zaterdag 28 augustus 2010

Bliksembezoek aan Camp de Suippes


Ook Hard Papier is even met vakantie geweest, onder meer met een bliksembezoek aan Camp de Suippes, het artillerieschietkamp in de Franse Champagne. Dit militaire terrein ligt altijd als een hinderlijk en ontoegankelijk obstakel in de weg voor mensen die het Eerste Wereldoorlog slagveld willen bezoeken. Als je dan eens de mogelijkheid hebt om legaal naar binnen te gaan dan grijp je die kans. Het was voor het eerst dat er een slagveldbezoek werd georganiseerd buiten de bustocht van de tweejaarlijkse Journée des Villages Detruits. Een wandeling van 15 kilometer, over het noordwestelijke deel van het slagveld. Vertrekpunt was de ingang van het kamp bij Sommepy, aan het einde van het weggetje met het monument voor het 329e Regiment Infanterie. Op een geïmproviseerde parkeerplaats net binnen de hekken van het kamp verzamelden zich alle deelnemers die kans hadden gezien zich aan te melden voor het evenement.

Verwelkomd door Jean-Pierre van de vereniging Main de Massiges met "les Hollandais", bleken we later ook de enige niet-fransen te zijn in het gezelschap. De meesten hadden het lokale 51 op de nummerplaat. De aanmelding was gelimiteerd tot 120 personen, en als ze geen stop hadden ingevoerd was het aantal met gemak tot 300 opgelopen volgens Jean-Pierre. De 120 man werd verdeeld in vijf groepen van 20 (Franse rekenmethode) waarvan de indeling vooraf was bepaald op basis van vrienden, relaties, enz. en elke groep werd aangevuld met een gids en een militair met portofoon. We werden er nog even aan herinnerd op militair terrein te zijn door het voorlezen van de reglementen door een caporal-chef van de schietbeveiliging die de hele dag met een jeepje als een vervelende bromvlieg om ons heen zou blijven zwermen. Alle namen van de deelnemers werden per groep voorgelezen en aan het einde van de dag werd gecontroleerd of iedereen ook weer teruggekomen was. Er mocht eens iemand op het idee gekomen zijn zich schuil te houden in een loopgraaf. Vreemd genoeg bleek bij terugkeer onze groep groter dan bij vertrek !???
Wij waren ingedeeld bij Eric Marchal aan wie ik ook de uitnodiging te danken had. Vertrek om 9 uur sharp, bepakt met lunchpakket en regenbescherming. Maar in onze ooghoeken hadden we al wel een auto met aanhanger gezien waar de nodige koelboxen in waren geladen, dus we twijfelden aan het self-supporting karakter van sommige deelnemers.


De route ging via Mont Muret naar hoogte 193 (Arbre Höhe) waar mijn bijzondere interesse naar uitging vanwege het dagboekmanuscript van Leutnant Hanns Schammer dat ik aan het annoteren ben. Onderweg kwamen we langs loopgraven waarvan de benamingen tranchée de Pologne en tranchée de la Vistule met een flinke korrel zout genomen moeten worden. Op de loopgraafkaarten zijn lang niet alle loopgraven van een naam voorzien, en deze namen waren de enige aanduidingen in de ruime omgeving dus voor het gemak maar van toepassing verklaard op de stukken loopgraaf die wij konden zien. Dat het gezelschap niet alleen bestond uit slagveldtijgers maar ook uit goedbedoelende gelegenheidswandelaars bleek uit de vraag hoe lang zo'n loopgraaf nu eigenlijk was. Eric gaf met een stalen gezicht als antwoord dat ze van de Noordzee tot de Zwitserse grens liepen. Op de kaarsrechte weg van Souain naar Tahure (de weg waar Apollinaire het over heeft in zijn gedicht Le Poète. Hij zat in november 1915 op deze plaats) werden we verrast door een stel wilde zwijnen. Ze leken aanvankelijk helemaal niet schuw en bleven rustig staan, maar toen we dichterbij kwamen verdwenen ze natuurlijk in de struiken. Vanaf deze weg was er naar het zuiden toe uitzicht op enkele artilleriedoelen waar vandaag een paar reeën tussendoor scharrelden.
De lunch te velde was in het voormalige dorpje Tahure, waar we door het eerder gesignaleerde aanhangertje werden verrast met een aperitief, naar keuze een kir van cassis met witte wijn of een violette van witte wijn met likeur. De lunch ging weer echt op z'n Frans met allerhande meegebrachte thuisbaksels, salades, eieren, tomaten, patés en flessen drank. Een in onze nabijheid opererende koelbox-familie was heel bezorgd over ons welzijn en ons werd meermalen gevraagd of we eigenlijk wel gegeten hadden. Uiteindelijk konden we niet ontsnappen aan een stuk zelfgemaakt paté-in-bladerdeeg. Bijzonder aardig natuurlijk.
Tijdens de lunchpauze was er gelegenheid om via een bospad een zijsprong te maken naar de bron van de Dormoise, maar omdat de regengoden vooral dit uur hadden uitgekozen en vanwege onheilspellende berichten over een erg moerassige route, hebben we dit onderdeel voorbij laten gaan.


