan gegeven; gewoon maar kijken wat er van komt. Na een paar dagen had ik bij de meeste foto's al 1 bezoeker, en dat was ik waarschijnlijk zelf. Nu, na een paar maanden, staat de teller tussen 40 en 90. Er is bij geen enkele foto commentaar gegeven, en 1 foto is door iemand als favoriet aangemerkt en in een eigen fotoserie overgenomen. Het gaat hier om een foto van soldaten met een gasmasker op, die is overgenomen door een gasmaskerfetishist die zelf een pagina heeft met uitsluitend foto's van mensen met gasmaskers.
Geen astronomische bezoekersaantallen dus. Fotosharing is geen wondermiddel en er is blijkbaar meer voor nodig om het een succes te laten worden. Zie hier de foto's:
http://www.flickr.com/photos/55995799@N05/
Nu ga ik Flickr voor mezelf eens toepassen op een iets andere manier. Niet met foto's, waar het platform eigenlijk voor bedoeld is, maar met afbeeldingen van handschriften. In oud Duits geschreven soldatenbrieven van Duitse soldaten uit de Eerste Wereldoorlog. Ik heb de eigenaardige hobby om dat oude handschrift te ontcijferen, ook als oefening om het een beetje bij te houden. Een brief koop je al voor 1 euro op ebay en daar kan je een poos mee zoet zijn.
Ik heb op Flickr ook al eens een paar transcripties gegeven bij achterkanten van ansichtkaarten die door anderen zijn geplaatst. Zie bijvoorbeeld:
http://www.flickr.com/photos/drakegoodman/5359251871/
http://www.flickr.com/photos/drakegoodman/5359075187/
Aris de Bruijn
The Legermuseum Archives
Labels:
mobilisatie 1939-1940
zaterdag 15 januari 2011
Zinloos digitaliseren

Al jaren is men wereldwijd als een razende boeken aan het digitaliseren. De Verenigde Staten voorop natuurlijk. We kennen allemaal de activiteiten van Google en de samenwerking met Amerikaanse en Canadese bibliotheken. Allemaal mooie initiatieven waar ik zelf voor onderzoek al zeer veel profijt van heb gehad. Je hoeft voor veel dingen de deur niet meer uit omdat het online te vinden is.
Allemaal mooi en aardig maar hier wil ik het echter hebben over een minder nuttig verschijnsel: het zinloos digitaliseren. Het valt niet te ontkennen dan men zo hier en daar als een kip zonder kop maar alles door de digitaliseringsmolen maalt, zonder al te veel op kwaliteit te letten. Het lijkt meer om aantallen te gaan dan om bruikbaarheid. Ik ben al aardig wat curieuze werkjes tegengekomen. Het boven aan dit stukje afgebeelde werk "Exercier Reglement für die Grossherzoglich Hessische ..." spant wel de kroon. Het boek bevat in werkelijkheid uitsluitend uitklapbare pagina's maar bij het digitaliseren is dit niet gedaan. Resultaat is dat er GEEN ENKELE bruikbare, leesbare, zichtbare pagina is. Zelfs de titel staat er maar half. Digitised by Google en te vinden op
http://www.archive.org/details/texts
Wat moeten we hiermee? Het bedrijf dat de digitalisering heeft uitgevoerd heeft hem gewoon meegeteld bij het indienen van de rekening, de scanoperator heeft zijn schouders opgehaald en gedacht wat kan mij het schelen, het is toch bijna weekend, de opdrachtgever heeft geen controle uitgevoerd en het ook nog doodleuk op internet gezet, er zijn vooraf geen goede afspraken gemaakt over de behandeling van dit soort pagina's. Het is zowieso een ergerlijk verschijnsel dat opgevouwen kaarten en dergelijke nooit goed gescand worden. Elk boek waar uitklapkaarten in zitten, en dat zijn er nogal wat als het gaat over militaire geschiedenis en veldslagen, wordt onvolledig gescand. En deze kaarten en schema's zijn vaak onmisbaar voor het boek.
Een ander drama voltrekt zich bij de tekstherkenning. De Amerikanen proberen alles om te zetten naar doorzoekbare tekst, ook het oudduitse Frakturschrift. Dat heeft geen enkele zin en levert alleen maar geheimschrift op. Zie hier een willekeurig stukje uit de Gesammelte Schriften van Helmuth von Moltke:
S)er ^vXjalt biefeS SöanbeS nun bietet in feinen Beiträgen
jur 8eBen§gef(l§i(j^te »eitere ttjic^tige SSaufteine für ba§ itUn^^
unb ei^aralterbilb beS großen SKanneg. SSietteid^t ^ätte ein
längcrei^ Qntoatttn nod^ einige, freilid^ wol^I nur unbebeutenbe
©njel^eiten für biefe Aufgabe gu liefern »ermod^t, aber eS er*»
fc^ien nid^t angegeigt, auf eine geringe SBal^rfc^'cinKc^feit l^in
ben abfd^Iuß toeiter ]§inau§jufd^ieben, benn ba§ ©efammtbilb, toie
e§ fid^ ie|}t fd^on barfteöt, l^ätte baburd^ leine Äenberung erfal^ren,
Een andere goede bron voor onleesbare boeken is de site van de Franse bnf.
http://gallica.bnf.fr/

