zaterdag 10 september 2011

De organisatie der infanterie

Hoeveel compagnieën gaan er in een bataljon en hoeveel bataljons in een regiment.

Legerhervormingen (en bezuinigingen) zijn van alle tijden. Op 22 oktober 1880 verscheen het onderstaande artikel in de Nieuwe Amsterdamsche Courant - Algemeen Handelsblad, over Nederlandse hervormingen in het licht van buitenlandse voorbeelden. Het levert een aardige vergelijking op van de indeling van regimenten, bataljons en compagnieën van de belangrijkste legers in Europa op dat moment. Duidelijk wordt ook de zeer afwijkende samenstelling van de Britse infanterie.
De hier besproken wijziging in de organisatie wordt overigens niet afgekeurd, zoals te doen gebruikelijk, maar juist toegejuicht.


DE ORGANISATIE DER INFANTERIE,
De oorlogsbegrooting voor het jaar 1880 doet ons een blik slaan in hetgeen de organiseerende hand des Ministers vermag ; het is daarom van belang na te gaan in hoeverre de voorgenomen maatregelen als zoo vele stappen in de goede richting beschouwd mogen worden.
Om dit met vrucht te kunnen doen, is het noodig de tegenwoordige organisatie, alsmede die der voornaamste Europeescbe mogendheden kort in herinnering te brengen. Dit laatste niet zoo zeer om eene slaafsche navolging te prediken, doch wel om algemeen gehuldigde van algemeen afgekeurde vormen te leeren onderscheiden.
Met dit gedeelte onzer taak aanvangende, zij het volgende omtrent de organisatie der infanterie aangeteekend :

Pruisen:
115 linieregimenten van 3 bataljons ad 4 compagnieën
14 jagerbataljons ad 4 compagnieën
Oostenrijk:
80 linieregimenten van 5 bataljons ad 4 compagnieën
33 jagerbataljons ad 4 compagnieën
Frankrijk:
144 linieregimenten van 4 bataljons ad 4 compagnieën
4 zouaven-regimenten van 4 bataljons ad 4 compagnieën
3 turco-regimenten van 4 bataljons ad 4 compagnieën
30 jagerbataljons ad 4 compagnieën
Rusland:
192 regimenten van 4 bataljons ad 4 compagnieën
36 tirailleerbataljons ad 4 compagnieën
Italië:
80 regimenten van 3 bataljons ad 4 compagnieën
10 bersagliere-regimenten van 4 bataljons ad 3 of 4 compagnieën
10 Alpenjager-bataljons ad 4 compagnieën
België:
18 regimenten van 3 bataljons ad 4 compagnieën
1 karabiniersregiment van 4 bataljons ad 4 compagnieën
Groot-Britannië:
83 regimenten van l bataljon ad 10 compagnieën
27 regimenten van 2 bataljons ad 10 compagnieën
1 regiment van 3 bataljons ad 10 compagnieën
2 regimenten van 4 bataljons ad 10 compagnieën