Na de lunch ging de route via de Dreckschlucht, die zijn naam helemaal geen eer aan deed want mooi begroeid met gras, naar de Butte de Tahure. Ook de Franse naam Ravin des Mûres konden we niet plaatsen want bramen of andere bessen hebben we ook niet gezien.
Toen we het dal uitklommen werd duidelijk waarom de Butte zo berucht was. Opmerkelijke hoogteverschillen in het terrein en de Butte stak als een eenzame bult af tegen de omgeving. Een goed zicht na het optrekken van de mist maakte duidelijk waarom deze heuvel zo'n belangrijke positie innam en waarom hier zo hard om gevochten is. Via een meer noordelijke route, achter de voormalige Duitse linies langs, keerden we terug naar Mont Muret. Het weer was intussen geheel opgeklaard en de jassen konden uit.
Zoals verwacht bleek er achteraf toch weer vrij weinig van de loopgraafstelsels te zien. Enerzijds het gevolg van de uitbundige begroeiing zo midden in de zomer, maar ook omdat de krijtbodem hier erg brokkelig is en 90 jaar erosie het meeste heeft uitgewist. Heel anders dan de veel stabielere gaize in de Argonne of de zandsteen in de Vogezen.

Tijdens het lopen vertelde Eric dat er onlangs zes lichamen van Duitse soldaten waren teruggevonden aan de voet van de Kanonenberg, net buiten de rand van het artilleriekamp. Een ontwortelde grote boom in de buurt van de Hertzbergtunnel en de Chausson Ferme had de resten van de Duitsers aan het oppervlak gebracht. Eric had niet de Duitse gravendienst gewaarschuwd, die naar zijn mening te onzorgvuldig en te gehaast te werk gaan, maar had een Franse archeologische dienst gebeld. Het bleken zes soldaten waarvan twee met een identiteitsplaatje van de 4e compagnie van Füsilier Regiment 35. Aan de hand van de positie van de skeletten en de stand van de ledematen is geconcludeerd dat de zes hier begraven zijn geweest, niet gevallen, en dat dit op een haastige manier is gebeurd, bijvoorbeeld onder vijandelijk vuur. Er was bovendien een antropoloog uit Marseille gekomen die op basis van ouderdomsonderzoek van de botten tot de constatering was gekomen dat het zeer jonge soldaten moeten zijn geweest. Eric zal me de gegevens en foto's van de opgravingen toesturen dus later meer hierover.




Aris de Bruijn
The Legermuseum Archives

woensdag 25 augustus 2010

Het mysterie van de Seeligkazerne


Soms zitten vondsten in een klein hoekje. Of zelfs in kieren en spleten. Dat ontdekte de korporaal Dackers die in de balklagen van de oude Seeligkazerne in Breda een opmerkelijke vondst deed. Hij schreef het volgende briefje aan het Legermuseum:

Breda 4-9-1992
L.S.
Deze spullen zijn afkomstig van de zolder van het hoofdgebouw op de Seeligkazerne te Breda. Het gebouw dateert van ca. 1700. Het zat tussen naden en spleten van de balklaag. Daar ik het zonde vind dat het verloren gaat stuur ik het op naar U zodat het misschien nog een plaatsje in Uw museum vindt.

De Kpl I Dackers
Seeligkazerne Gebouw D, K17
Fellenoordstraat 93
4811 TH Breda


Waarover gaat het nu? De gevonden spulletjes bestaan uit:
Een rechthoekig geel metalen plaatje met ophangoog en tekst ingestanst: "1E. VEILIGHEIDS. / AFD. ART. / VZG. BATTERY."
Een rechthoekig zwart metalen plaatje met vier bevestigingsogen en de tekst in witte letters: "STUNNEBRINK / MILn STUKr / WNs 16.9.3."
Een rond zwart metalen plaatje met twee bevestigingsogen en de tekst in witte letters: "DE KRUIK / MILn KANr / KL No 44 / SA No 1638 / Se No 5624".
Een kaartje met 100 El garen van het merk "Diamant".
Een zakje met een paar oude smeedijzeren nagels, bevestigingskrammen en een splitpen
Een zakje met daarin een schietlood, een loden verzegeling met de letter A en een tweede vormloos stukje lood.
En verder een paar snippers halfvergaan papier waarop nog net de woorden "geboren", "Blerik" en "Limburg" zijn te lezen.

Het lijkt wel iets uit een spannend jongensboek, een raadsel dat opgelost moet worden en dat uiteindelijk gaat leiden tot de ontrafeling van een vreselijk geheim. "Het mysterie van de Seeligkazerne" en misschien komt Kapitein Rob straks om het op te lossen. Maar ik denk het niet. Waarom verbergt iemand zo'n merkwaardige verzameling spulletjes? Het is wel fascinerend, al deze Kleinkram.

Gemeenschappelijke deler is zonder twijfel de artillerie. Woorden als: afdeling artillerie, batterij, stukrijder, kanonnier, dat is duidelijk. De kazerne is gebouwd in 1771 als Arsenaal en is sindsdien altijd in gebruik geweest bij de artillerie, o.a. het 3e Regiment Veldartillerie.
In de museumomschrijving wordt een van de opschriften geïnterpreteerd als een datum; 3 september 1916, dat zou de mobilisatieperiode tijdens de Eerste Wereldoorlog betekenen. Mogelijk. Maar dan, wat doen we met de rest?
Ik vrees dat ik het raadsel ook niet ga oplossen maar misschien is er wel iemand anders die zich hier in gaat vastbijten en kunnen we straks onze eigen Da Vinci Code tegemoet zien. En bravo voor korporaal Dackers dat hij het "historisch besef" heeft gehad om het op te sturen, of zit hij soms ook in het complot?

museumobject 112784
archiefreferentie 0907-0012

Aris de Bruijn
The Legermuseum Archives

zondag 22 augustus 2010

Vermenging van tijdperken door Sergey Larenkov


Vandaag kijkt Hard Papier even naar buiten met een link naar een bijzondere fotograaf.
We kennen natuurlijk allemaal de toen-en-nu foto's, waar een zo goed mogelijk overeenkomende vergelijkingsfoto gemaakt wordt van een historische plek. Een hedendaagse remake van een historische foto, op dezelfde plek genomen en met een zelfde beeldhoek. De foto's worden doorgaans naast elkaar geplaatst om ze goed te kunnen vergelijken. De Russische kunstenaar fotograaf Sergey Larenkov neemt dit fenomeen een stap verder met zijn fotoseries van onder meer Berlijn in de Tweede Wereldoorlog. Hij plaatst foto's niet naast elkaar maar in elkaar, en maakt er een combinatie van. Maar dan nog wel zo dat er een duidelijk onderscheid is tussen het toen en het nu.
In een tijd waarin Photoshoppen een werkwoord is geworden weten we dat zo ongeveer alles kan worden getoond ook al is het er nooit geweest. Er zijn fotomanipulaties mogelijk op zo'n manier dat van de originele foto bijna niets meer over blijft. Maar Larenkov is zich zeer bewust van de grens tussen realisme en ongeloofwaardigheid. Hij past er goed op die grens niet over te gaan. Het doel is niet om de oude en de nieuwe opname onzichtbaar in elkaar over te laten gaan; de kunstenaar laat dat gedeelte van het proces over aan de hersenen van de toeschouwer. De toeschouwer is getuige van de tijdelijke terugkeer van geesten uit het verleden die nog steeds rondwaren in de stad. Een bevreemdende vermenging van tijdperken, die het verleden opeens heel dichtbij haalt, alsof het nog aan de gang is. Alsof twee tijdlijnen zich tegelijkertijd afspelen zonder dat de twee werelden zich bewust zijn van elkaars aanwezigheid.
Larenkov slaagt er in een nieuwe ultieme realiteit te laten zien van een oorlog die al zo goed gedocumenteerd is en waarvan we al zo veel hebben gezien.




Link naar Sergey Larenkov's weblog:
http://sergey-larenkov.livejournal.com/

Meer foto's van Larenkov van St.Petersburg (Leningrad) in WO2:
http://englishrussia.com/index.php/2009/01/26/2235/
http://englishrussia.com/index.php/2009/05/11/st-petersburg-now-and-then-2/

Aris de Bruijn
The Legermuseum Archives

dinsdag 10 augustus 2010

Bollen en bommen "van oudheidkundige aard"


Door de jaren heen zijn er bij het Legermuseum heel wat ronde kogels binnen komen rollen. In de collectie bevinden zich tientallen ijzeren, zandstenen of granieten bollen, van allerlei diameters, hol of massief, met een gat , met drie gaten, zonder gaten, op een plankje of in een zak, met een verhaal en zonder verhaal. En vooral dat laatste kenmerk, het verhaal, maakt een gewone bal tot een interessante bol. Vooral als je weet waar het ding vandaan komt, wanneer en door wie hij gebruikt is wordt het de moeite waard. Anders blijft zo'n bom maar gewoon een bol en is er eigenlijk geen bal aan.
Gelukkig zijn er wel een aantal bollen in de collectie met een verhaal. En misschien hoeft de bol ook niet eens meer een hele bol te zijn. Hebben we het niet over oorlog, waarin alles kapot gaat, en vertellen brokstukken niet veel meer het verhaal dan het complete ding? Vertellen scherven niet meer over een oorlog en over strijd dan een fabrieksnieuw ongebruikt exemplaar. Persoonlijk heb ik wel iets met objecten waar een beschadiging aan is. Kom bij mij niet aan met bijvoorbeeld glaswerk waar niets aan mankeert. Glas, per definitie een breekbaar materiaal, kan voor mijn gevoel een oorlog niet ongeschonden doorkomen, daar moet een stuk uit zijn of een barst in zitten. Dan heeft het zichtbaar iets meegemaakt. Zo ken ik ook iemand die het altijd heeft over "prachtig mooi in elkaar geschoten forten" en die niets moet hebben van forten die nog helemaal intact zijn.

Vanuit dat gezichtspunt is het jammer dat in augustus 1940 het aanbod van de burgemeester van Coevorden vriendelijk maar toch beslist werd afgeslagen. Hij schreef aan het museum dat in de tuin van het ziekenhuis van Coevorden "eenige vrij groote scherven van een ouderwetsche bom" waren opgegraven, die naar zou vaststaan door de vorst-bisschop van Munster, Prins Bernard van Galen, beter bekend als Bommen Berend, op Coevorden waren afgevuurd tijdens het beleg van de vesting in 1672. Zijn exploderende bommen waren voor die tijd een geheel nieuw strijdmiddel, waar Bommen Berend zijn bijnaam aan te danken heeft.
De directeur van het Legermuseum, van Houten, bedankte de burgemeester voor zijn aanbieding en zijn belangstelling voor het museum, maar antwoordde: "daar het museum reeds verschillende exemplaren van de oudste bommen bezit, zijn scherven van bommen voor ons van geen belang".
Als het legermuseum door de jaren heen niet alleen de hele bommen maar ook de scherven van bommen had aangepakt dan zouden de pakhuizen helemaal te klein geweest zijn, maar toch is het jammer dat we nu geen scherven van Bommen Berend hebben. Ik hoop dat de burgemeester ze zelf nog ergens bewaard heeft.
Niet alleen in Coevorden werd met bommen gegooid maar ook in Maastricht. Maar dan door de Fransen, in 1793-94. De heer H.E. Dotremont laat ons in 1960 een gietijzeren kogel na die afgevuurd is op de Bossche Fronten, aan de noordkant van de stad. Keurig op een plankje gemonteerd en met een messing naamplaatje er op.

Een andere vondst haalt zelfs de krant. In een bericht in het Handelsblad van 17 april 1935 wordt verslag gedaan van de werkzaamheden (die niet helemaal volgens plan verlopen) voor de aanleg van een brug over de Waal bij Nijmegen: "Bij het baggerwerk heeft men intusschen merkwaardige avonturen beleefd. Zoo heeft men verscheidene groote kanonskogels en zelfs een vuurmond opgebaggerd die afkomstig zijn van belegeringen van Nijmegen in den tachtigjarigen oorlog en van de invallen van de Franschen in de zeventiende en achttiende eeuw."
Door bemiddeling van het departement van Defensie stuurt Rijkswaterstaat de vondst naar het Legermuseum, waarna het blijkt te gaan om een brokstuk van een gesprongen ijzeren kanon en een gietijzeren kogel van 14 cm diameter. Het bericht in het Handelsblad was nogal dik aangezet.
Een jaar later, in 1936 komen bij dezelfde baggerwerkzaamheden in de Waal nog eens zes en een halve kogel boven water. En die halve kogel is natuurlijk makkelijk te traceren in de collectie, want daar zijn er niet veel van.
De vondsten gaan door. Bij de aanleg van de autosnelweg Arnhem-Nijmegen werd op 2 juni 1942 bij Ressen een zandstenen kogel gevonden. De hoofdingenieur van Rijkswaterstaat vermoedt dat hij van "oudheidkundige aard" is, en bericht dat hij de vondst op zijn bureau heeft liggen. De kogel is al eerder aangeboden aan het Rijksmuseum voor Oudheden, dat er echter geen belangstelling voor had en daarom heeft doorverwezen naar het Legermuseum. Na een goedkeuring van de Directeur-Generaal van Rijkswaterstaat kan het voorwerp ten burele worden afgehaald. Zo kunnen we nog even doorgaan. Een zandstenen kogel van 8,5 cm diameter, gevonden bij Terneuzen, een zandstenen kogel gevonden bij Ressen, een ijzeren kogel van 12 cm gevonden bij Lent. Maar spannender wordt het niet meer.

Ik eindig met een paar woorden over de foto die bovenaan dit verhaaltje staat. We zien daar bommen in actie, ook al liggen ze volkomen stil in een uitgestorven landschap. Het is of ze nog maar net tot stilstand zijn gekomen. Dichter bij de actie kun je niet komen. Ik krijg altijd een beklemmend gevoel als ik die foto zie. Probeer me voor te stellen hoe die bollen daar neergekomen zijn, hoe dat geweest moet zijn om daar tussen te staan in dat surrealistische landschap.
Het is de foto getiteld "The valley of the shadow of death". De meest beroemde foto uit de serie die Roger Fenton maakte van het slagveld bij Sebastopol tijdens de Krimoorlog. De eerste oorlog die systematisch door oorlogsfotografen in beeld is gebracht. De foto's van Roger Fenton staan online op de site van de Library of Congress. Ik sluit af met een andere foto uit de serie van Fenton: "Mortar batteries in front of Picquet house Light Division"


Fenton Crimean War Photographs
http://www.loc.gov/pictures/collection/ftncnw/

Archiefreferenties:
0831-0022 - correspondentie met de burgemeester van Coevorden
0837-0016 - het opgebaggerde kanon en de kogel bij Nijmegen inclusief krantenbericht
0836-0015 - voor de correspondentie over de andere kogels bij Nijmegen
0845-0007 - over de zandstenen kogel bij Ressen
0845-0008 - de bij Lent gevonden ijzeren kogel
0841-0016 - de zandstenen kogel gevonden bij Terneuzen

Aris de Bruijn
The Legermuseum Archives

donderdag 5 augustus 2010

Het zwaard van Grote Pier


Het Legermuseum is niet het enige museum dat nadenkt over zijn presentatie in een nieuw gebouw. Ook het Fries Museum in Leeuwarden zal over een aantal jaren in een nieuw onderkomen heropenen en is er al enige tijd een discussie gaande over de vraag wat er zoal in de nieuwe opstelling getoond moet worden. De directeur stelde publiekelijk de vraag: "Wat denkt u, komen Maastrichtenaren voor het Zwaard van Greate Pier naar het nieuwe Fries Museum?" Eén van de antwoorden luidde: "Het Zwaard van Greate Pier? Dat verhaal klopt van geen kant. Kijk eens goed naar dat zwaard. Op het handvat is een moderne moer gelast. Dat zet mij aan het denken."


Grote Pier, wie was dat ook weer? We kennen hem misschien nog het best door zijn optreden in Floris, eind jaren zestig. Er is nogal wat legendevorming rondom Grote Pier (ca. 1480-1520) en zijn zwaard. Volgens de overlevering kon hij met zijn zwaard de hoofden van meerdere vijanden tegelijkertijd afhakken, terwijl de meeste andere strijders slechts in staat waren per slag één hoofd te scheiden van een romp. En Grote Pier zou zijn zwaard vooral hebben opgeheven tegen Hollanders.

Twijfelden wij enige tijd geleden nog aan het wrakhout van Van Speyk, de teennagels van Elvis en het horloge van Atatürk, de Friezen hebben een controverse over het zwaard van Grote Pier. In Leeuwarden beweren ze het echte zwaard van Grote Pier te bezitten, maar in Sneek wordt dit ten stelligste ontkend. En dan is er ook nog het geboortedorp van Pier, Kimswerd, waar het enige echte zwaard in de gelagkamer van de herberg hangt.
Hard Papier neemt natuurlijk geen stelling maar volgt het spoor van de bibliothecaris van het Fries Museum, de heer Kalma, die in 1952 het plan had opgevat om de herkomst van zijn zwaard te achterhalen. Een fraaie briefwisseling met het Legermuseum en met het Klingenmuseum in Solingen is er van bewaard gebleven in het archief van het Legermuseum.


Dat de achtkantige knop aan het uiteinde niet bij het wapen hoort had de spreker bij de openbare discussie wel goed gezien, hoewel hij waarschijnlijk geen idee had waar hij het over had. Zowel onderdirecteur Hartmans van het Legermuseum als de heer Uhleman van het Klingenmuseum zijn van mening dat de knop er niet bij hoort. In de woorden van Hartmans een "ondeskundig toevoegsel van veel later tijd. De knop blaakt van nieuwigheid in vergelijking met de kling." Maar de knop hoort in vorm bij een wapen dat veel ouder is dan de rest. Men heeft een knop bijgemaakt uit de eerste helft van de 15e eeuw terwijl de rest van het wapen eind 15e eeuw zou zijn. Ook is de ronde uitsparing in de achtkant waarschijnlijk versierd geweest met een medaille of munt. Intussen wordt aan zo'n beetje alles getwijfeld bij het zwaard. De greep is bij een restauratie veranderd, de pareerstang is geen 100 %. Dat het zwaard met zijn lengte van meer dan twee meter door een reus op het slagveld gebruikt is lijkt zeer onwaarschijnlijk. Hartmans merkt hierover droogjes op dat "een reus toch al lange armen heeft welke zeker niet door een extra lang zwaard behoeven te worden verlengd".
Toch is het een spannend verhaal, over tweehanders en anderhalfhanders, over de Bloem van Jericho en de Passauer Wolf, en met een zeer waarschijnlijke bepaling van de herkomst van het zwaard. Om de Friezen in hun nieuwe museum niet het gras voor de voeten weg te maaien (of de kop van de romp te maaien) zullen we hier niet alles verklappen. Ze beschikken daar sinds kort ook weer over kopieën van onze briefwisseling over het zwaard. Dus we mogen aannemen dat het in hun nieuwe museum ook getoond zal worden en dat het met de presentatie wel goed zal komen. Hebben die Hollanders de Friezen toch weer een handje geholpen, ondanks het feit dat Pier niet zo gediend was van Hollanders.

Archiefreferentie 0874

Het Klingenmuseum is nu het bestekmuseum in Solingen:
http://www.klingenmuseum.de/cms/index.php

Aris de Bruijn
The Legermuseum Archives

zondag 1 augustus 2010

Einde oefening voor de AT-12


Omdat ik onlangs via Facebook een oude dienstkameraad heb teruggevonden, die ik al 30 jaar niet meer gezien of gesproken had, hier een herinnering uit mijn eigen glorieuze militaire verleden, als dienstplichtige lichting 80-3. Eén van de hoogtepunten was ongetwijfeld de oefening Vogelsang in Duitsland. Over de Ordensburg Vogelsang waar we toen zaten, zal ik later bij gelegenheid nog wel iets schrijven, maar nu gaat het vooral over de oefening zelf, of liever de afloop daarvan. Het was hartje winter, 1980-81, in de Eifel in Duitsland. We hadden een oefening van een paar weken achter de rug op het oefenterrein bij Camp Vogelsang. Veel Nederlandse ex-militairen zullen het kennen.
Het sein werd gegeven dat de oefening afgelopen was en dat betekende voor onze compagnie dat de AMX-en koers moesten zetten in de richting van de trein in Schleiden. Het was vrijdagmiddag, iedereen was moe na een paar weken ploeteren en koukleumen en verlangde naar het weekend thuis. Snel de trein beladen, coupe opzoeken en pitten op weg naar huis. Dat was het scenario. Maar precies bij het sein einde oefening begaf "my little tank" het. De motor stopte en er was geen beweging meer in te krijgen. We stonden ergens op een besneeuwde bergweg hoog in de Eifel. De compagniescommandant gaf opdracht zo lang mogelijk radiocontact te houden. Hijzelf vertrok met de rest van de compagnie in de richting van de trein en wij bleven alleen achter. Dat wil zeggen, mijn chauffeur en ik, want mijn tankcommandant was beroeps en die had al lang ander vervoer geregeld. Al snel was de compagnie buiten het bereik van mijn radio.

De Technische Dienst kwam en begon driftig te sleutelen maar slaagde er ook niet in om de motor weer tot leven te wekken. Er zat nog maar één ding op en dat was de bergingstank er voor zetten en met een triangel ertussen de zaak op sleep te nemen. De chauffeur van de bergingstank, Appie, was een prima vent, eersteklas monteur, niets op aan te merken, maar was vastbesloten om de trein te halen. Dus wij met deze onmogelijk logge en starre combinatie als een gek over de bochtige, besneeuwde bergwegen. Onderweg doodsangsten uitgestaan maar alles ging goed, Schleiden kwam in zicht en tot onze opluchting stond de trein er nog. Appie gaf een laatste dot gas en draaide de oprit naar het laadperron op en ... de hele handel ging op de spekgladde oprit aan het schuiven. De combinatie schoof van de weg af, op de zijkant het taluud af. Daar ging onze hoop om voor het weekend thuis te zijn. Zo'n tank mag er dan heel robuust en massief uit zien, dit soort grappen kunnen ze niet tegen. Alle torsiestaven van de loopwielen ontzet.

We hebben in het hotel tegenover de spoorbaan een kop koffie gedronken om bij te komen van de schrik. We hebben er ook overnacht. De volgende dag kwamen er twee enorme grote kraanwagens uit Aken om de tanks op te hijsen en op een stel diepladers te zetten voor het transport terug naar Nederland.
De majoor was aan de ene kant niet blij met de affaire, maar aan de andere kant vond hij het geloof ik ook wel spannend dat dit in zijn compagnie gebeurde. Hij heeft de hele bergingsoperatie en het ophijsen van de tanks gefilmd, met zijn super 8. Later heeft hij op de kazerne voor de verzamelde compagnie zijn film vertoond. Dat was ook nog een belevenis op zich. De hele bergingsoperatie duurde uren en hij had niet continu doorgefilmd. Je zag af en toe een stukje. Dus je zag het begin van het ophijsen, en op het volgende beeld hingen er opeens twee tanks hoog in de lucht te bungelen, alsof ze niks wogen. De hele compagnie lag natuurlijk dubbel van het lachen om deze slapstick. Dat kon de majoor dan weer wat minder waarderen.