Hier krijg je aan het begin van de scan nog een waarschuwing voor slecht scanresultaat. Maar heel veel is gewoon het gevolg van slordig werken. Pagina's die gescand zijn precies op het moment dat de pagina wordt omgeslagen, handen in beeld, verkeerde formaatinstelling zodat het tekstgedeelte van de pagina ergens klein in een hoekje staat en de rest van de pagina leeg is, zwart-wit en kleur gescande pagina's door elkaar zonder aanwijsbare reden, doorgeslagen achterkant omdat er geen zwart papiertje achter gehouden is. Allemaal curieus, grappig maar soms ook tenenkrommend, als je precies het stuk informatie mist dat je zoekt en je weet dat het er met een beetje meer aandacht wel had kunnen staan.
Voorlopig sla ik dit soort vondsten op in een apart mapje op mijn computer, onder de naam "digitale curiosa". Kunnen we er later nog eens naar terugkijken en om lachen.

Aris de Bruijn
The Legermuseum Archives
Labels:
digitaliseren,
e-boeken,
onleesbaar
donderdag 6 januari 2011
Camouflage

Voor een presentatie zocht ik afbeeldingen van verschillende soorten camouflage. Nu bezit het Legermuseum een aardig aantal textielstalen van exotische camouflagepatronen uit bananenrepublieken van alle continenten, maar het was niet helemaal wat ik zocht. Ik vond in de bibliotheek een bijzonder boek over camouflage, een standaardwerk zou ik het wel willen noemen, getiteld: DPM, Disruptive Pattern Material. Het bestaat uit een cassette met twee boeken van ongelijke omvang, over de oorsprong en toepassing van camouflage, zowel voor militaire doeleinden als in de burgermaatschappij (camouflagepatronen in de mode bijvoorbeeld).

Militaire camouflage begint eigenlijk pas echt tijdens de Eerste Wereldoorlog. We kennen natuurlijk de dazzle-painting van oorlogsschepen in WO1 en ook de camouflage met natuurlijke materialen zoals nagemaakte boomstammen die dienst deden als uitkijkposten. Verder zien we tegen het einde van de oorlog beschilderde tanks en helmen, bunkers die vermomd zijn als woonhuis en netten die het zicht op wegen moesten ontnemen. Voor uniformen wordt camouflage nog niet op grote schaal toegepast. We waren nog maar net afgestapt van de felgekleurde uniformen uit het Napoleontische tijdperk en overgegaan op Feldgrau, khaki en horizon bleu. Met patronen bedrukt textiel was er tijdens die oorlog nog niet, maar toch staan er interessante camouflagevoorbeelden in het boek waarvan het de bedoeling was dat ze met de hand op doek geschilderd zouden worden. Verrassend vind ik een overdruk van een pagina uit de Illustration uit 1920, waarop camouflagepatronen staan afgebeeld die een afspiegeling zijn van de Franse frontsectoren. (afbeelding hierboven geeft een paar voorbeelden). Nooit geweten dat zoiets er toen al was. Volgens het bijschrift viel camouflage onder de strengste Franse legercensuur en mocht er tijdens de oorlog niets over gepubliceerd worden. Vandaar dat er pas in 1920 iets over in de Illustration verscheen en in andere publicaties zoals La Guerre Documentée en Scientific American.

Alle deelnemende legers stelden tijdens de oorlog gespecialiseerde camouflage eenheden op die experimenteerden met het verbergen van artillerie, voertuigen, uitrusting en installaties. Deze speciale eenheden werden meestal samengesteld uit kunstenaars en decorschilders. De oorsprong van camouflage is een beetje duister maar is in ieder geval Frans. In augustus 1914 werden onafhankelijk van elkaar voorstellen gedaan door Eugin Corbin en Lucien-Victor Guirand de Scévola voor het verbergen van artillerie met beschilderd doek. Louis Guingot, een vriend van Corbin en schilder/decorateur, experimenteerde met manieren om verf op textiel aan te brengen. Al in september 1914 presenteerde hij samen met zijn broer Henri aan het Franse opperbevel een groot stuk beschilderd canvas en vijf met de hand beschilderde pakken waarmee ze een artillerieopstelling en bemanning aan het gezicht onttrokken. De Franse generaals waren onder de indruk en gaven opdracht aan een groep kunstenaars onder leiding van Corbin en Guingot om meer camouflagetextiel te produceren. In november kwam hieruit voort de Equipe de Camouflage. In februari 1915 werd het een officieel Frans legeronderdeel, de Section de Camouflage, vanaf dat moment geleid door Lucien-Victor Guirand de Scévola, een bekend portretschilder. De sectie bestond in augustus 1915 uit drie regionale werkplaatsen en een centrale werkplaats in Parijs. De eenheid breidde snel uit met schilders, decorateurs en beeldhouwers die van het front werden weggehaald. Alles gebeurde in het grootste geheim. Behalve hoeveelheden beschilderd doek kwamen er andere uitvindingen uit voort zoals postduiven die zwart geschilderd werden om ze op kraaien te laten lijken, holle namaakbomen waar een uitkijkpost in verstopt zat, tot aan een groot doek waar op ware grootte een massale aanval van 300 soldaten te zien was.
De Franse impressionistische schilder en camoufleur Jean-Louis Forain maakte als inspecteur reisjes naar het front om aanwijzingen te geven over de toepassing van camouflage. Aan het front werden stalen genomen van de overheersende locale kleuren grond en patroonkaarten geproduceerd om aan te geven welke schema's en kleuren nodig waren voor verschillende regio's en in verschillende jaargetijden. In 1917 kwam daar een vliegtuig bij dat speciaal belast was met de controle vanuit de lucht van de effectiviteit van de camouflage op de grond.

Eind 1916 kwamen de Britten met een Camouflage Section, geadviseerd door Solomon J. Solomon van de Royal Academy. Ook deze afdeling had veel schilders en beeldhouwers in zijn gelederen. In Wimereux was de hoofdvestiging van de sectie, met locale werkplaatsen op diverse plaatsen langs het front, onder de dekmantel Special Works Park. In Londen werd een school opgericht die aan commanderende officieren les gaf in camouflagetechnieken. In andere landen zoals Italië, Duitsland en België werden soortgelijke secties opgericht en kwam men met vergelijkbare oplossingen.
Ook aan de Amerikanen wordt in het boek een stukje gewijd. Daar begon het met een groep vrijwilligers in New York, eveneens met kunstenaars en decorateurs, die uitgroeide tot een groep van 200 man. Toen het Amerikaanse leger een oproep deed voor een camouflagekorps, meldden veel leden van deze New York Camouflage Society zich aan als vrijwilliger voor de Amerikaanse camouflageeenheid die werd geleid door een theaterdirecteur.
Intussen waren aan het front in Frankrijk al een paar kunstenaars bezig met het bestuderen van Franse en Britse technieken. Toen begin 1918 de eerste groep uit de VS overkwam ontstond een camouflage werkplaats bij Dijon. Deze compagnie, aangevuld met vrouwelijke Franse werkers, schilderde patronen op voertuigen en produceerde dagelijks 45.000 vierkante meter aan camouflagenetten.

De eerste camouflage op personen bestond uit pakken met stroken textiel daarop aangebracht en uit handbeschilderde capes met gezichtsnetten, die vooral verstrekt werden aan sluipschutters en bemanning van observatieposten. De Britse camoufleur en theater decorontwerper L.D. Symington maakte een aantal ontwerpen voor pakken, het Symien Sniper Suit en het Boiler Sniper Suit (zie afbeelding).
In het boek staan voorbeelden afgebeeld van beschilderde regencapes en een camouflageovertrek voor een Franse kepi. Alles uit de verzameling van Jean-Pierre Verney, die de basis vormt voor het nieuwe museum in Meaux dat op 11 november 2011 geopend zal worden. Bijzondere verzameling moet deze man gehad hebben. Dat maakt een bezoekje aan dat museum in de toekomst wel de moeite waard.

Eigenlijk is camouflage een vreemde toepassing van kunst in de oorlogvoering. Omgekeerd heeft de militaire camouflage ook weer veel kunstenaars ertoe aangezet om camouflage als onderwerp van hun kunstwerk te kiezen. Enkele voorbeelden:
Colin U. Gill - Heavy Artillery, 1919
Drevil - Les quarante camoufleurs, 1916
Leon G.C. Underwood - Erecting a camouflage tree, 1919
Edward Alexander Wadsworth - Dazzle-Ships in Drydock at Liverpool, 1919
Edward Alexander Wadsworth - Dazzle-Ships in Drydock 1918 (houtsnede) (afbeelding)
Meer over de wisselwerking met kunststromingen zoals futurisme en vorticisme is te vinden in het boekje Dazzle Painting, kunst als camouflage en camouflage als kunst, Albert Roskam, uitgegeven bij de gelijknamige tentoonstelling in het Maritiem Museum in Rotterdam in 1987.

Het Canadian War Museum heeft vorig jaar een tentoonstelling gehouden over camouflage getiteld From Battlefield to Catwalk. De tentoonstelling liep tot september maar op de website zijn nog aardige dingen te vinden.
Ik vind het opvallend dat het War Museum een onderdeel is van het Canadian Museum of Civilization. Ze kijken daar toch heel anders tegen een militair museum aan dan bij ons. Oorlog als ondereel van beschaving. Bij ons is het eerder een tegenstelling.
http://www.civilisations.ca/cwm/exhibitions/exp/camo/camo01e.shtml
Als laatste wil ik verwijzen naar een interessante blog getiteld Camoupedia. Het is een voortzetting van een boek met dezelfde titel, Camoupedia: a compendium of research on art, architecture and camouflage, door Roy R.Behrens, Bobolink Books 2009.
De blog is in het leven geroepen om aanvullingen en nieuwe ontdekkingen te kunnen blijven publiceren na verschijnen van het boek.
http://camoupedia.blogspot.com/
Boekgegevens van het in dit artikel besproken boek:
DPM, Disruptive Pattern Material. An Encyclopaedia of Camouflage: Nature - Military - Culture. London 2004. ISBN 095434040x
Musée de la Grande Guerre du Pays de Meaux
http://museedelagrandeguerre.eu/fr
Aris de Bruijn
The Legermuseum Archives
Labels:
camouflage,
dazzle painting,
Eerste Wereldoorlog
dinsdag 21 december 2010
Ernstig vuurwerk
Dit verhaaltje begon eigenlijk als een spin-off van de geplande mini-expositie "klap op de vuurpijl" in het Collectie Informatie Centrum van het Legermuseum, maar omdat de mini-exposities geslachtofferd zijn met het oog op Soesterberg, is het nu een weeskind. Geheel in de geest van de Amerikaanse filosoof Roy Sorensen die gisteren te gast was in Wintergasten en die gespecialiseerd is in dingen die er feitelijk niet zijn, maar die wel invloed hebben op de dagelijkse gang van zaken. Ik bedoel hier niet het nieuwe museum hoor, maar de mini-expositie. [smile] Mathieu zorgde voor de titel. In zijn mooie artikel in de nieuwe Armamentaria die vandaag verscheen, staat het woord "ernstvuurwerk" als tegenhanger van "siervuurwerk". Hij schrijft over oorlogsvuurpijlen dat ze in het derde kwart van de 19e eeuw uit het zicht verdwenen als oorlogswapen, maar alleen nog werden gebruikt als signaalmiddel. En dat is nu precies waar ik naar toe wil.
Nachtelijk vuurwerk boven het slagveld
De hemel boven het slagveld moet er af en toe uitgezien hebben alsof er een machtig vuurwerk aan de gang was. Behalve door over en weer vliegende granaten werd de hemel doorkliefd met vuurpijlen en lichtsignalen van verschillende kleuren en vormen. De volgende impressie is van zo'n "son et lumière" boven de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog.
“Eergisteren van acht uur ’s avonds tot in de vroege morgen ben ik getuige geweest van de beschietingen. Ik zat er als in de loge van een schouwburg en door de kijksleuf zag ik voor mijn ogen hoe de opera zich afspeelde; een barbaarse en ononderbroken muziek, Franse en Duitse kanonschoten van alle kalibers, geweerschoten, mitrailleurs. De vlammen van de schoten verlichtten de hemel, de harde lichtflitsen van de weerkaatsingen doortrokken de hemel. Vreemde langgerekte acteurs die naderbij kwamen, zich weer terugtrokken, zich vergrootten, verkleinden, lichtkogels die uiteenspatten in een regen, lichtsignalen in een bundel, in een bol, witten oranje-roden blauwen groenen stijgen op, bijzondere en geraffineerde danseressen." Het citaat is uit een brief van 2 september 1915 van schrijver-dichter Guillaume Apollinaire gepubliceerd in "Lettres à Madeleine". Apollinaire was artilleriewaarnemer in het Franse leger en gefascineerd door de techniek, de dynamiek en de energie van de oorlog. Wat hij zag was een nachtgevecht aan het loopgravenfront, met alles wat er bij hoorde, een artilleriebeschieting, een infanterieaanval en de onvermijdelijke reacties van de tegenstander. De kanonnen kregen hun aanwijzingen niet alleen van artilleriewaarnemers maar regeerden op lichtsignalen van de soldaten in de voorste loopgraven. Als de infanterie na een aanval de bereikte posities wilde markeren werden gekleurde vuurpijlen afgeschoten. Schoot de eigen artillerie te kort, wat geen uitzondering was, dan volgde het signaal "vuur naar voren verleggen". Er konden andere eenvoudige bevelen gegeven worden, zoals "vuur terugleggen", "spervuur", "breng meer munitie", "zend reserves", enz. De signalen konden bestaan uit verschillende kleuren of vormen, waarvan de betekenis voorafgaand aan de aanval was afgesproken. De betekenis moest zo lang mogelijk geheim blijven en de code werd minstens elke week veranderd, om de vijand niet in de kaart te spelen.
Het gebruik van lichtsignalen was een snelle vorm van communicatie, in een tijdperk waarin draadloze communicatie nog nauwelijks bestond, zonder tussenkomst van hogere instanties. Het was wel éénrichtingsverkeer, van voren naar achteren. Ook zorgde de zichtbaarheid en herkenbaarheid nog wel eens voor vergissingen. De tegenstander gebruikte ook lichtsignalen, die nauwelijks verschilden van de eigen signalen en niet alle kleuren waren even goed te herkennen. Rood, groen, geel en wit waren de beschikbare kleuren en door combinaties te maken werd het aantal mogelijkheden uitgebreid, maar dat werd er niet eenvoudiger op en de kans op vergissingen was groot. Uit de aanbevelingen in de voorschriften blijkt dat rood de best zichtbare kleur was en dat groen en geel gemakkelijk verward konden worden met wit licht. Naast de verschillende kleuren had men de beschikking over signalen die variaties in vorm te zien gaven. Duitse voorschriften spreken over:
Sternpatronen, Signalpatronen mit Perlen, - mit Verästelung, - mit Doppelstern, - mit Blitz., - mit nachziehenden Perlen en dan waren er ook nog patronen die voorzien waren van een kleine parachute om de lichtbol zo lang mogelijk in de lucht te houden. Het is in deze warboel begrijpelijk dat vergissingen vaak voorkwamen. Als de communicatie tussen infanterie en artillerie niet lukte, dan kon dit vele slachtoffers tot gevolg hebben, soms door het "eigen vijandelijke vuur", waarmee de eigen te kort schietende artillerie bedoeld werd. De aanbeveling was dan ook om alleen enkelvoudige signalen te gebruiken, in één kleur en met maar één vooraf afgesproken betekenis, en om dat signaal net zo lang te herhalen tot de boodschap was overgekomen.
Apollinaire zag het ernstige vuurwerk vanaf een relatief veilige positie. Maar dat was voor hem niet voldoende. Hij was, zoals meer kunstenaars in die tijd, gefascineerd door de oorlog en vond het een voorrecht om het te mogen meemaken. Hij was eerst als vrijwilliger bij de artillerie terecht gekomen maar hij vond dat hij daar niet dicht genoeg op de actie zat. Hij vroeg overplaatsing aan naar de infanterie om voor in de loopgraven midden tussen het strijdgewoel te zitten. Hij wilde het allemaal zelf ondergaan. De italiaanse futuristen gingen nog een stap verder. Ze beschreven de oorlog als het buitengewone gevoel van de onweerstaanbare kracht van destructie. De moderne oorlog vroeg om een moderne manier van schilderen. Het realisme had voorgoed afgedaan en voldeed niet meer om de nieuwe tijd te beschrijven. Ze verheerlijkten de oorlog en zagen het als een opstuwing van het leven naar een hoger niveau van activiteit. Kracht, snelheid, dynamiek. Ze bewonderden de technische vooruitgang, technologie en mechanisatie. De toekomst was het enige dat telde en er moest afgerekend worden met het verleden. Ze verheerlijkten het gevaar en de spanning, overdrijving, destructie, rebellie. "Buiten de strijd is er geen schoonheid. Geen meesterwerk zonder agressief karakter" stond in het manifest van Marinetti te lezen.
(In het manifest stond ook dat alle musea verbrand moesten worden, maar dat schrijf ik hier natuurlijk niet).
Op het omslag van de Gallimard-uitgave van de brieven van Apollinaire uit 2005 staat een schilderij afgebeeld van Gino Severini, ook één van de Italiaanse futuristen, getiteld "Kanon in actie", dat heel goed aansluit bij de tekstpassage. In een poging om ook het lawaai en de bewegingen uit te drukken heeft hij er voor gekozen om teksten als een collage te integreren in zijn schilderij. Het schilderij kan niet alleen bekeken worden maar ook gelezen. "Bboumm - Vuur! - arithmetische perfectie - geometrisch ritme - kracht - geleidelijk naar de aarde afbuigende boog - de aarde verheft zich in golven tegen het kanon - precisie - mechanische soldaten laden systematisch - diepte, angst, stilte "
Overigens keerde Severini zich al vrij snel weer af van deze techniek, omdat het gebruik van teksten toch niet ideaal was en hij raakte ook gefrustreerd omdat het hem niet lukte om de bijtende stank van de loopgraven uit te beelden. Hij liet de oorlog voor wat hij was en ging voortaan verder met het schilderen van stillevens. Andere kunstenaars konden het spektakel van de oorlog niet verwerken; ze kregen psychische problemen en belandden in een inrichting.
Apollinaire bleef zijn opvattingen trouw maar liep in 1917 een hoofdwond op waardoor hij voor de rest van de oorlog uitgeschakeld was. Ik zag in het Historial in Peronne ooit een tentoonstelling over Apollinaire met in een vitrine het met bloed besmeurde boek dat hij aan het lezen was toen hij de granaatscherf tegen zijn hoofd kreeg. Dan is de oorlog weer heel dichtbij.
Over kunstenaars in de Eerste Wereldoorlog: www.art-ww1.com/gb/visite.html
Bij de twee kleine foto's:
Italiaan prepareert een signaalraket
Helft van een britse stereofoto "instructie in de open lucht over signaalraketten en lichten"
Bij de laatste foto: Flares fired by M777 howitzers to illuminate during Operation Tora Arwa V in the Kandahar province Aug. 2 2009.
Vorschriften für den Stellungskrieg für alle Waffen
Teil 9. Nachrichtenmittel und deren Verwendung, Berlin 1917
Teil 4. Leuchtmittel, Berlin 1916
Teil 5. Der Artillerieflieger und der Artillerieballon, Berlin 1918
Boekreferentie: Guillaume Apollinaire, Lettres à Madeleine, Gallimard Paris 2005
Nieuw uitgekomen: Armamentaria 45, jaarboek Legermuseum 2010/2011. Met o.a. Mathieu Willemsen, Oorlogsvuurpijlen en het Nederlandse Leger
Aris de Bruijn
The Legermuseum Archives
zondag 12 december 2010
Declaration of Independence

Het moet weer eens over Amerikanen gaan. Niet dat ik nou zo dol ben op dat land, en het is ook niet mijn favoriete volk, maar ze geven wel stof tot schrijven.
Lee Ann Potter van de National Archives in Washington gaf deze week op de Digitaal Erfgoedconferentie een dijk van een lezing waar geen van de andere sprekers ook maar een moment bij in de schaduw kon staan. Hoe doen ze dat toch, die Amerikanen? OK, wat ze te vertellen had was inderdaad ook wel de moeite waard, maar het zit 'm toch vooral in de presentatie. De vanzelfsprekendheid, de overtuiging waarmee het gebracht wordt. Als een Hilary Clinton die er tot het laatst van overtuigd is dat ze de verkiezingen gaat winnen. En altijd alles in superlatieven. Het grootste, het mooiste, het beste, het meeste. Een miljoen bezoekers bij het archief, van mensen die er allemaal in de rij staan om naar de drie belangrijkste originele documenten, de "Charters of Freedom" te kijken: Constitution of the United States, Declaration of Independence en de Bill of Rights.

Het enige wat ik daar tegenover kan stellen is dat ooit voor een expositie in het Legermuseum, over de inzet van Nederlandse militairen in voormalig Indonesië, de originele onafhankelijkheidsverklaring van Indonesië is tentoongesteld, en dat het bruikleen toen verzekerd was voor 500.000 gulden. Hoeveel bezoekers dat heeft getrokken weet ik niet.
Nu hebben de Amerikanen ook nog niet zo veel geschiedenis. Dat gaf zelfs Lee Ann volmondig toe, maar ze buigen dat dan weer om tot een voordeel. Ze hebben hun geschiedenis ingedeeld in een genormaliseerde, vastgestelde tijdbalk, volgens de National Standards for History. Deze standaard begint met Era 1, The Beginnings of Human Society. We zitten volgens deze schaal nu in Era 10. Mooi overzichtelijk zo.
Het Amerikaanse architectenduo Diller en Scofidio heeft ooit geprobeerd de hele Amerikaanse geschiedenis samen te vatten in 50 Samsonite koffers. Ze brachten hun 200 jarige geschiedenis in beeld onder twee trefwoorden: Beds and Battlefields, bedden en slagvelden. Het begin en het einde van het leven, zou je kunnen zeggen. Onder bedden werd dan verstaan de geboortebedden, in de geboortehuizen van Amerikaanse persoonlijkheden zoals presidenten en generaals. Ze schijnen een grote aantrekkingskracht uit te oefenen op de gemiddelde Amerikaanse toerist. Dat de oorspronkelijke geboortehuizen vaak al lang verdwenen zijn is geen enkele belemmering. Ze zijn gewoon opnieuw geconstrueerd. Voor de Amerikaan maakt het geen verschil of zo'n bed nu echt is of een replica.

Ik heb me laten vertellen dat van die originele Amerikaanse documenten, er minstens één of misschien wel alle drie, een replica is. Dus waar die 1 miljoen bezoekers zich aan staan te vergapen is nog niet eens echt ook. Het origineel was lang geleden al zo verbleekt dat er bijna niets meer te lezen was, waarna ze hem heel precies nagetekend hebben. De versies die er nu liggen zijn ook al weer zo verbleekt dat ze nauwelijks nog te lezen zijn.
Ik heb de authenticiteit geprobeerd te verifiëren op internet maar ik vond geen site waar dat op stond, en de National Archives zullen de laatste zijn om het toe te geven. Toen was er ook nog geen WikiLeaks natuurlijk.
Wat ik wel tegen kwam was dat er ook "authentieke reproducties" worden aangeboden. In de eerste plaats in de winkel van de National Archives zelf, tot en met T-shirt versies aan toe; het is gewoon merchandise. Het zijn misschien wel de meest gekopieerde documenten in de VS. The National Archive (dus zonder "s", in hele kleine lettertjes: A private free enterprise not affiliated with archives.gov.) biedt reproducties aan die volgens één van de reacties op de site, er beter uitzien dan de originelen in Washington. Ja, waarom zou je eigenlijk nog naar Washington gaan. Voor 29,97 dollar krijg je alle drie de documenten thuisgestuurd. En je krijgt je geld terug als je niet tevreden bent. 100% MONEY BACK GUARANTEE IF NOT DELIGHTED.

Overigens zijn er wel officiële oude kopieën van deze documenten. Van de Declaration of Independence zijn in 1823 door drukkerij William Stone 200 kopieën gemaakt waarvan er nog 35 bekend zijn.
Eén ervan dook dit jaar op in een rommelwinkeltje in Nashville, Tennessee. Hij bracht bij een veiling $ 477.650 dollar op. De vinder had hem voor $ 2,48 gekocht, en verklaarde met het geld een nieuwe tweedehands auto te gaan kopen, een serre aan zijn huis te gaan bouwen, en een deel aan zijn ouders en aan goede doelen te geven. Wat een mooi Amerikaans verhaal weer.

De oudste afschriften van de Declaration of Independence zijn de zogenaamde Dunlap prints, vernoemd naar de drukker die ze maakte op 5 juli 1776, dus 1 dag na de beroemde 4th of July, en werden direct door boodschappers te paard verspreid door de koloniën.
Er zijn er waarschijnlijk 200 gemaakt. In 2009 werd een 26e kopie van zo'n Dunlap print gevonden bij de National Archives in Londen. De 25e kopie was ooit geveild voor 8.14 miljoen dollar.
Bij de afbeelding boven aan dit artikel van links naar rechts:
Constitution of the United States
Signed Copy of the Constitution of the United States; Miscellaneous Papers of the Continental Congress, 1774-1789; Records of the Continental and Confederation Congresses and the Constitutional Convention, 1774-1789, Record Group 360; National Archives.
Declaration of Independence
Official signed copy of the Declaration of Independence, August 2, 1776; Miscellaneous Papers of the Continental Congress, 1774-1789; Records of the Continental and Confederation Congresses and the Constitutional Convention, 1774-1789, Record Group 360; National Archives.
Bill of Rights
Engrossed Bill of Rights, September 25, 1789; General Records of the United States Government; Record Group 11; National Archives.
Website van de afdeling van de National Archives and Records Administration die zich bezig houdt met lesprogramma's voor het onderwijs aan de hand van originele documenten. Hier is alles over de documenten te vinden, inclusief afbeeldingen.
http://docsteach.org/
De National Archives Store, met reproducties in allerlei soorten en maten, en ook een "Create Your Own Document Kit" met ganzenveer, inkt en een blanco stuk perkament.
http://estore.archives.gov/category.aspx?categoryID=54
De tentoonstelling in het Legermuseum gehouden in 1993: Inzet in Nederlands-Indië, 1945-1950, heeft als archiefreferentie 0875
Het boek van Diller and Scofidio heet: "Back to the Front: Tourisms of War", FRAC, Basse Normandie 1994
Site waar je de drie Charters of Freedom kan kopen : http://www.thenationalarchive.com/index.html
Veilinghuis Raynors' waar de vondst van Nashville geveild is en waar vaker historische documenten geveild worden:
http://www.hcaauctions.com/index.html
Het is alleen al een feest om online door hun 178 pagina's tellende veilingcatalogus te bladeren. Highlight in de komende veiling is de oudst bekende handtekening van de moordenaar van Abraham Lincoln. Moet tussen de 13.000 en 15.000 dollar gaan opbrengen. Bieden kan ook online en het hoogste bod staat tot nu toe op 9.250
PDF download van de Dunlap print bij de National Archives in Londen:
http://www.nationalarchives.gov.uk/documentsonline/details-result.asp?queryType=1&resultcount=1&Edoc_Id=8199065

Aris de Bruijn
The Legermuseum Archives
Abonneren op:
Posts (Atom)