Van de Engelsche bataljons blijven bij eene mobilisatie 2 compagnieën achter, zoodat het veld-bataljon feitelijk uit 8 compagnieën bestaat. De zeer afwijkende formatie der Engelsche infanterie buiten beschouwing latende, blijkt alzoo uit dit overzicht, dat er groote eenstemmigheid heerscht ten opzichte van het aantal compagnieën waaruit de verschillende bataljons bestaan; slechts bij de Italiaansche Alpenjagers worden enkele bataljons door 3 compagnieën gevormd, alle anderen tellen er 4.
Wanneer wij nu mededeelen, dat de tegenwoordige organisatie onzer infanterie aangeeft:
9 regimenten van 4 bataljons ad 5 compagnieën, dan zal het wel niemand verwonderen, wanneer de nieuwe
9 regimenten van 5 bataljons ad 4 compagnieën, wat de compagnieënindeeling betreft, onze volledige sympathie wegdraagt.
De 5de compagnie onzer bataljons, vroeger de tirailleur-compagnie, had behooren te verdwijnen, toen gewijzigde inzichten omtrent de vechtwijze der infanterie, het optreden in verspreide orde meer tot den algemeenen regel verhief. Wij bleven in dit opzicht achterlijk, en wanneer de herziene reglementen geraadpleegd werden, blijkt niet onduidelijk, dat de ontwerpers met die 5e comp. min of meer verlegen waren; het executiereglement draagt daardoor een enigszins verwrongen karakter.
Dit stelsel van vasthondenheid ware te verdedigen geweest, indien men het algemeen had gehuldigd, zooals bijv. in Duitschland geschiedt, waar o.a. de drie gelederen opstelling nog bestaat, niettegenstaande deze bijna overal elders afgeschaft is. Dezen weerzin in het breken met ingewortelde toestanden treft men evenwel ten onzent niet aan, integendeel was het legerbestuur immer zeer mild in het ontwerpen zoowel van weinig beduidende reorganisatiën, als van wijzigingen in de exercitie-reglementen enz; daarom is het dan ook vreemd, dat men er nimmer toe overging die 5e comp. over boord te werpen.
Uit dit oogpunt beschouwd, zou het alzoo te betreuren zijn, indien bijkomende omstandigheden aanleiding gaven, om de zoo zeer gewenschte hervorming uit te stellen.
Ten opzichte der bataljonsindeeling is de eenvormigheid minder treffend; alleen Oostenrijk telt 6 bataljons per regiment, overigens wordt de indeeling in 3 of 4 bataljons gehuldigd. Daar het regiment niet evenals het bataljon een tactische eenheid vormt, kan deze formatie als van ondergeschikt belang geacht worden, en is het tamelijk onverschillig of men over 3 regimenten van 4 bataljons, dan wel over 4 regimenten van 3 bataljons te beschikken heeft. Bij de eerste indeeling wordt evenwel de staf van een regiment uitgespaard; uit dien hoofde schrijft alzoo de zuinigheid voor, om te handelen zooals de Minister doet; wel zullen onze aanstaande regimenten uit 5 bataljons bestaan, doch feitelijk wordt dit getal tot 4 herleid, aangezien het 5e bataljon bestemd is tot het leveren der bezettingstroepen, en om later als reserve op te treden. Wij kunnen dus ook in dit opzicht onze adhaesie van 's Ministers plannen betuigen.

Het aantal hoofden, waaruit elke compagnie bestaat, is mede een zaak van gewicht; over het algemeen rekent men, dat meer dan 250 man niet door één kapitein geleid kunnen worden, terwijl bij een sterkte, beneden de 250 man de onder-afdeelingen te weinig talrijk zijn. In verband hiermede is de meest gewenschte organieke sterkte 250 man, d.i. 1000 per bataljon, waarbij dan toch gerekend kan worden, dat men met ongeveer 200 man voor den vijand kan optreden, daar er toch altijd, ook buiten het vijandelijk lood, op eenig sterkteverlies gerekend moet worden.
Ook in dit opzicht de gegevens omtrent de legersterkte van andere Rijken nagaande, komen wij tot het volgende besluit:

Duitschland: 250 man per compagnie.
Oostenrijk: 230
Frankrijk: 250
Rusland: 250
Italië: 200
België: 200
Engeland: 125
Nederland: 188
Nieuwe organisatie: 218

