woensdag 20 oktober 2010

Een onverwachte gebeurtenis


Vandaag was er een onverwachte gebeurtenis. Al van voor mijn komst bij het museum stond er in mijn kamer een ladekast waarvan de laden niet meer opengingen. De sleutel was in het slot afgebroken. Ik had al eens met een tangetje gepeuterd en zelfs licht geweld gebruikt, maar er was geen beweging te krijgen in de vier laden. Nu waren er gisteren twee mensen van de technische dienst in de buurt, voor het versjouwen van een bureau, en die wisten wel raad. Met de grootste schroevendraaier die het museum rijk is verfrommelden ze de ladefronten binnen de kortste keren als een leeg colablikje.
Nu had ik niet echt verwacht een lang verborgen schat aan te treffen, maar de inhoud van de kast was ronduit teleurstellend. Vier laden barstensvol met lege hangmappen.
Totdat ik vandaag nog eens één voor één alle mappen naliep. Er bleek er toch zo maar één tussen te zitten waar wél iets in zat. Zes fotoansichtkaarten en een brief.

De zes fotoansichtkaarten zijn uit de mobilisatieperiode 1914-1918, en tonen groepjes Nederlandse militairen, op een aantal kaarten vergezeld van enkele burgers. De begeleidende brief is uit 1994 en hieruit blijkt dat de kaarten een schenking zijn van een streekarchief, waarvan ik de naam niet zal noemen want het is toch een beetje een genante zaak dat het materiaal zo verloren is geraakt.

Het is me niet helemaal duidelijk of alle kaarten van dezelfde persoon afkomstig zijn, of aan dezelfde persoon geadresseerd waren, want ik zie twee verschillende handschriften en maar één adres. Twee kaarten zijn in ieder geval van ene Jan, die de kaarten als volgt beschreef:

Waarde Ouders
Bij deze meld ik u, goed overgekomen te zijn om 3 uur. En het kiekje is niet goed uitgevallen. Nu, brief volgt, moet op wacht.
Gegroet
Jan


en de tweede lijkt er sterk op maar dan net even anders:


Waarde Ouders
Bij deze stuur ik u het kiekje. Goed uitgevallen hè. Nu ik moet op wacht.
Dag


De kaarten hebben geen adres en geen poststempel dus zijn waarschijnlijk verstuurd in een envelop.
De eerste kaart is een beetje donker en misschien dat hij daarom niet goed beviel, maar eigenlijk mankeert er niet zo veel aan. Het is een groep van zes soldaten, en een moeder met twee kleine kinderen. Een van de soldaten heeft een kind op schoot en zou misschien de vader kunnen zijn. De tweede kaart laat vijf soldaten zien en drie burgers, waarvan een man en twee vrouwen. De man en een van de soldaten hebben bij wijze van grap hun hoofddeksel verwisseld, maar ze kijken er uiterst serieus bij. Er zijn in ieder geval drie soldaten die op beide foto's staan, van de rest ben ik niet zeker. Twee van die drie soldaten zouden wel broers van elkaar kunnen zijn zo veel lijken ze op elkaar. De foto's lijken ook voor dezelfde bakstenen muur genomen te zijn.


Een derde beschreven kaart, in een ander handschrift, is wel echt verstuurd en draagt het poststempel Tilburg, 3.X.17. 3-4 N *7*
De stempelkundigen weten dat het stempel een typenraderstempel is met uur-, dag-, maand-, en jaaraanduiding in de middelste balk. Na de datum 3 oktober 1917 staat de aanduiding 3-4 voor het tijdvak en de N voor namiddag. De sterretje 7 sterretje aanduiding is een volgnummer om te kunnen vaststellen door wie de kaart is gestempeld. Ja mensen, toen hadden we nog posterijen en postkantoren en postbodes en zo. Ook deze portovrije veldpost werd uiteindelijk bezorgd door de reguliere PTT. De kaart is gericht aan Mejuffrouw A.Carléé in Amsterdam en getekend met :

Hartelijk Gegroet, Mil. J.B.Carléé. 7-2-1-4e Divisie, Veldleger.
Op deze foto staan zeven soldaten voor een tent. Het model wigwam. Ik heb ook een foto van mijn eigen opa voor zo'n tent, met zijn voeten in een teiltje met water.
In deze groep van zeven soldaten meen ik weer de twee broers te herkennen. De twee pijprokende types op de eerste rij. En het zouden zo maar broers van Eric Hulzebosch kunnen zijn als ze nu geleefd hadden.

De andere kaarten zijn niet beschreven en zijn van grotere groepen soldaten. Tussen een van de groepen ook weer een aantal burgers, een klein tafeltje waar gebruiksgoederen op zijn uitgestald. Als ik door een loep kijk dan zie ik een sigarendoosje, twee fotolijstjes, een paar pakken levensmiddelen, iets waarop "Het Leven" gedrukt staat, een doosje met de letters HZK.
Volgende week zal ik de hele zaak overdragen aan Theo, dan kan het met een vertraging van zo'n zestien jaar alsnog in de collectie worden opgenomen.





Aris de Bruijn
The Legermuseum Archives

woensdag 13 oktober 2010

Géén kanon voor het Legermuseum


Dat een verwerving van een object ook wel eens niet lukt blijkt uit het volgende geval. Toen ik de bovenstaande tekening voor het eerst zag dacht ik dat het ging om een plattegrond van een ruimte, zoiets als een opstelling voor een tentoonstelling. Maar nee, het bleek te gaan om een kanon. Het is een schild van een kanon recht van voren gezien.
De tekening is een bijlage bij een brief van Cadet-Sergeant J.C.Hopperus Buma, van 23 december 1946, waarin het Legermuseum attent gemaakt wordt op een kanon dat mogelijk een aanwinst voor het museum zou kunnen zijn. In zijn eigen woorden:

"Enige tijd na de wapenstilstand van 7 mei 1945 kwam hier in Deventer een Engelse bezetting. Deze beschikte o.a. over enige stukken P.A.G. Het viel mij terstond op, dat zich onder hun six-pounders ook een Duits stuk P.A.K. bevond. Het is een van die kanonnen van 3,7 cm waarmee de Duitse stormtroepen bewapend waren. Het heeft iets van onze P.A.G. van 4,7 cm, alleen zijn deze stukken van een pantserplaat voorzien. Interessant is dat het door de Engelsen op de Duitsers is veroverd, en daarna in de gehele verdere veldtocht tegen de Duitsers is gebruikt. Op zichzelf geen zeldzaam exemplaar, is het in militair historisch opzicht zeer de moeite waard, daar de bedienende manschappen, op het pantserschild geschilderd hebben aan welke gevechtshandelingen het stuk heeft deelgenomen. Bovendien zijn er vele emblemen van Engelse regimenten op geschilderd. Bijgaand schetsje geeft U hiervan een indruk.
Er zijn plannen om het stuk in het Waagmuseum te Deventer te plaatsen. Volgens mij echter komt het stuk meer in aanmerking om in het Legermuseum geplaatst te worden, daar het hier niet plaatselijke of gewestelijke historie betreft, maar iets van algemeen militair historische aard. Bovendien is het, aan de zijde van het Waagmuseum, nu al een jaar lang bij plannen gebleven, en staat het stuk te roesten op het binnenplein van het Stadhuis te Deventer.
De Engelsen hebben bij hun vertrek, de banden en richtapparaten van het kanon afgesloopt. Overigens verkeert het stuk in redelijken staat. Indien U met mij eens bent, dat dit stuk voor het nageslacht moet worden bewaard, zoudt u zich met de Burgemeester van Deventer in verbinding kunnen stellen."


De directeur van het Legermuseum is het inderdaad met de briefschrijver eens, en onderneemt de nodige stappen om het stuk in bezit te krijgen, maar blijkbaar is de burgemeester van Deventer niet de enige die beslist over het lot van het kanon. Op 17 mei 1947, dus 5 maanden later, komt een brief van Luitenant-Kolonel Siliacus, Hoofd van de Dienst van den Kwartiermeester-Generaal, Dienst Beheer Achtergelaten Materieel. Alleen zo'n dienst en zo'n titel al, verklaren een beetje de maandenlange procedure. Hij bericht:

"...dat ik heden te Deventer den bewusten vuurmond heb aangetroffen op het terrein van de gemeentepolitie onder welks bewaking hij gesteld is. De beschrijving, zooals gegeven door den cadet-sergeant J.C.Hopperus Buma is juist; aan den vuurmond ontbreken echter de richtmiddelen, het sluitstuk met uitwerper, de luchtbanden, onderdelen en verwisselstukken.
Naar inlichtingen mij verstrekt door den Heer G.J. Lugard, Directeur van het museum "De Waag" te Deventer, zou de vuurmond door de betrokken militaire autoriteiten aan de stad Deventer zijn geschonken, welk geschenk door de gemeente op zodanige hogen prijs werd gesteld, dat men besloten heeft het voorwerp in het museum "De Waag" onder te brengen, en te bewaren als historisch gedenkteken.
Daar waar de vuurmond voor het Leger geen of weinig waarde heeft, bestaan mijnerzijds geen bezwaren tot het verlenen van de nodige medewerking in deze, aan de gemeente Deventer en moge ik U adviseren het kanon ter plaatse te laten."


En daarmee was voor het Legermuseum de zaak afgedaan, de kans op verwerving verkeken. Wat is er verder met het kanon gebeurd? Het museum "De Waag", het huidige Historisch Museum Deventer, is misschien nog steeds de eigenaar, maar op internet staat een berichtje van Wim Rietkerk uit Ede, die weet te vertellen dat het stuk jarenlang op het terrein van de Boreelkazerne heeft gestaan.
"Toen ik daar in de periode 1981-83 werkte bij 541 Vbdbat, heb ik dit kanon met twee collega's helemaal opgeknapt, gangbaar gemaakt en persoonlijk de opgeschilderde emblemen gerestaureerd."

Tegenwoordig staat het kanon in volle glorie in Deventer opgesteld bij de Deventerbrug, waar hij is overgeleverd aan elementen en andere invloeden. Het stuk met zijn Engelse achtergrond staat er "ter nagedachtenis van de bevrijding door de Canadezen". Nou ja, whatever, ze spreken ook Engels.

Archiefreferentie: 1145
Link naar website " Oorlogsmusea" waar ook de recente plaatjes van het kanon vandaan komen: http://www.oorlogsmusea.nl/artikel/7405/PAK-36-Kanon-Deventer.htm

Aris de Bruijn
The Legermuseum Archives

zondag 10 oktober 2010

Hongerwinter 44/45 bij het Legermuseum


Een stukje geschiedenis van het Legermuseum, aan de hand van brieven van directeur van Houten en het jaarverslag 1944.

Nederland maakte in de winter van 1944-45 moeilijke tijden door. Na de mislukte operatie Market Garden en de algemene spoorwegstaking van 17 september 1944, blokkeerden de Duitsers alle voedseltransporten naar het westen van het land, waardoor in korte tijd grote voedseltekorten ontstonden. We kennen allemaal de sinistere beelden van de hongertochten en van mensen die op de bodem van de gamellen van de gaarkeuken nog iets eetbaars bij elkaar trachten te schrapen. Bekend is ook de massale houtkap voor het stoken van kacheltjes. 's Nachts trokken de mensen met bijlen en zagen de plantsoenen in om hout te verzamelen. Het kappen was verboden maar de nood was zo hoog dat het verbod niet te handhaven viel. (Op de foto: in beslag genomen zagen en bijlen)

Het Legermuseum was gedurende de oorlog verdeeld over twee locaties. Het kasteel Doorwerth was nog tot september bemand geweest door een slotbewaarder en magazijnknechten. Over de toestand van het kasteel tastte men daarna enige tijd in het duister. Brieven aan de Wehrmachtsbefehlshaber in den Niederlanden om opheldering bleven onbeantwoord. Een eerste vermoeden omtrent de treurige afloop kwam in een brief van Sigurd von Ilsemann, de adjudant van Kaiser Wilhelm.
In Leiden werd sinds 1940 in opdracht van de Rijksgebouwendienst gebouwd aan de restauratie van het Pesthuis. In 1944 ook nog, maar er waren belemmeringen op elk gebied. Aanvankelijk werd aangenomen dat het werk tegen het einde van het jaar gereed zou zijn. De bouwvakarbeiders kregen echter in december te maken met de Arbeitseinsatz voor alle mannen tussen 16 en 40 jaar, en het werk kwam nagenoeg stil te liggen.
Er waren geen brandstoffen meer om de gebouwen te stoken. Alleen de timmermanswerkplaats kon nog verwarmd worden zodat al het werk, zowel van directie als personeel, daar verricht werd. Doordat niet gestookt kon worden ondervond de collectie hinder van roestvorming, en omdat bij stormweer herhaaldelijk pannen van het dak waaiden werd het op zolder opgeborgen lederwerk nat en kreeg last van schimmelvorming. Alle arbeidsuren van het personeel gingen op aan herstellingen van het materieel. Het museumpersoneel van Leiden werd, ondanks een verzoek tot vrijstelling, gevorderd om voor kortere of langere tijd werkzaamheden voor de Duitsers te verrichten, maar van de Arbeitseinsatz is het personeel volgens het jaarverslag 1944 verschoond gebleven.
Sommige personeelsleden hadden zich enige tijd schuilgehouden, maar na korte tijd was iedereen weer aan het werk.

Op het Legermuseum slaat men zich door honger en koude heen, soms letterlijk.
Een brief van directeur van Houten [zonder geadresseerde; waarschijnlijk aan onderdirecteur Hartmans] op 2 december 1944:

" Wat de gratificatie betreft, begin ik er over te denken, Bonneur te schrappen. Hij is eerst weggebleven van 21 september tot 2 october, en daarna van 16 tot 22 november. Nu heb ik hem sedert 23 november niet meer gezien. Hij is boven 40 jaar, dus is er geen reden zich schuil te houden, doch hij zit liever achter de kachel. Wat vindt ge hiervan?
Eergisteren plusminus 8 uur voormiddag, was er op het Pesthuis-terrein volslagen oorlog over een omgezaagden boom, dien Evert wilde weghalen. Van Gent was slaags met Evert Jr. en kreeg toen van Evert Sr. een tik met een klomp op zijn oog. V.d.Burg slaags met Paats, waarbij Mevr. P. van haar edele stokje ging. Ten slotte waren van de weeromstuit Juffr.v.d.Burgh met Juffr.v.d.Berg aan het moelvechten geslagen, zoodat laatstgenoemde in tranen in de Regentenkamer [zat]; de diplomatieke betrekkingen tusschen laatstgenoemde dames zijn echter spoedig weer hervat.
Dat houtgezeur hangt mij echter al lang de keel uit. Deze geschiedenis heeft dan ook de deur dicht gedaan, en heb ik Jonker van den Plantsoendienst opgebeld en hem medegedeeld dat er spoedig geen boom meer zou staan. Hij deelde mij toen mede, dat al het hout ten behoeve van de gemeente zal worden gekapt. Ik heb hem daarop nog gezegd, dat ik er prijs op stel de boomen op de touwbaan nog te behouden; als het mij ten minste gelukt, deze voor omhakken te behoeden.
[...]

Tusschen de bedrijven kook ik nu en dan in de Regentenkamer bruine boonen, en Liesveld in de werkplaats soep of bakt hij meelkoeken, daar hij voor zijn middageten maar 3 sneedjes brood meekrijgt. Het is eigenlijk een krankzinnige toestand.
[...]
Met het eten loopen we hier ook vast. Geen enkel restaurant krijgt meer toewijzing van aardappelen, zoodat je overal uitsluitend soep kunt krijgen. Alleen de Turk geeft nog een groenten-goulasch zonder aardappelen, die m.i. oneetbaar is, en verder alleen zwarte schotels. Het zal trouwens wel niet lang duren; vandaag was zelfs de zwarte schotel al weer matig. De Doelen geeft nog 3 dagen per week te eten, doch volgende week waarschijnlijk voor het laatst."

Brief op 5 december 1944:

" Maandag is plotseling Bonneur weer opgedoken. Ik heb hem zoo onvriendelijk toegesproken, dat hij het wel niet weer zal wagen weg te blijven. Ik kan hem nu moeilijk de gratificatie onthouden, doch zal hem waarschijnlijk korten op het nog te verdeelen hout, daar hij hieraan niet heeft medegewerkt. Hier loopt het gerucht, dat de provincies Noord- en Zuid-Holland prijs gegeven zullen worden, neutraal verklaard en onder Zwitsersch bestuur komen. Te mooi om waar te zijn."

Archiefreferentie: 1133
Foto's: Nederlands Fotomuseum

Aris de Bruijn
The Legermuseum Archives

dinsdag 5 oktober 2010

Onbekende foto's ontrafeld


Bij het Legermuseum kwamen nog niet zo lang geleden een aantal foto's tevoorschijn van militairen die werkzaamheden uitvoeren in een ondergrondse steengroeve. De bundel waar ze deel van uitmaakten was gemarkeerd als "Eerste Wereldoorlog", en er was voorlopig geen reden om daar aan te twijfelen, hoewel in een tweede bundel met hetzelfde opschrift ook Duitse luchtfoto's voorkwamen van de Maginotlinie, dus enige voorzichtigheid was wel geboden.
Bij de uitgangspunten Eerste Wereldoorlog en steengroeve is de associatie met Frankrijk snel gemaakt. In het stroomgebied van de rivieren de Oise en de Aisne wemelt het van de oude steengroeves in de krijtbodem. Van de groeves die vlak bij de frontlijn lagen is door de soldaten zeer veel gebruik gemaakt als schuilplaats, en op tal van plaatsen zijn daar nu de sporen nog van terug te vinden.
Steengroeves die dicht bij de frontlijn lagen werden soms gebruikt als vertrekpunt voor het graven van tunnels naar de vijand om ze te lijf te gaan met mijnenoorlog. Het was goed mogelijk dat de foto's iets in deze richting lieten zien. Ik ging er dus meteen van uit dat het foto's waren in een Franse steengroeve. Eerste vraag die bij me opkwam was de nationaliteit van de militairen op de foto's. Behalve Duitsers en Fransen hebben er ook Belgen, Engelsen, Russen en Amerikanen onder de grond gezeten in deze frontsector. De activiteiten waren ook niet meteen duidelijk. Een aantal soldaten is bezig met het boren van een gat in het plafond. Het type boormachine kende ik uit de voorschriften van de Franse Ecole des Mines. Maar wat had de militair met pet voor een apparaat in zijn handen en wat was de soldaat aan het doen met die lange stok in zijn linkerhand?
Ik besloot de foto's te scannen en ze te sturen aan een aantal bekenden waarvan ik wist dat ze thuis waren in de materie en die misschien iets meer zouden kunnen zeggen over de nationaliteit van de soldaten, de activiteiten die ze uitvoeren en over de locatie. Ik stuurde ze naar mensen in België, Frankrijk en Nederland, en die stuurden ze op hun beurt ook weer door. De vragen verschenen op forums op internet en ik had het idee dat binnen korte tijd de halve wereld er mee bezig was.
Ik kreeg de meest uiteenlopende antwoorden. Dat was verontrustend want dan ben je nog steeds nergens zeker van. Toch is er een (meest waarschijnlijke) oplossing uit de bus gekomen, en de credits voor ontrafeling komen toe aan Cees Spanjer, zelf ooit mineur bij de genie.
De verklaring lag veel dichter bij huis dan ik aanvankelijk dacht. Ik toon hier drie van de foto's en een detail uit de eerste. De totale serie is groter maar dit zijn de meest aansprekende scènes.

Het is een serie foto's van Nederlandse genisten (sappeurs/mineurs) uit de periode 1914-1918 bij een oefening in een mergelgroeve in Zuid-Limburg. De foto's lijken geposeerd om te dienen als instructiefoto's.
Op de eerste foto (aan het begin van dit artikel) zijn twee soldaten bezig met het boren van een gat in het plafond. De boorkop aan het uiteinde van de stang is niet te zien want die bevindt zich in het gesteente. De boordiameter kan veel groter zijn dan de dikte van de stang. De draaibeweging van de boor wordt verkregen door het bedienen van de zijstangen waar een ratelmechanisme in zit. De (sergeant? korporaal?) links heeft in zijn handen een antenne van een afluisterapparaat, een zogenaamde geophone, die in het boorgat gestoken kan worden. Het apparaat dient voor afluisteren van de vijand die boven de grond kan zitten of in de nabijheid aan het graven is. Aan de verlichting rechts en de sterke slagschaduwen is te zien dat er lampen op staan voor de uitlichting van de scene. Ook valt er achter de mannen daglicht naar binnen. Daaruit kunnen we opmaken dat het geen werkelijke frontsituatie is.


Op deze tweede foto zijn soldaten bezig met het boren van een gat in het plafond. Op de grond en op de voet van de boor ligt boorgruis afkomstig uit het gat daarboven. Een doek zit om het mechanisme van de boor gewikkeld om het te beschermen tegen boorgruis.

De derde foto toont een soldaat die bezig is met het aanbrengen en aanduwen van een kleine springlading ("petard" in het Frans) in een boorgat.
Er zijn twee maal vier boorgaten te zien. Vier op rij boven de grafitti links, en vier op een rij bovenaan waar de soldaat in het laatste gat bezig is. Het voorlaatste gat lijkt uitgebroken te zijn.
De grafitti linksonder vermeldt:
W v Halm
Korpr der Genie
Daarboven:
W v H (dezelfde persoon dus)


Uiteindelijk speelt het zich dus helemaal niet af in Frankrijk maar gewoon in Nederland en met Nederlandse militairen. Ik had dus net zo goed mijn zoektocht in het Legermuseum kunnen beginnen want alle expertise is daar waarschijnlijk aanwezig. Het kan zijn dat ik er met de nu gevormde oplossing nog helemaal naast zit, of dat er op z'n minst correcties aangebracht moeten worden. Ik hoor het dan ook graag als iemand er meer over kan vertellen.

In de fotoserie zaten ook enkele opnames van een ontstekingskastje. In de Franse instructieboekjes staan dergelijke kastjes opengewerkt afgebeeld. Het principe is dat van een dynamo. Door te draaien aan een sleutel wordt een stroompje opgewekt. (In Amerikaanse films is het altijd een model waar een fietspomp-achtige beweging wordt uitgevoerd). Het kastje zit door middel van electrische leidingen verbonden met de ontsteker van de springlading. De kleine springladingen zoals op deze foto's waren bedoeld om zich een weg te banen door het gesteente. Grote springladingen van vele kisten vol met explosieven waren om de tegenstander in de lucht te laten vliegen, zoals in het volgende 12 seconden durende filmpje van een mijnexplosie op 1 juli 1916.
(Voor de liefhebbers: Hawthorn Crater, gefilmd door Geoffrey Malins, misschien wel het meest getoonde stukje uit zijn film The Battle of the Somme.)



Aris de Bruijn
The Legermuseum Archives

donderdag 30 september 2010

Inscripties op wapens


Inscripties op wapens zijn een belangrijk middel om een wapen te identificeren. Daarmee vertel ik niets nieuws. Ik doel nog niet eens op het wapennummer, maar vooral ook op persoonlijke unieke kenmerken, zoals namen of symbolen. Zo had ik graag een zoekresultaat gehad bij de aanduiding van een vijfpuntige ster en het jaartal 1938 op een geweer. Het gaat hierbij om de beschrijving van een schenking door de uniformkundige Dr. F.G. de Wilde, van een geweer van de Binnenlandse Strijdkrachten uit Bussum, op 9 oktober 1945. Uit de schenking, die 24 items omvat, heb ik alleen een shako kunnen identificeren.
Meer succes had ik bij de omschrijving van een inscriptie op de kolf van een revolver, van een adelaar tegen de achtergrond van een Amerikaanse vlag en het woord Liberty. Het is een schenking uit 1932 van de heer Tutein-Nolthenius van een Smith & Wesson revolver die omstreeks 1860 door een familielid uit Amerika werd meegebracht.

Dat in de Verenigde Staten ook op een minder uitbundige manier inscripties toegepast worden haalde begin dit jaar het nieuws. De Amerikaanse wapenfabrikant Trijicon raakte in opspraak toen bekend werd dat het bedrijf wapens voorzag van een gecodeerde verwijzing naar een bijbeltekst. Op de vizieren werd de code 2COR4:6 gegraveerd, een verwijzing naar het bijbelboek Korinthiërs: "Want God, die gezegd heeft dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is Degene Die in onze harten geschenen heeft, om te geven verlichting der kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus". Er zijn ook verwijzingen naar andere bijbelboeken geweest. Op de foto de aanduiding 32JN8:12 die staat voor: "Then spake Jesus again unto them, saying, "I am the light of the world: he that followeth me shall not walk in darkness, but will have the light of life". De inscripties zijn subtiel aangebracht en volgen direct achter de cijfers van het serienummer.
Het Amerikaanse leger, dat altijd beweerde in Irak en Afghanistan geen kruistocht te voeren tegen de Islam, en niet de bedoeling had om moslims te bekeren, was ernstig in verlegenheid gebracht toen de pers zich op het onderwerp stortte. Het werd ook gezien als een schending van de scheiding tussen kerk en staat. De moslimwereld reageerde geschokt en de wapens werden prompt aangeduid als "Jesus Rifles".
Trijicon was zich van geen kwaad bewust en zei dat het al twintig jaar dit soort verwijzingen aanbracht op wapens zonder dat er ooit klachten waren geweest. Het bedrijf, opgericht door een gelovig christen, liet door een woordvoerder weten: "Zolang onze mannen en vrouwen in gevaarlijke situaties verkeren, zullen we doorgaan er alles aan te doen om ze te voorzien van geavanceerde technologie en de nooit aflatende steun en gebeden van een dankbare natie."
Trijicon heeft nu beloofd geen teksten meer op de wapens te zetten en al geleverde items gratis om te bouwen.
We lijken nog niet veel geleerd te hebben sinds het "Gott mit uns" van vroeger, maar een woordvoerder van het Amerikaanse leger voerde ter verdediging aan dat ze ook niet stoppen met het gebruiken van bankbiljetten omdat er "In God We Trust" op staat.
Rest bij mij nog de vraag of zo'n wapen met bijbelverwijzing, door alle commotie, nu extra museale waarde heeft gekregen.


Archiefreferentie 0857-0027: Inventaris van goederen ontvangen 9 oktober 1945, van F.G. de Wilde
Museumobject 6-schots randvuurrevolver Smith & Wesson: 001081
Archiefreferentie: 0840-0041: schenking van de heer J. H. Tutein Nolthenius te Amersfoort

Aris de Bruijn
The Legermuseum Archives

zondag 26 september 2010

Duitse soldaten na 95 jaar teruggevonden


Zo af en toe worden nog wel eens gesneuvelde militairen uit de Eerste Wereldoorlog teruggevonden. Deze zomer was het weer raak in de Franse Champagne. Het was dit keer geen opgraving voor een industriewijk, autosnelweg of kanaal. Een grote, met wortel en al omgewaaide boom had enkele jaren geleden al één lichaam aan het licht gebracht, en na metingen door Franse archeologen werden er onlangs nog zes aan toegevoegd. In dit stukje enkele gegevens over de identiteit van de soldaten en het verhaal achter hun lot.

Bij de in totaal dus zeven skeletten zijn twee identiteitsplaatjes gevonden, die duidelijk maken dat het hier gaat om soldaten van de 4e compagnie van Fusilier-Regiment 35. Het zijn Paul Brandt geboren in Roitzsch, Torgau op 27 april 1895, en Ernst Gehlsdorf uit Baruth geboren op 28 januari 1894. Het regiment is Brandenburgs maar Paul Brandt is blijkbaar later via een andere weg bij het regiment gekomen. Op zijn identiteitsplaatje staat het Rekruten-Depot 954 van het Ersatzbataljon van Infanterie Regiment 72 aangegeven, en dat correspondeert met Torgau, in Sachsen.
De regimentsgeschiedenis van Fusilier-Regiment 35 beschikt over een uitgebreide namenlijst van alle gesneuvelde officieren, onderofficieren en manschappen. Beide soldaten zijn niet alleen afkomstig uit dezelfde compagnie, maar ze zijn ook gesneuveld op dezelfde dag, wat het vermoeden doet rijzen dat alle soldaten op hetzelfde moment bij elkaar begraven zijn. De namenlijst uit de regimentsgeschiedenis geeft maar liefst 19 namen uit de 4e compagnie die 6 oktober 1915 als overlijdensdatum hebben.


Het regiment heeft op 4 oktober, dus twee dagen voor de overlijdensdatum, nog 700 nieuwe rekruten gekregen. Misschien maakten deze soldaten wel deel uit van die groep. Het zou heel tragisch zijn want dat zou betekenen dat ze slechts twee dagen aan het front zijn geweest. In totaal verloor het regiment op de 6e oktober 149 doden, 316 gewonden en waren 34 man onvindbaar verdwenen. Veel slachtoffers op dezelfde dag. Reden om eens te kijken wat er gebeurde op deze dag en op deze plek in de Champagne.

Gevechtshandelingen september-oktober 1915
Op 25 september 1915 was het grote Franse herfstoffensief van start gegaan met als doel een doorbraak te forceren in de nu al een jaar durende stellingenoorlog. Het Duitse front in de Champagne werd ingedrukt bij Souain, Tahure, Ripont en bij Massiges, maar nergens echt doorbroken. Na enkele dagen harde strijd nam de activiteit iets af om op adem te komen. De adempauze werd door beide partijen benut om uitgeputte en uitgedunde eenheden uit het front weg te nemen en te vervangen door nieuw aangevoerde troepen. Het Duitse Fusilierregiment 35 was op de 25e in allerijl vanuit Lotharingen op transport gesteld om het bedreigde front van het VIIIe Reservekorps te helpen versterken. De regimentssector was bij de Chausson Ferme, aan de voet van de Kanonenberg waar het regiment al een dag na aankomst in de strijd geworpen werd in een poging om hoogte 199 terug te winnen. Een onmogelijke opdracht. Uitgeput, in volledig onbekende omgeving, en volgens het verslag in de regimentsgeschiedenis ook nog onder vuur genomen door de eigen artillerie.
"... en ook de eigen artillerie schoot van achteren en uit de oostelijke flank, maar helaas vrijwel uitsluitend op de eigen infanterie. Omdat geen enkele verbinding naar achteren bestond kon hier niets aan gedaan worden. De zwakheid van de eigen artillerie werkte in dit geval in ons voordeel."
Het regiment verloor die dag 122 doden, 252 gewonden en 44 vermisten.
De daaropvolgende dagen probeerde het regiment te overleven in het aanhoudende Franse artillerievuur, in een gebied vrijwel zonder loopgraven, zonder draadhindernissen en zonder onderkomens. De Fransen vielen herhaaldelijk aan, ook in de aangrenzende sectoren, zonder er in te slagen echt door te breken.
Na dagen van regen kwam op 1 oktober voorzichtig de zon door, wat aan de ene kant verwelkomd werd door de soldaten, maar tegelijk ook de vijandelijke artillerie de gelegenheid bood om met waarneming vanuit de lucht de beschietingen op te voeren. Een zwaar Frans artillerie- en mijnenwerpervuur in de nacht van 5 op 6 oktober kondigde een nieuwe Franse aanval aan. 's Morgens vroeg verhevigde het bombardement tot trommelvuur in drie golven, twee van een kwartier en een van een half uur. De beschieting deed loopgraven instorten en twee machinegeweren raakten bedolven. Een derde machinegeweer werd onbruikbaar door een voltreffer van een mijnenwerper. De infanterieaanval begon om 6.20 uur Duitse tijd (5.20 uur Franse tijd)

Voor een gedetailleerd beeld van de aanval kunnen we gebruik maken van de Franse Journaux des Marches et Opérations (JMO), van de 32e divisie en van de twee regimenten die de aanval uitvoerden, het 143e en 80e Regiment Infanterie. Bij de divisie vinden we zelfs een paar kaartjes van de frontsector.


Het aanvalsplan voor de Franse infanterie ging uit van drie opeenvolgende aanvalsgolven, elke golf bestaande uit drie compagnieën van het 143e aan de rechterkant met als aanvalsdoel de Chausson Ferme en drie van het 80e op links met als doel het Bois du Marteau. De vijandelijke linies lagen dicht bij elkaar, maar een deel van de Duitse loopgraven liep over de achterliggende helling en was voor de Fransen niet zichtbaar. De Duitsers bezetten tevens de noordhelling van Mont Tétu (Hoogte 199). Aan weerszijden van het aanvalsterrein waren Duitse mitrailleuropstellingen, die de beide flanken konden bestrijken. Voor de Duitse linies was nauwelijks sprake van draadhindernissen, uitgezonderd voor de tranchée d'Ukermarck (Hohlweg).

Volgens het Franse aanvalsplan moest de artillerie tot middernacht schieten en daarna de intensiteit van het vuur langzaam verminderen om vlak voor begin van de aanval, om 5.10 uur weer in alle hevigheid los te barsten. Om 5.20 uur, het begin van de infanterieaanval moest dan het vuur verlegd worden naar de 2e Duitse linie. Op deze manier zou een verrassingseffect bereikt worden. Van dit plan kwam niet veel terecht omdat de artillerie van de naburige legerkorpsen zich er niet aan hield en de hele nacht doorging met schieten. De Duitsers meenden er zelfs drie fases met trommelvuur in te herkennen, wat helemaal niet gepland was.

De compagnieën op de beide vleugels van de aanval vielen na het verlaten van hun loopgraven onmiddellijk ten prooi aan geweer- en mitrailleurvuur vanuit de werken van de boyau d'Uckermarck en la Chenille. Ze leden gevoelige verliezen en konden niet anders doen dan blijven liggen waar ze op dat moment waren. De tweede aanvalsgolf, die slechts enkele seconden later vertrok, onderging hetzelfde lot. In enkele seconden waren alle commandanten van de aanvallende compagnieën gedood of gewond. De plotselinge stilstand van de aanval was niet alleen het gevolg van het Duitse mitrailleurvuur, maar werd ook veroorzaakt door het prikkeldraad, dat de artillerie niet had kunnen vernielen door hun ligging op de achterliggende helling. Om dezelfde reden waren ook de vijandelijke loopgraven nog intact.

In het midden van de aanval verliep de strijd iets anders. Deze compagnieën hadden het geluk dat ze een stuk loopgraaf voor zich had dat de vorige dag vernield was door een loopgraafmortier van 58 mm. Ze konden deze loopgraaf bereiken en oversteken. Ze verdwenen daarna uit het zicht achter de helling die afdaalde naar de Chausson Ferme en gingen verder naar het opgegeven doel, de noordelijke rand van het Bois de la Chenille. Ze werden toen echter in de rug beschoten door Duitsers die zich schuil hadden gehouden op de helling. Salvo's mitrailleurvuur kwamen van rechts- en linksachter, en een tegenaanval door reserves recht van voren. Al deze ver naar voren geraakte eenheden konden niet worden ondersteund en waren aan hun lot overgeleverd. Dat betekende hun einde. Uitgezonderd enkele geïsoleerde gevallen keerde van deze troepen die over de Duitse loopgraven heen waren gegaan niemand terug. Veel van hen zijn als gevangenen in handen van de Duitsers gevallen.
In de nacht keerden nog wat mannen, soms lichtgewonden, uit het voorterrein terug waar ze zich hadden kunnen schuilhouden. Alles bij elkaar was de aanval op niets uitgelopen en had vele verliezen gekost.
Bij het 143e zijn 36 doden, 129 gewonden en 152 vermisten. Bij het 80e zijn de getallen resp. 58 doden, 174 gewonden, 78 vermisten.


De Franse aanval was dus uitgelopen op een volslagen mislukking. Als hoofdreden hiervoor wordt het Duitse mitrailleurvuur genoemd, dat meteen aan het begin van de aanval vele aanvallers uitschakelde. Maar ook wordt de artillerie aangewezen, die de Duitse loopgraven achter de helling niet had kunnen raken. De schoten van de 75 mm vielen te kort en de spreiding van de munitie was erg groot, er waren te weinig zware batterijen, er was onvoldoende munitie, de verdedigingswerken van de tranchée d'Ukermarck waren niet of onvoldoende vernield, het verrassingseffect van de artillerie was verloren gegaan door zwijgen van de artillerie op het moment dat de beschieting het hevigst had moeten zijn. Verder werd als reden aangevoerd het te laat arriveren van het 58 mm loopgraafgeschut en de vermoeidheid van de troepen waarvan sommige al 6 dagen in de voorste linie zaten.

Als we de Franse en de Duitse lezing over elkaar leggen, dan zien we dat de delen van het 143e en het 80e die er in slagen om de Duitse loopgraven te bereiken, terecht komen op de grens tussen de 4e en 9e compagnie van Füsilier-Regiment 35. Naast deze twee compagnieën is er sprake van een tegenaanval waar de 3e compagnie aan deelneemt. We moeten er dus rekening mee houden dat nu gevonden slachtoffers uit deze drie compagnieën afkomstig kunnen zijn wat het aantal mogelijke namen in totaal op 68 brengt. Daar komt nog bij dat in de namenlijst van het regiment ook namen uit andere compagnieën vermeld worden die op deze dag en op deze plaats gesneuveld zijn, hoewel ze in de gevechtsverslagen niet genoemd worden.
Behalve de twee gevonden naamplaatjes zijn er nagenoeg geen mogelijkheden om de overige lichamen te identificeren. Na de opgraving door de Franse archeologen zijn de stoffelijke resten van de soldaten intussen overgedragen aan de Duitse gravendienst, die ze waarschijnlijk ter zijner tijd een plaatsje zal geven op een begraafplaats in de buurt. In deze regio is dat meestal Chestres. Maar of het met het grote ceremonieel gepaard zal gaan zoals we dat altijd bij de Engelsen zien, valt te betwijfelen.


De oorlogsdagboeken van Franse eenheden zijn te vinden op de site van het Franse militaire archief:
http://www.memoiredeshommes.sga.defense.gouv.fr/jmo/pages/index.html
JMO des grandes unités - voor brigades, divisies en hoger
JMO des régiments et bataillons - voor regimenten en kleiner
De Kriegstagebücher van de Pruisische eenheden zijn in april 1945 verloren gegaan bij een bombardement op Potsdam.

Aris de Bruijn
The Legermuseum Archives
Met dank aan Eric Marchal van de Association "La Main de Massiges" voor de foto's van de opgraving.

donderdag 23 september 2010

De Haagse jeugd


Het Legermuseum voerde in 1958 een waar publiciteitsoffensief. Men plaatste onder andere een reclamebord aan de weg, waar de gemeente later bezwaar tegen maakte omdat er geen vergunning was en het ontsierend voor de omgeving werd geacht. Een ander middel was het maken van reclame in het openbaar vervoer met scheurbiljetten in de tram. We kennen dat wel, foldertjes die in een hoekpunt een gaatje hebben en die dan met een stapel tegelijk aan een touwtje hangen.
Er werd offerte uitgebracht door drukkerij en reclamebureau Kotting uit Amsterdam, voor het drukken en ophangen van bundels biljetten (200 biljetten per bundel) in 185 stadsmotorwagens, 141 stadsbijwagens en 80 buitenlijnwagens van de Haagse Tramweg Maatschappij gedurende de maand juli 1958. Tevens voor bundels biljetten in 89 tramwagens van de Noord-Zuid-Hollandsche Vervoer Maatschappij, ook in juli 1958. De rekeningen voor deze operaties van respectievelijk fl. 406,- en fl. 222,50 werden overigens rechtstreeks betaald door het Ministerie van Oorlog.
Halverwege de maand juli bleek toch niet alles op rolletjes te verlopen. Directeur Hartmans schreef in een brief aan de HTM :

"Mij is van verschillende zijden mondeling gerapporteerd, dat door de Haagse jeugd grote aantallen scheurbiljetten worden afgerukt; deels kwamen die op straat terecht, deels zijn ze bij wijze van postbestelling in brievenbussen gestopt. Zojuist ontvang ik van het Staatsbedrijf der P.T.T. te 's Gravenhage de mededeling, dat de bijgevoegde bundels tussen de geposte correspondentie werden aangetroffen. Dit briefje met de overtuigingsstukken voeg ik hier bij, daar hieruit duidelijk blijkt, dat gehele bundels met ophangtouw en al werden medegenomen. Het is natuurlijk moeilijk om na te gaan hoeveel honderden afscheurbiljetten zodoende hun doel van propaganda voor het museum hebben gemist. Gaarne vernam ik van U wat U in deze denkt te doen.
Voorts heb ik nog een reservebundel in afzonderlijk couvert bijgevoegd, met het verzoek deze bundel nog een plaats te geven. Voorts kunnen de twee aangebroken bundels, welke ik van de Posterijen ontving, ook weer hun plaats krijgen. Er is dan tenminste nog iets, al is het weinig, goedgemaakt van de voor het museum hoge kosten. Persoonlijk zag ik, dat bundels volkomen in het bereik van zelfs de kleinste jeugd hingen (1 M. boven de vloer)."

De HTM komt niet bijzonder onder de indruk van de klachten van directeur Hartmans, maar is wel bereid om mee te denken. Het hoofd afdeling kas en handelszaken antwoordt:
"Ik moet u tot mijn spijt mededelen dat het afrukken van de biljetten door de jeugd niet altijd is te voorkomen. Ook wat betreft het ophangen van de bundels op een afstand van 1 meter boven de vloer moet ik u mededelen dat dit in bepaalde wagens onvermijdelijk is. Om u echter tegemoet te komen ben ik bereid om de bundels, waar in uw brief sprake van is, op te hangen".


Tijden veranderen. Reclame zit tegenwoordig op de buitenkant van de tram (de Landmachttram) en de kwajongen zit achter het stuur.

Archiefreferentie 0168 briefnummer 112/58

Aris de Bruijn
The Legermuseum Archives

zaterdag 18 september 2010

Als de bom valt...


In het archief van het Legermuseum bevindt zich een klein boekwerkje, een bedrijfsbrochure meer, van Technisch bureau J.Duiker, 's Gravenhage. Het is getiteld "Nuttige wenken voor gasbescherming en luchtbescherming" en er staan naast alle producten die het bedrijf levert ook tips in over hoe te handelen bij gevaar, zoals een instructie voor het opzetten van een gasmasker of aanwijzingen voor het verduisteren van een woning.
De reeks met producten omvat schuilcellen, gasfilters, draagbaren, gasspeurtoestellen, ontsmettingsmiddelen, asbestkleding, uitbreekgereedschappen, verduisteringsmaterialen, noodprivaten, ontsmettingsketels, signaalfluiten en sirenes, maar ook gewoon zandzakken en brandblussers. Curieus is een gaszak waar een heel kind in verpakt kan worden. De brochure stamt uit 1939 en laat mooi het beeld van die tijd zien, er spreekt een grote dosis naïviteit uit, maar het ademt nog niet de angst van de koude oorlog. Het idee bestaat nog dat men met eenvoudige middelen elke dreiging de baas kan. Topstuk is wel een eenpersoons-schuilcabine, van staal. Een gestroomlijnd model, dat aan een hijsoog op elke willekeurige plaats neergezet kan worden. Het ziet er uit als een soort ruimtecapsule, uit de fantasie van Jules Verne.

Ik zag deze zomer een betonnen tegenhanger van een dergelijk geval voor de deur van het oorlogsmuseum in Overloon. Ik ben er even in gaan staan om te ervaren hoe het is, en dan zat de deur nog niet eens dicht want die was er niet. Ik vraag me af hoe lang iemand het uit zou kunnen houden in zoiets. Het is erger dan de kleinste lift. Een bombardement van een uur zal misschien nog wel te doen zijn, maar langer? En dan de onzekerheid over hoe de wereld er buiten de capsule uitziet, of er nog iets leeft en overeind staat, of alles misschien vergiftigd is door gas of straling. Wanneer kan het deurtje weer open?

Nee, lijkt me niets om daar in te moeten overleven. Geef dan maar de schuilplaatsen van het Amerikaanse bedrijf Vivos. Er schijnt in de VS een netwerk van zo'n 20 schuilbunkers in aanbouw te zijn die een explosie van 50 megaton kunnen doorstaan. Elk complex bestaat uit een centrale hal van 2 verdiepingen met 10 radiale spaken met verblijfsruimten waar 200 mensen een jaar lang in kunnen overleven. Van de buitenwereld afgesloten, volledig self-supporting met een eigen energievoorziening, waterbronnen, filtersystemen, medische voorzieningen, magazijnen met kleding en schoeisel in alle maten, en off-road voertuigen om verkenningen uit te voeren.


Binnen het complex zijn nog weer extra nucleair beveiligde schuilplaatsen met slaapkamers, badkamers, keuken en eetkamers, ontmoetingsruimten, voorzieningen voor ontspanning (met televisie - zendt er nog iemand uit dan als de wereld vergaat?), computers met internet (???), fitnessruimten, beveiligde bergplaatsen voor waardevolle voorwerpen en wapens. Alles wat je nodig hebt om een jaar autonoom onder de grond te overleven. Er is voedsel voor een jaar, geen hondenbrokken maar "delicious food", voedzaam en uitgebalanceerd, 3 maaltijden per dag met 2500 calorieën per persoon per dag. Je kan op de website zelfs het menu al vinden, met alles waar een Amerikaan behoefte aan heeft zoals popcorn, beef stew, noodles, pasta, potato chunks, green beans, ketchup, baked potato cheese soup. Kortom, alles staat klaar op je te wachten als het zover is. Een ding moet je nog wel zelf rekening mee houden. Je moet zorgen dat je op tijd bij de schuilplaats arriveert voor de deur op slot gaat.


Het is allemaal puur commercieel natuurlijk. Deelname als mede-eigenaar kan al vanaf 50.000 dollar per persoon, kinderen half geld en huisdieren gratis. Aan de deelname gaat wel een screening vooraf met als toelatingscriteria: beroep, opleidingsniveau, nut voor de gemeenschap, gezondheid, strafblad, afstand tot een schuillocatie, enz.
Er wordt geheim gehouden waar de schuilplaatsen precies zijn want anders komen er in tijden van nood ook mensen naar toe die niet betaald hebben voor een plaatsje. De ingangen zijn zelfs gecamoufleerd en zien er uit als een rotsblok. Ze zeggen alleen dat ze binnen een straal van 150 tot 200 mijl van een grote stad liggen.

De firma bestaat bij de gratie van de angst die bij de mensen leeft en speelt in op de oude Maya voorspelling dat de wereld in 2012 getroffen zal worden door een electromagnetische ramp als gevolg van een zonnestorm. Op de website staat een tellertje dat aftelt naar het einde van de wereld. Op het moment waarop ik dit schrijf hebben we nog 824 dagen, 9 uur, 25 minuten en 45 seconden. Maar omdat ze niet alles op één paard willen inzetten, want stel je voor dat de wereld gewoon doordraait na die datum, wordt er op de website nog een heel arsenaal andere rampen ten tonele gevoerd die mogelijkerwijs de mensheid kunnen treffen. Natuurrampen, oorlogen met atoombommen, chemische- en biowapens, anarchie, botsende planeten, terrorisme, van alles en nog wat. Het is een soort keuzemenu. Met onheilspellende filmpjes waarin de meest verschrikkelijke rampenscenario's verkondigd worden. De filmpjes worden gepresenteerd door Jesse Ventura, een voormalig marinier, worstelaar, auteur, radiopresentator, burgemeester en gouverneur van Minnesota. Een carrièreverloop zoals dat alleen in de VS mogelijk is. Het is een bad guy met een staartje die hier met het stempel onbetrouwbaar sujet geen poot aan de grond zou krijgen. Maar Amerikanen kijken daar anders tegen aan. Hij is de man van de samenzweringstheorieën. Hij presenteert de onthulling dat men van de Amerikaanse overheid niets te verwachten heeft want die zal alleen een kleine elite redden. "The government plot to save the elite, but not you !!!". De overheid van de Verenigde Staten zou vooraf een elite gezelschap geselecteerd hebben waarvoor een schuilplaats is, en de rest van de bevolking wordt aan zijn lot overgelaten. De rest kan branden in de hel wordt er letterlijk in een van de filmpjes gezegd.

Wie mag er wel in en wie niet? Dergelijke ethische en morele aspecten spelen altijd bij schuilkelders. Wanneer is hij vol? Ik zag bij het Nationaal Archief in een archiefinventaris van het toen nog Staatsbedrijf der Posterijen, Telegrafie en Telefonie een dossier met als titel "Stukken betreffende het al dan niet toelaten van nakomend publiek tot het kantoorgebouwencomplex aan de Nobelstraat tijdens luchtalarm 1943-1944". Benieuwd wat er in staat en op welke gronden beslissingen genomen zijn hierover. Overigens was er ook vooraf bepaald wie er door moest werken om de telefoonverbindingen in stand te houden en dus niet mee kon naar de schuilkelder. Daar denk je niet meteen aan als je bij de PTT gaat werken. Met alle privatiseringen zal dit laatste restje zekerheid ook wel overboord gegooid zijn. Zijn we toch aangewezen op bedrijven als Vivos.
Op de laatste foto een klok die overgebleven is uit de puinhopen van Nagasaki, en die stil is blijven staan op het moment van de explosie.


Archiefreferentie brochure J.Duiker: 0864
Website van Vivos: http://www.terravivos.com/home.htm
Samenzweringsfilmpjes met Jesse Ventura:
http://www.terravivos.com/secure/conspiracypart1.htm
http://www.terravivos.com/secure/conspiracypart2.htm
http://www.terravivos.com/secure/conspiracypart3.htm
http://www.terravivos.com/secure/conspiracypart4.htm
http://www.terravivos.com/secure/conspiracypart5.htm
http://www.trutv.com/shows/conspiracy_theory/index.html

Aris de Bruijn
The Legermuseum Archives

maandag 13 september 2010

De brieven van Generaal Snijders


Nu de naamgeving voor het nieuwe museum actueel is, leek het me aardig om even met archiefogen terug te kijken naar de naam van het huidige museum. Sinds wanneer heet het "Generaal Hoefer" en hoe is dat zo tot stand gekomen.
Het Legermuseum begint zijn historie in 1913 met de naam "Nederlandsch Artilleriemuseum", naar het dienstwapen van de oprichter F.A. Hoefer, het wapen der artillerie. Op verzoek van de Minister van Oorlog wordt aan het begin van de twintiger jaren de naam veranderd in Nederlandsch Legermuseum. In deze periode ontstaan de eerste jaarverslagen, hoewel het museum pas in 1928 voor het eerst wordt ondergebracht in een stichting, met een bestuur waarvan twee leden door het Ministerie van Oorlog worden aangewezen. Uit 1923 resteert een handgeschreven jaarverslag, waarvan ik nooit de moed heb opgevat om het te ontcijferen want het handschrift van Hoefer is meer dan vreselijk. (zie foto)

De reden van de naamsverandering was, zo valt in "90 jaar Legermuseum" van Ella van Mourik te lezen, dat: "Het de Eenheid Leger niet moet deelen. De krijgsgeschiedenis omvat een geheel". Behalve dat zat er beslist ook een praktische kant aan. Veel schenkers van het eerste uur dachten dat het museum uitsluitend geïnteresseerd was in voorwerpen die betrekking hadden op de artillerie. Na de naamsverandering werd dit natuurlijk anders en kwamen er ook aanbiedingen van andere voorwerpen, hoewel de grens wel nadrukkelijk bij het Nederlandse leger gelegd werd. Aanbiedingen van oosterse wapens bijvoorbeeld werden beleefd afgeslagen omdat ze niet in de collectie pasten.

Na de dood van generaal Hoefer, op 6 oktober 1938, was er niet onmiddellijk een nieuwe directeur. De lopende zaken werden eerst voortgezet door onderdirecteur S.J. Graaf van Limburg Stirum. Hij ging eigenlijk gewoon verder met wat hij al enige tijd deed. Tot tijdelijk directeur werd benoemd de Kapitein Dr. J. W. Wijn. Als voorzitter van het stichtingbestuur werd Hoefer opgevolgd door generaal C.J.Snijders, oud-opperbevelhebber van het Nederlandse leger. Snijders was iemand die al vanaf een vroeg tijdstip bij het museum betrokken was, een goede vriend van Hoefer, en aanwezig bij alle belangrijke gebeurtenissen zoals openingen van tentoonstellingen en herdenkingen. Op de foto, ook afgedrukt in het boekje van Ella, is Snijders te zien tijdens het uitspreken van een openingsrede van een tentoonstelling. Derde van links generaal Hoefer. Helemaal rechts staat Dr.F.G.de Wilde, waar de Legermuseum website binnenkort een thema aan zal wijden.
In het archief zijn enkele originele handgeschreven brieven van Snijders aanwezig, uit de korte periode waarin hij als voorzitter van het bestuur de verantwoordelijkheid had. Hij overleed namelijk acht maanden na Hoefer, in mei 1939. In een brief van 19 januari 1939 schrijft Snijders aan van Limburg Stirum over afhandeling van zaken bij het museum:

"Ik geef U in overweging, aan Jhr. v.d. Does een afschrift van onze stichtingsakte te zenden, onder mededeling dat een wijziging der statuten in voorbereiding is. Aan de Minister van Defensie hebben wij - zoo meen ik - reeds geschreven, om goedkeuring te vragen voor de naamgeving "Generaal Hoefer" aan het museum? Daarop moet dus gewacht worden, alvorens hieraan verder gevolg te geven."

Blijkbaar was er dus een besluit genomen tot naamswijziging om Hoefer te eren, maar een naam veranderen doe je niet zo maar. Daar moest toen ook al een minister over beslissen, en ministeriële beslissingen laten wel eens op zich wachten. Dat "verder gevolg geven" waar Snijders over spreekt heeft betrekking op de wijziging van de statuten van de stichting die het museum sinds 1928 was.
Op 9 februari komt het onderwerp opnieuw aan de orde.

"Het is vreemd dat de Minister niet antwoordt op onzen brief in zake naamgeving "Generaal Hoefer". Ik zou denken, dat dit nogal een eenvoudige zaak is. Als het nog lang duurt zal ik Kolonel Appels verzoeken, er eens naar te informeren."

Het trage proces zal een doorn in het oog geweest zijn van de zelf zo kordate en daadkrachtige Snijders. De statutenwijziging waarin de nieuwe naam wordt vastgelegd maakt Snijders niet meer mee. Op 14 juni is er een bestuursvergadering ten huize van Luitenant Generaal R. van Panthaleon Baron van Eck (op de foto tussen Hoefer en de Wilde), waarin de naamswijziging nog een keer op de agenda staat. Snijders is dan al een maand dood.
In de nieuwe statuten opgemaakt op 19 juni 1939 door Jonkheer Constant Johan Godfried Six, notaris ter standplaats 's-Gravenhage, staat in Artikel 1: De Stichting draagt den naam van "Het Nederlandsch Legermuseum Generaal Hoefer".

Interessant in de kwestie van de naamgeving zijn de paar woorden die Snijders er in zijn brieven over schrijft. Ik had al langer het idee om de brieven van Snijders eens onder de aandacht te brengen, maar ik had er geen verhaal bij. De kwestie van de naamgeving vormde nu een mooie aanleiding. Met excuses voor de vele namen die in dit stukje voorkomen.

Wie is wie?
De heer Jonkheer Meester Gerrit Willem van der Does was de Landsadvocaat en maakte vanaf 1 januari 1939 deel uit van het bestuur.
Kolonel Th. A. Appels, vanaf 1938 hoofd der Afd. VIII van het Departement van Defensie, was een van de door het Departement van Defensie benoemde bestuursleden van de stichting.
Kapitein Wijn werd op 1 januari 1939 tijdelijk directeur maar hij werd door de Minister van Defensie na 1 september niet langer beschikbaar gesteld. Tijdelijk directeur werd in october M.C.van Houten, die op 9 november definitief tot directeur werd benoemd.
Bij de ondertekenaars van de statuten vinden we ook al C.A.Hartmans, die sinds 1938 deel uitmaakte van het bestuur namens het Departement van Defensie, in 1940 onderdirecteur werd en in 1953 het stokje van Van Houten overnam.


Archiefreferentie 3 brieven van Snijders: 0833-0033
Andere briefwisselingen waarin de statuten aan de orde komen: 0833-0015, 0833-0017 en 0843-0020
De statuten zelf: 0823
Ander leesvoer:
Negentig jaar Legermuseum 1913-2003, Ella van Mourik-Karremans
De vaderlandsliefde en militaire trots van Frederic Adolf Hoefer, Paul Knevel. In: Armamentaria 35

Aris de Bruijn
The Legermuseum Archives