Het mankement aan mijn tank, waarmee alles begonnen was, bleek later een verstopte benzinetank te zijn geweest. Op zich niet zo erg want het ding heeft twee benzinetanks, dus als er een leeg is of een leiding verstopt, dan kun je altijd nog verder op de tweede. Maar de andere benzineleiding was al veel eerder verstopt geraakt en mijn chauffeur vond dat wel handig want dan hoefde hij tijdens oefeningen maar één tank bij te vullen met jerrycans in plaats van twee. Dus hij had dat nooit laten repareren.
Toch al een brokkenpiloot deze chauffeur want hij had in Sennelager eens een toolkit van de technische dienst geramd waardoor alle schroefjes en moertjes door het voertuig gevlogen waren. Het kostte ons bovendien een spatbord, en dat had weer tot gevolg dat tijdens het rijden door het terrein de klei tot over de hele tank heen vloog, inclusief bij ons in onze nek. En de techneut die daarna tevergeefs probeerde het spatbord er weer aan te lassen was zo dronken dat hij het achterlicht wegsmolt met zijn vlam, en toen hadden we ook geen achterlicht meer. Ziehier, het Nederlandse leger in de bocht.

Ik bezit een paar wazige foto's van de gecrashte tanks, ik weet niet meer wie ze gemaakt heeft, misschien de chauffeur van de majoor. Ik ben in 2007 nog een keer teruggeweest naar de plek van het ongeluk. Camp Vogelsang is afgeschaft als militair terrein en nu een natuurgebied, open voor het publiek. Het laadperron in Schleiden is er nog maar wordt niet meer gebruikt, de rails is overwoekerd. Hotel Huddelbusch ook nog. Het taluud is er niet meer. Het terrein is uitgevlakt en er staat een garagebedrijf met een autowasserette waar vroeger alleen weiland was. Ik heb geprobeerd een paar vergelijkingsfoto's te maken maar dat ging eigenlijk niet vanwege die autokermis.




Aris de Bruijn
The Legermuseum Archives

maandag 26 juli 2010

DDT - van wondermiddel tot milieuramp


In het archief van het Legermuseum bevindt zich productinformatie en promotiemateriaal van het middel TRIX van het Zwitserse chemieconcern Geigy, nu Ciba-Geigy. TRIX is een snelwerkende vorm van DDT bedoeld voor de bescherming van textiel tegen insectenvraat door bijvoorbeeld motten. Het Legermuseum heeft destijds, in 1946, dit middel aangekocht voor de bescherming van de uniformverzameling. Men ging hiervoor niet over één nacht ijs. In de correspondentie vinden we uitgebreide testrapporten over de werking van TRIX en de verwachting wordt uitgesproken dat er nu eindelijk eens een middel is gekomen dat werkelijk werkt. Er werd 10 kilogram aangekocht voor fl. 7,15 per kilo bij de Nederlandse vertegenwoordiging H.von der Fuhr in Tilburg.

De geschiedenis van DDT is wonderlijk. Het is al in 1874 uitgevonden door iemand die nu door iedereen vergeten is. Jarenlang werd er niets met de uitvinding gedaan totdat in 1939 de Zwitser Müller voor het eerst de dodelijke werking aantoonde op luizen, huisvliegen, coloradokevers en malariamuggen. Met het Geigy-patent dat in Washington was ondergebracht, kreeg het Amerikaanse leger een belangrijk wapen in handen. Geheimhouding door Geigy werd afgedwongen en de hele productie werd bestemd voor gebruik door het Amerikaanse leger. Ze produceerden in 1945 bijna 1000 ton DDT per maand en men schreef dat voorlopig niet te verwachten viel dat er snel iets beschikbaar zou komen voor civiel gebruik. DDT werd gezien als een preventief middel bij uitstek om epidemieën tegen te gaan. Men schrijft lyrisch over de onbegrensde mogelijkheden waarvan het einde nog lang niet in zicht is. Een tyfus uitbraak aan het Italiaanse front werd voorkomen door het bepoederen van meer dan 2 miljoen mensen met DDT. Er werden 42 ontluizingsstations ingericht. Heel Napels stroomde er heen om zich het fijne, witte poeder in open kragen en blouses te laten blazen, in mouwen en rokken en broeken. Mobiele sproeiwagens reden over het strand om alle badgasten te sproeien. Het Amerikaanse leger ontwikkelde apparaten voor het bestuiven van kleding zonder dat deze uitgetrokken hoefde te worden. Het kwam er op neer dat de kleding bij de enkels en polsen dichtgebonden werd waarna het poeder naar binnen gestoven werd bij de kraag, met een balloneffect tot gevolg. Ondergoed dat geïmpregneerd werd met een vloeibare oplossing van DDT bleef twee maanden vrij van luizen, zelfs als het maar 1 keer per week gewassen werd. Geïmpregneerde bedden in ziekenhuizen bleven 300 dagen vrij van bedluizen en een muur die ermee bestreken werd bleef een maand dodelijk voor elke vlieg die er op neerstreek

Uit een tijdschrift uit die tijd: "Mede dank zij dit middel, dat in 1943 algemeen in de geallieerde legers in gebruik werd genomen, werd voorkomen, dat, zooals voorheen, meer soldaten aan ziekten dan aan vijandelijke kogels ten offer vielen. Ernstige epidemieën zijn niet voorgekomen, zelfs niet in de tropen."
DDT werd gezien als een van de grote ontdekkingen van de mensheid vergelijkbaar met de ontdekking van penicilline. Na de oorlog kwam DDT beschikbaar voor civiel gebruik vooral in de landbouw als insecticide en steeg het gebruik explosief. Hierin past ook de interesse door het Legermuseum in 1946. In 1948 kreeg Paul Hermann Müller, de chemicus die het middel in 1939 had herontdekt, de Nobelprijs voor zijn ontdekking van DDT als gif tegen schadelijke insecten. Het is opmerkelijk dat iemand de Nobelprijs kreeg voor iets dat hij niet eens zelf had uitgevonden.

De reputatie van DDT liep voor het eerst een deuk op door de verschijning van het boek Silent Spring van de Amerikaanse bioloog Rachel Carson. Het boek ging in op de impact die het ongelimiteerde gebruik van DDT had op het milieu. Het was definitief afgelopen toen in de 70-er jaren aan het licht kwam hoe schadelijk DDT eigenlijk was en de publieke opinie zich tegen het gebruik keerde. Er kwamen steeds meer landen die het product in de ban deden, te beginnen met de meest ontwikkelde landen, maar export naar derde wereld landen bleef nog steeds doorgaan. Zelfs nu zijn er nog landen waar het middel gebruikt wordt, met name India en Noord-Korea. In Afrikaanse landen wordt DDT nog steeds gebruikt in de strijd tegen malaria.
Voor mensen wordt DDT geclasseerd als "middelmatig giftig", zou gevolgen hebben voor de voortplanting en wordt direct in verband gebracht met diabetes. Mensen die veel werken met DDT krijgen neurologische problemen en astma. Verder wordt aangenomen dat DDT lever- en borstkanker kan veroorzaken. Het grootste nadeel van DDT is dat het gemakkelijk in de voedselketen terecht komt waar het zich ophoopt. Het is dodelijk voor vogels en bevindt zich in het vet van levende organismen. Residu van DDT komt nog steeds overal in het milieu voor en er zijn resten aangetroffen op de zuidpool.

De documentatie en het foldertje in het archief zijn een opmerkelijk tijdsdocument voor een middel dat niet zo onschuldig bleek als de schaapjes op het omslag deden vermoeden.

Archiefreferentie 0856-0027

Website met wetenschappelijke gegevens over DDT:
http://www.popstoolkit.com/about/chemical/ddt.aspx
Blogartikel over de grafische vormgeving van Geigy productreclame:
http://thingstolookat.blogspot.com/2009/03/geigy.html




Aris de Bruijn
The Legermuseum Archives

vrijdag 23 juli 2010

Oudejaarsavond 1915


Op televisie wordt midden in de zomer ook wel eens een kerstfilm uitgezonden dus waarom nu geen stukje over oudejaarsavond. Oudejaarsavond 1915, in de landen om ons heen wordt oorlog gevoerd, en ons leger staat aan de grenzen de neutraliteit te bewaken. De mannen van de 3e compagnie van Infanterie Regiment 16 hebben pech die nacht want zij moeten op wacht staan en zullen de jaarwisseling niet thuis in familiekring kunnen doorbrengen.
23 jaar later, in 1938, schrijft de compagniescommandant van destijds, nu intussen Luitenant-Kolonel F.E.Knoote aan het Legermuseum. Hij begint zijn brief aan Generaal Hoefer als volgt:
"De mogelijkheid is niet uitgesloten dat u zich mijner nog zult herinneren toen ik (...) dagelijks op en neer reisde met het lokaaltje en ik meermalen het voorrecht heb gehad U daarin te ontmoeten als U van uit Hattem op reis waart naar de Doorwerth".

Overste Knoote heeft kort daarvoor het museum in Doorwerth bezocht en bij deze gelegenheid een draagmedaille geschonken die hij destijds had laten slaan en uit eigen zak had betaald.
"Aanleiding tot dit feit was dat in 1915 mijn onderdeel én met Kerstmis én met Oud & Nieuwjaar in volledige sterkte en dus zonder verloven geconsigneerd was aan de grenzen. Ik heb toen de Oudejaarsavond aan die grenzen met mijn 240 man gevierd en herdacht, bij welke gelegenheid ik hen ieder een medaille uitreikte."
Op de medaille staat aan de ene zijde de tekst: Oudejaarsavond 1915 , 3 - I - 16 R.I. en op de keerzijde staan wapens met het onderschrift : God behoede Nederland
Overste Knoote was er niet helemaal zeker van of het museum wel prijs zou stellen op een dergelijk souvenir, maar de heer van Limburg Stirum overtuigt hem tijdens het bezoek dat er meer van dit soort medailles in de collectie aanwezig zijn, en toont hem de vitrines. Tot Knootes grote verbazing ontdekt hij in een van de vitrines zijn eigen medaille. Bij nadere beschouwing blijkt dit exemplaar echter slechts half afgewerkt. En Knoote probeert op een beleefde maar toch niet mis te verstane wijze in zijn brief duidelijk te maken dat hij hierover beslist niet te spreken is:
"Bij het bezichtigen van de vitrines ontdekte ik tot mijn verwondering mijn medaille in half afgewerkte toestand. U zult allicht beter weten hoe dat ding daar gekomen is dan ik, maar ik noem het slechts een surrogaat. Niemand anders dan Begeer kan U dat half afgewerkte ding hebben toegezonden. De ring mankeert, de kleur is anders en slechts één zijde is bedrukt. Het doet mij daarom genoegen U thans de medaille te hebben kunnen aanbieden zooals hij werkelijk ten getale van 240 is geslagen. Ik hoop dan ook dat U deze echte medaille in de plaats zult willen leggen van die half afgewerkte."
De situatie wordt nog iets gênanter als uit het jaarverslag blijkt dat het halfbakken exemplaar niet een naast de productielijn gevallen krijgertje is, maar dat er daadwerkelijk voor betaald is aan de firma Begeer in Utrecht. Waarschijnlijk zou de overste niet helemaal tevreden zijn geweest als hij nu in de vitrines zou kunnen kijken. Zowel zijn schenking, als de half afgemaakte versie van Begeer zijn bewaard gebleven maar wie zou ze na het lezen van de brief van Knoote ooit nog van elkaar durven scheiden.

Archiefreferentie 0834-0016
Museumobjecten 072850 en 072851

Aris de Bruijn
The Legermuseum Archives

donderdag 15 juli 2010

De Kondschapsdienst


De geschiedenis van de Militaire Inlichtingendienst begint een paar jaar voor de Eerste Wereldoorlog met iets dat Studiebureau Vreemde Legers heette, maar als officiële oprichtingsdatum geldt 25 juni 1914. Toen ontstond de derde afdeling van de Generale Staf, kortweg genaamd GS III en het was tot aan het uitbreken van de oorlog het eenmansbedrijfje van luitenant der cavalerie H.A.C.Fabius.

Taak was uiteraard het verzamelen van inlichtingen over de buitenlandse legers. Een van de manieren waarop men dit probeerde te bereiken was door middel van de Kondschapsdienst. Een netwerk van informanten, particulieren, burgers die in de buurt van de grens woonden, douanebeambten, handelaren, mensen die regelmatig en zonder argwaan te wekken gemakkelijk de grens over konden, die werden geronseld om inlichtingen te verzamelen over de buurlanden. Het ging bij de Kondschapsdienst niet bepaald om geheim agenten. Het waren eerder verkenningen door fietstochtjes en waarnemingen met de verrekijker.
Deze informanten brachten rapport uit aan de divisiecommandanten van het leger, die op hun beurt de inlichtingen weer doorgaven aan bureau GS III, het bureau van Fabius.

Na de Eerste Wereldoorlog raakte de noodzaak tot verzamelen van inlichtingen wat op de achtergrond, om in de jaren 30 weer op te bloeien. De meeste Kondschappers werden toen gerecruteerd uit kringen van mensen met een militaire achtergrond, maar toen bij de mobilisatie alle reserveofficieren werden opgeroepen zat men in één klap zonder personeel, dus dat was geen slimme zet. Er zijn voorbeelden bekend waarbij men toen uit nood maar de buurman nam, of aan de vrouw van de opgeroepen officier vroeg om een vervanger te zoeken voor haar man. De Kondschapsdienst in de Tweede Wereldoorlog wordt dan ook als een mislukking gezien. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog weken de meeste kopstukken van GS III uit naar Londen, maar Fabius en de rest van de afdeling bleven in bezet gebied achter. Wel is op last van Fabius in de meidagen van 1940 het archief van GS III vernietigd.

Zoals ook al beschreven in het stukje "Asperges voor de landsverdediging" werd op 1 december 1940 het Weermachtsarchief opgericht, met als doel het bijeenbrengen van de belangrijkste archieven van de land- en zeemacht. Op 24 maart 1941 ontving het Legermuseum in Leiden een brief van de directeur van dit Weermachtsarchief, Luitenant-Kolonel G.Fabius. (Wel familie van de H.A.C.Fabius van GS III maar op welke manier? Ik weet het niet, er zijn veel Fabiussen geweest in het Nederlandse leger). Hij schrijft:

"Met dit schrijven doe ik u toekomen een doos met penningen, welke door den Chef van den Generalen Staf omstreeks 1910 werden uitgereikt aan personen belast met den Kondschapsdienst, teneinde zich als zoodanig te kunnen legitimeren. Deze penningen zijn tusschen de aan mij gezonden archieven van den Generalen Staf gevonden. Ik vermeen er goed aan te doen, U deze voor het Legermuseum af te staan."

Ondanks herhaalde pogingen is het nog niet gelukt om de penningen in de collectie te traceren. Het is ook onduidelijk hoe ze er precies uit moeten zien. Het inlichtingenwerk en de Kondschapsdienst zijn toch met wat geheimzinnigheden omgeven. Zelfs het uiterlijk van de penningen was geheimzinnig, want Dick Engelen (zie hieronder) schrijft er over: "Om zich te kunnen legitimeren, kregen de kondschappers een penning uitgereikt waarvan vorm en opschrift de militaire commandanten bekend was".
Ik vraag me af of deze kennis nu verloren is gegaan. Zouden wij ze wel kunnen herkennen? Fabius vermeldt nog wel in zijn brief dat hij één enkel exemplaar van een penning naar het Krijgsgeschiedkundig Archief heeft gestuurd, maar dat is bij het bombardement op het Haagse Bezuidenhout in 1945 ten onder gegaan, dus dat biedt ook geen oplossing.
Bij gebrek aan iets beters heb ik een foto geplaatst van mijn eigen hondenpenning, hoewel ik nooit op de fiets en met een verrekijker de grens over ben geweest.

Archiefreferentie voor de brief van G.Fabius: 0844-0008

De geschiedenis van de militaire inlichtingendienst is beschreven in het boek van Dick Engelen, De militaire inlichtingendienst 1914-2000, Den Haag 1999
Of voor iets zwaarder geschut:
The Netherlands and World War I ; espionage, diplomacy and survival
Hubert P. van Tuyll van Serooskerken, 2001
Beide boeken zijn aanwezig in de bibliotheek van het Legermuseum.

Aris de Bruijn
The Legermuseum Archives