Vooraf zij aangeteekend, dat deze sterkte-opgave tevens den sleutel geeft tot de vreemde organisatie der Engelsche compagnie, daar 8 comp. ad 125 man gelijk staan met 4 comp. ad 250 man; het geldt hier dus meer een naamquaestie, de Engelschen noemen een compagnie wat bij andere Rijken als peloton wordt beschouwd, en daaruit volgt dat hun organisatie zeker de duurste is.
Van meer belang is evenwel voor ons, te ontwaren, dat Nederland bij de nieuwe organisatie een stap voorwaarts doet, al had men mogen verwachten, dat er meer tot het ideaal zou zijn genaderd.
We mogen hierbij evenwel niet onvermeld laten, dat de Minister in zijn begrooting enkel op miliciens en niet op vrijwilligers rekent; hetgeen zeker verstandig is, daar de vrijwilligers er toch niet zijn; mocht de toestand evenwel in dit opzicht voordeeliger worden, dan kan de sterkte der compagnieën ook vermeerderen. Dat de Minister het onnoodig achte dit aantal te beperken tot 250—218 = 32 man, uit vrees dat anders het ideaal overschreden mocht worden, zal zeker wel niet euvel geduid worden door hen, die eenigszins met de bestaande toestanden bekend zijn.
Aangezien onder het hiervoren bedoeld aantal hoofden de officieren niet begrepen zijn en het geen onverschillige zaak is de verhouding tusschen gezagvoerders en soldaten oordeelkundig te regelen, zoo zal ook dit gedeelte der organisatie nagegaan dienen te worden. De compagnieën worden in den regel in 3 of 4 onderdeelen (pelotons of sectiën) gesplitst, en wenschelijk zou het wezen, ook met het oog op de vele verliezen, om elk zelfstandig onderdeel (sectie) door een officier te doen commandeeren. Daardoor zou evenwel bij de verdeeling in vieren de verhouding tusschen luitenants en kapiteins, met het oog op de kans tot bevordering, zeer nadeelig worden, en schijnt het dus wenschelijk, om bij deze formatie één der sectiën door een sergeant-majoor of onderofficier te laten aanvoeren.
Wenschelijk ware dus de onderverdeeling in drieën, doch hiervan zou bij ons leger een zoo aanzienlijke omwenteling in de reglementen het gevolg zijn, dat het wellicht maar beter is, zoo ver niet te gaan.
De bedoelde verhouding nu is bjj de verschillende mogendheden de volgende:

Duitschland: 1 officier op 50 man - 1 man kader op 11 à 12 man
Oostenrijk: 1 officier op 56 man - 1 man kader op 11 à 12 man
Frankrijk: 1 officier op 63 man - 1 man kader op 8 à 9 man
België: 1 officier op 50 man - 1 man kader op 8 à 9 man
Engeland: 1 officier op 42 man - 1 man kader op 11 à 12 man
Nederland: 1 officier op 63 man - 1 man kader op 11 à 12 man
Nieuwe organisatie: 1 officier op 50 man - 1 man kader op 12 man

Ook in dit opzicht wordt alzoo verbetering bespeurd. Behalve het 5de bataljon per regiment, dat als reserve kan optreden, spreekt de Minister nog van een 6de reserve-bataljon, tot de vorming waarvan o.a. per regiment 3 kapiteins en l luitenant voor speciale diensten uitgetrokken worden, terwijl er tevens aan gedacht wordt aan deze officieren een taak bij de vorming der schutterij op te dragen.
Uit dit laatste oogpunt is die vermeerdering van het aantal kapiteins goed gezien, aangezien deze rang gewenscht is, met het oog op de verhouding tegenover de schutterofficieren; doch overigens klinkt het eenigszins vreemd deze wijziging der organisatie te pas te brengen bij de bespreking van dat reserve-bataljon. Volgens de tegenwoordige organisatie zijn er namelijk 2 luitenants voor speciale diensten per bataljon, of 66 luitenants in het geheel, en dit getal wordt nu: 27 kapiteins en 9 luitenants ; ergo een vermindering van 30 officieren.
Hoe men nu meent door eene vermindering reserve-bataljons te kunnen vormen, is niet recht duidelijk, evenmin blijkt waar het meerdere kader vandaan moet komen.
Aan die 6e bataljons meenen wij alzoo weinig waarde te moeten hechten.
Behoudens deze opmerking mag intusschen de ontworpen reorganisatie van het wapen der infanterie als een stap in de goede richting beschouwd worden. Moge oppositie veelal nut stichten, het vaderland wordt er zeker toch nog meer door gebaat, wanneer lof toegezwaaid kan worden aan de pogingen der regeering, om onze verdedigbaarheid op behoorlijken voet te regelen. Wij verheugen ons dan ook ten zeerste te dezen opzichte een woord van ingenomenheid te kunnen doen hooren.
MARS.

Link naar de gedigitaliseerde krant waar het artikel uit komt:
http://resources2.kb.nl/010100000/pdf/DDD_010104558.pdf

Politieke spotprent bij de titel van dit verhaal is van Fritz Behrendt, uit de collectie van het Legermuseum, Delft

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen