dinsdag 21 december 2010

Ernstig vuurwerk

Dit verhaaltje begon eigenlijk als een spin-off van de geplande mini-expositie "klap op de vuurpijl" in het Collectie Informatie Centrum van het Legermuseum, maar omdat de mini-exposities geslachtofferd zijn met het oog op Soesterberg, is het nu een weeskind. Geheel in de geest van de Amerikaanse filosoof Roy Sorensen die gisteren te gast was in Wintergasten en die gespecialiseerd is in dingen die er feitelijk niet zijn, maar die wel invloed hebben op de dagelijkse gang van zaken. Ik bedoel hier niet het nieuwe museum hoor, maar de mini-expositie. [smile]

Mathieu zorgde voor de titel. In zijn mooie artikel in de nieuwe Armamentaria die vandaag verscheen, staat het woord "ernstvuurwerk" als tegenhanger van "siervuurwerk". Hij schrijft over oorlogsvuurpijlen dat ze in het derde kwart van de 19e eeuw uit het zicht verdwenen als oorlogswapen, maar alleen nog werden gebruikt als signaalmiddel. En dat is nu precies waar ik naar toe wil.
Nachtelijk vuurwerk boven het slagveld

De hemel boven het slagveld moet er af en toe uitgezien hebben alsof er een machtig vuurwerk aan de gang was. Behalve door over en weer vliegende granaten werd de hemel doorkliefd met vuurpijlen en lichtsignalen van verschillende kleuren en vormen. De volgende impressie is van zo'n "son et lumière" boven de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog.

“Eergisteren van acht uur ’s avonds tot in de vroege morgen ben ik getuige geweest van de beschietingen. Ik zat er als in de loge van een schouwburg en door de kijksleuf zag ik voor mijn ogen hoe de opera zich afspeelde; een barbaarse en ononderbroken muziek, Franse en Duitse kanonschoten van alle kalibers, geweerschoten, mitrailleurs. De vlammen van de schoten verlichtten de hemel, de harde lichtflitsen van de weerkaatsingen doortrokken de hemel. Vreemde langgerekte acteurs die naderbij kwamen, zich weer terugtrokken, zich vergrootten, verkleinden, lichtkogels die uiteenspatten in een regen, lichtsignalen in een bundel, in een bol, witten oranje-roden blauwen groenen stijgen op, bijzondere en geraffineerde danseressen."

Het citaat is uit een brief van 2 september 1915 van schrijver-dichter Guillaume Apollinaire gepubliceerd in "Lettres à Madeleine". Apollinaire was artilleriewaarnemer in het Franse leger en gefascineerd door de techniek, de dynamiek en de energie van de oorlog. Wat hij zag was een nachtgevecht aan het loopgravenfront, met alles wat er bij hoorde, een artilleriebeschieting, een infanterieaanval en de onvermijdelijke reacties van de tegenstander. De kanonnen kregen hun aanwijzingen niet alleen van artilleriewaarnemers maar regeerden op lichtsignalen van de soldaten in de voorste loopgraven. Als de infanterie na een aanval de bereikte posities wilde markeren werden gekleurde vuurpijlen afgeschoten. Schoot de eigen artillerie te kort, wat geen uitzondering was, dan volgde het signaal "vuur naar voren verleggen". Er konden andere eenvoudige bevelen gegeven worden, zoals "vuur terugleggen", "spervuur", "breng meer munitie", "zend reserves", enz. De signalen konden bestaan uit verschillende kleuren of vormen, waarvan de betekenis voorafgaand aan de aanval was afgesproken. De betekenis moest zo lang mogelijk geheim blijven en de code werd minstens elke week veranderd, om de vijand niet in de kaart te spelen.

Het gebruik van lichtsignalen was een snelle vorm van communicatie, in een tijdperk waarin draadloze communicatie nog nauwelijks bestond, zonder tussenkomst van hogere instanties. Het was wel éénrichtingsverkeer, van voren naar achteren. Ook zorgde de zichtbaarheid en herkenbaarheid nog wel eens voor vergissingen. De tegenstander gebruikte ook lichtsignalen, die nauwelijks verschilden van de eigen signalen en niet alle kleuren waren even goed te herkennen. Rood, groen, geel en wit waren de beschikbare kleuren en door combinaties te maken werd het aantal mogelijkheden uitgebreid, maar dat werd er niet eenvoudiger op en de kans op vergissingen was groot. Uit de aanbevelingen in de voorschriften blijkt dat rood de best zichtbare kleur was en dat groen en geel gemakkelijk verward konden worden met wit licht. Naast de verschillende kleuren had men de beschikking over signalen die variaties in vorm te zien gaven. Duitse voorschriften spreken over:

Sternpatronen, Signalpatronen mit Perlen, - mit Verästelung, - mit Doppelstern, - mit Blitz., - mit nachziehenden Perlen en dan waren er ook nog patronen die voorzien waren van een kleine parachute om de lichtbol zo lang mogelijk in de lucht te houden. Het is in deze warboel begrijpelijk dat vergissingen vaak voorkwamen. Als de communicatie tussen infanterie en artillerie niet lukte, dan kon dit vele slachtoffers tot gevolg hebben, soms door het "eigen vijandelijke vuur", waarmee de eigen te kort schietende artillerie bedoeld werd. De aanbeveling was dan ook om alleen enkelvoudige signalen te gebruiken, in één kleur en met maar één vooraf afgesproken betekenis, en om dat signaal net zo lang te herhalen tot de boodschap was overgekomen.

Apollinaire zag het ernstige vuurwerk vanaf een relatief veilige positie. Maar dat was voor hem niet voldoende. Hij was, zoals meer kunstenaars in die tijd, gefascineerd door de oorlog en vond het een voorrecht om het te mogen meemaken. Hij was eerst als vrijwilliger bij de artillerie terecht gekomen maar hij vond dat hij daar niet dicht genoeg op de actie zat. Hij vroeg overplaatsing aan naar de infanterie om voor in de loopgraven midden tussen het strijdgewoel te zitten. Hij wilde het allemaal zelf ondergaan. De italiaanse futuristen gingen nog een stap verder. Ze beschreven de oorlog als het buitengewone gevoel van de onweerstaanbare kracht van destructie. De moderne oorlog vroeg om een moderne manier van schilderen. Het realisme had voorgoed afgedaan en voldeed niet meer om de nieuwe tijd te beschrijven. Ze verheerlijkten de oorlog en zagen het als een opstuwing van het leven naar een hoger niveau van activiteit. Kracht, snelheid, dynamiek. Ze bewonderden de technische vooruitgang, technologie en mechanisatie. De toekomst was het enige dat telde en er moest afgerekend worden met het verleden. Ze verheerlijkten het gevaar en de spanning, overdrijving, destructie, rebellie. "Buiten de strijd is er geen schoonheid. Geen meesterwerk zonder agressief karakter" stond in het manifest van Marinetti te lezen.
(In het manifest stond ook dat alle musea verbrand moesten worden, maar dat schrijf ik hier natuurlijk niet).

Op het omslag van de Gallimard-uitgave van de brieven van Apollinaire uit 2005 staat een schilderij afgebeeld van Gino Severini, ook één van de Italiaanse futuristen, getiteld "Kanon in actie", dat heel goed aansluit bij de tekstpassage. In een poging om ook het lawaai en de bewegingen uit te drukken heeft hij er voor gekozen om teksten als een collage te integreren in zijn schilderij. Het schilderij kan niet alleen bekeken worden maar ook gelezen. "Bboumm - Vuur! - arithmetische perfectie - geometrisch ritme - kracht - geleidelijk naar de aarde afbuigende boog - de aarde verheft zich in golven tegen het kanon - precisie - mechanische soldaten laden systematisch - diepte, angst, stilte "


Overigens keerde Severini zich al vrij snel weer af van deze techniek, omdat het gebruik van teksten toch niet ideaal was en hij raakte ook gefrustreerd omdat het hem niet lukte om de bijtende stank van de loopgraven uit te beelden. Hij liet de oorlog voor wat hij was en ging voortaan verder met het schilderen van stillevens. Andere kunstenaars konden het spektakel van de oorlog niet verwerken; ze kregen psychische problemen en belandden in een inrichting.
Apollinaire bleef zijn opvattingen trouw maar liep in 1917 een hoofdwond op waardoor hij voor de rest van de oorlog uitgeschakeld was. Ik zag in het Historial in Peronne ooit een tentoonstelling over Apollinaire met in een vitrine het met bloed besmeurde boek dat hij aan het lezen was toen hij de granaatscherf tegen zijn hoofd kreeg. Dan is de oorlog weer heel dichtbij.


Over kunstenaars in de Eerste Wereldoorlog: www.art-ww1.com/gb/visite.html

Bij de twee kleine foto's:
Italiaan prepareert een signaalraket
Helft van een britse stereofoto "instructie in de open lucht over signaalraketten en lichten"
Bij de laatste foto: Flares fired by M777 howitzers to illuminate during Operation Tora Arwa V in the Kandahar province Aug. 2 2009.

Vorschriften für den Stellungskrieg für alle Waffen
Teil 9. Nachrichtenmittel und deren Verwendung, Berlin 1917
Teil 4. Leuchtmittel, Berlin 1916
Teil 5. Der Artillerieflieger und der Artillerieballon, Berlin 1918

Boekreferentie: Guillaume Apollinaire, Lettres à Madeleine, Gallimard Paris 2005

Nieuw uitgekomen: Armamentaria 45, jaarboek Legermuseum 2010/2011. Met o.a. Mathieu Willemsen, Oorlogsvuurpijlen en het Nederlandse Leger

Aris de Bruijn
The Legermuseum Archives

zondag 12 december 2010

Declaration of Independence


Het moet weer eens over Amerikanen gaan. Niet dat ik nou zo dol ben op dat land, en het is ook niet mijn favoriete volk, maar ze geven wel stof tot schrijven.
Lee Ann Potter van de National Archives in Washington gaf deze week op de Digitaal Erfgoedconferentie een dijk van een lezing waar geen van de andere sprekers ook maar een moment bij in de schaduw kon staan. Hoe doen ze dat toch, die Amerikanen? OK, wat ze te vertellen had was inderdaad ook wel de moeite waard, maar het zit 'm toch vooral in de presentatie. De vanzelfsprekendheid, de overtuiging waarmee het gebracht wordt. Als een Hilary Clinton die er tot het laatst van overtuigd is dat ze de verkiezingen gaat winnen. En altijd alles in superlatieven. Het grootste, het mooiste, het beste, het meeste. Een miljoen bezoekers bij het archief, van mensen die er allemaal in de rij staan om naar de drie belangrijkste originele documenten, de "Charters of Freedom" te kijken: Constitution of the United States, Declaration of Independence en de Bill of Rights.


Het enige wat ik daar tegenover kan stellen is dat ooit voor een expositie in het Legermuseum, over de inzet van Nederlandse militairen in voormalig Indonesië, de originele onafhankelijkheidsverklaring van Indonesië is tentoongesteld, en dat het bruikleen toen verzekerd was voor 500.000 gulden. Hoeveel bezoekers dat heeft getrokken weet ik niet.
Nu hebben de Amerikanen ook nog niet zo veel geschiedenis. Dat gaf zelfs Lee Ann volmondig toe, maar ze buigen dat dan weer om tot een voordeel. Ze hebben hun geschiedenis ingedeeld in een genormaliseerde, vastgestelde tijdbalk, volgens de National Standards for History. Deze standaard begint met Era 1, The Beginnings of Human Society. We zitten volgens deze schaal nu in Era 10. Mooi overzichtelijk zo.

Het Amerikaanse architectenduo Diller en Scofidio heeft ooit geprobeerd de hele Amerikaanse geschiedenis samen te vatten in 50 Samsonite koffers. Ze brachten hun 200 jarige geschiedenis in beeld onder twee trefwoorden: Beds and Battlefields, bedden en slagvelden. Het begin en het einde van het leven, zou je kunnen zeggen. Onder bedden werd dan verstaan de geboortebedden, in de geboortehuizen van Amerikaanse persoonlijkheden zoals presidenten en generaals. Ze schijnen een grote aantrekkingskracht uit te oefenen op de gemiddelde Amerikaanse toerist. Dat de oorspronkelijke geboortehuizen vaak al lang verdwenen zijn is geen enkele belemmering. Ze zijn gewoon opnieuw geconstrueerd. Voor de Amerikaan maakt het geen verschil of zo'n bed nu echt is of een replica.


Ik heb me laten vertellen dat van die originele Amerikaanse documenten, er minstens één of misschien wel alle drie, een replica is. Dus waar die 1 miljoen bezoekers zich aan staan te vergapen is nog niet eens echt ook. Het origineel was lang geleden al zo verbleekt dat er bijna niets meer te lezen was, waarna ze hem heel precies nagetekend hebben. De versies die er nu liggen zijn ook al weer zo verbleekt dat ze nauwelijks nog te lezen zijn.
Ik heb de authenticiteit geprobeerd te verifiëren op internet maar ik vond geen site waar dat op stond, en de National Archives zullen de laatste zijn om het toe te geven. Toen was er ook nog geen WikiLeaks natuurlijk.
Wat ik wel tegen kwam was dat er ook "authentieke reproducties" worden aangeboden. In de eerste plaats in de winkel van de National Archives zelf, tot en met T-shirt versies aan toe; het is gewoon merchandise. Het zijn misschien wel de meest gekopieerde documenten in de VS. The National Archive (dus zonder "s", in hele kleine lettertjes: A private free enterprise not affiliated with archives.gov.) biedt reproducties aan die volgens één van de reacties op de site, er beter uitzien dan de originelen in Washington. Ja, waarom zou je eigenlijk nog naar Washington gaan. Voor 29,97 dollar krijg je alle drie de documenten thuisgestuurd. En je krijgt je geld terug als je niet tevreden bent. 100% MONEY BACK GUARANTEE IF NOT DELIGHTED.


Overigens zijn er wel officiële oude kopieën van deze documenten. Van de Declaration of Independence zijn in 1823 door drukkerij William Stone 200 kopieën gemaakt waarvan er nog 35 bekend zijn.
Eén ervan dook dit jaar op in een rommelwinkeltje in Nashville, Tennessee. Hij bracht bij een veiling $ 477.650 dollar op. De vinder had hem voor $ 2,48 gekocht, en verklaarde met het geld een nieuwe tweedehands auto te gaan kopen, een serre aan zijn huis te gaan bouwen, en een deel aan zijn ouders en aan goede doelen te geven. Wat een mooi Amerikaans verhaal weer.


De oudste afschriften van de Declaration of Independence zijn de zogenaamde Dunlap prints, vernoemd naar de drukker die ze maakte op 5 juli 1776, dus 1 dag na de beroemde 4th of July, en werden direct door boodschappers te paard verspreid door de koloniën.
Er zijn er waarschijnlijk 200 gemaakt. In 2009 werd een 26e kopie van zo'n Dunlap print gevonden bij de National Archives in Londen. De 25e kopie was ooit geveild voor 8.14 miljoen dollar.


Bij de afbeelding boven aan dit artikel van links naar rechts:
Constitution of the United States
Signed Copy of the Constitution of the United States; Miscellaneous Papers of the Continental Congress, 1774-1789; Records of the Continental and Confederation Congresses and the Constitutional Convention, 1774-1789, Record Group 360; National Archives.
Declaration of Independence
Official signed copy of the Declaration of Independence, August 2, 1776; Miscellaneous Papers of the Continental Congress, 1774-1789; Records of the Continental and Confederation Congresses and the Constitutional Convention, 1774-1789, Record Group 360; National Archives.
Bill of Rights
Engrossed Bill of Rights, September 25, 1789; General Records of the United States Government; Record Group 11; National Archives.


Website van de afdeling van de National Archives and Records Administration die zich bezig houdt met lesprogramma's voor het onderwijs aan de hand van originele documenten. Hier is alles over de documenten te vinden, inclusief afbeeldingen.
http://docsteach.org/

De National Archives Store, met reproducties in allerlei soorten en maten, en ook een "Create Your Own Document Kit" met ganzenveer, inkt en een blanco stuk perkament.
http://estore.archives.gov/category.aspx?categoryID=54

De tentoonstelling in het Legermuseum gehouden in 1993: Inzet in Nederlands-Indië, 1945-1950, heeft als archiefreferentie 0875

Het boek van Diller and Scofidio heet: "Back to the Front: Tourisms of War", FRAC, Basse Normandie 1994

Site waar je de drie Charters of Freedom kan kopen : http://www.thenationalarchive.com/index.html

Veilinghuis Raynors' waar de vondst van Nashville geveild is en waar vaker historische documenten geveild worden:
http://www.hcaauctions.com/index.html
Het is alleen al een feest om online door hun 178 pagina's tellende veilingcatalogus te bladeren. Highlight in de komende veiling is de oudst bekende handtekening van de moordenaar van Abraham Lincoln. Moet tussen de 13.000 en 15.000 dollar gaan opbrengen. Bieden kan ook online en het hoogste bod staat tot nu toe op 9.250

PDF download van de Dunlap print bij de National Archives in Londen:
http://www.nationalarchives.gov.uk/documentsonline/details-result.asp?queryType=1&resultcount=1&Edoc_Id=8199065



Aris de Bruijn
The Legermuseum Archives

zaterdag 4 december 2010

Kanonnen opgevist uit de Straat van Messina


Vandaag weer eens een echt archief-artikel. Het archiefwerk loopt voor mij op z'n eind vanwege het naderende einde van de stage, en ik probeer zoveel mogelijk losse eindjes weg te werken zodat een eventuele opvolger daar niet mee opgezadeld zit. Het lijkt onvermijdelijk dat er altijd een restje ongeregeld overblijft. Een van de moeilijk plaatsbare dossiers onder uit de kast bestond uit :
Een halve getypte pagina zonder titel, datum of schrijver, een envelop met een reeks krantenknipsels, twee handgeschreven notities in het hoofdpijnhandschrift van Generaal Hoefer gedateerd 1937, en een melinex mapje met drie sterk aangetaste vrachtetiketten in het Italiaans.
Ga daar maar iets van maken.

Op de envelop met krantenknipsels staat getikt: Kanonnen. Opgevist in de straat van Messina. Thans in het Legermuseum. En met de hand bijgeschreven: M.A.de Ruyter.
Het beeld begint zich al te vormen. Als de krantenknipsels zelf onder de loep worden genomen wordt alles duidelijk. Het gaat om resten van de vloot van Michiel de Ruyter, die in 1937 gevonden zijn in de Straat van Messina. Drie kanonnen en een anker, afkomstig van de vloot waarmee admiraal de Ruyter op 23 april 1675 ter hoogte van Stromboli zijn laatste zeeslag leverde. Deze resten zijn in 1937 bij toeval gevonden, door een Italiaanse expeditie die op zoek was naar gezonken oorlogsschepen uit de Eerste Wereldoorlog.
Over de vondst zegt een van de knipsels:
"De directeur van het Legermuseum, Generaal-Majoor b.d. F.A.Hoefer, wien deze vondst ter ore kwam, heeft zich vervolgens, na zich met den Minister van Defensie te hebben verstaan, in een persoonlijk schrijven tot Mussolini gewend, teneinde te verkrijgen dat deze herinneringen aan een voor ons land zoo belangrijk historisch gebeuren, voor ons land bewaard bleven. En het gevolg van dit schrijven is geweest, dat de kanonnen eenige maanden later bij monde van den Italiaanschen gezant, onze regeering als een geschenk werden aangeboden."


De bronzen kanonnen en het anker zijn daarop met het stoomschip Tiberius van de KNSM naar Nederland vervoerd, en bij Artillerie-Inrichtingen Hembrug opgeknapt. Het was op dat moment nog niet duidelijk of de kanonnen ook afkomstig waren van het vlaggenschip, of misschien van een van de andere schepen.
Een knipsel gedateerd 11 februari 1938 kopt: De bij Palermo gevonden kanonnen zijn niet van het vlaggenschip "De Eendracht". Generaal Hoefer heeft persoonlijk medegedeeld dat de kanonnen van één van de andere schepen van de vloot zijn. Het bericht vermeldt tevens dat de kanonnen al wel staan opgesteld in het Legermuseum, maar dat de officiële overdracht nog moet plaatsvinden.

Het was nog niet zo vanzelfsprekend dat de kanonnen bij het Legermuseum terecht kwamen blijkt uit een naar de krant ingezonden brief. Ondanks het feit dat het verkrijgen van de kanonnen een initiatief van Generaal Hoefer was, meende ook Vlissingen aanspraak te kunnen maken op de kanonnen, op grond van het feit dat eerdere gevonden kanonnen ook in Vlissingen terecht waren gekomen.
"Naar men zich zal herinneren zijn er reeds vroeger een paar kanonnen van De Ruyter's vloot gevonden; die staan nu bij het standbeeld van den zeeheld te Vlissingen."
Er waren meer kapers op de kust. In een ingezonden brief in het Handelsblad van baron Van Asbeck, Commandant van het Koninklijk Instituut voor de Marine te Willemsoord heet het
"Inderdaad staan eénige van die kanonnen bij het standbeeld van De Ruyter te Vlissingen, doch er staan ook eénige bij den Van Speyk's mast, vóór het Koninklijk Instituut voor de Marine te Willemsoord. Mijns inziens behooren ook de thans aangevoerde kanonnen daar thuis en niet in een Legermuseum. Ik hoop dan ook, dat de autoriteiten nog bijtijds de bestemming dezer kanonnen zullen willen wijzigen in de door mij aangegeven richting."
Een reactie hierop in de avondeditie van het Handelsblad:
"Dat de kanonnen van De Ruyter nooit in een legermuseum mogen worden ondergebracht is de oud-kapitein ter zee W. F. van Erp Taaiman Kip te Amsterdam geheel eens met baron Van Asbeck. Inz. zou ze geplaatst willen zien óf bij De Ruyter's standbeeld te Vlissingen, of bij den Van Speyk's mast te Willemsoord, of wel in of bij het Ned. Historisch Scheepvaartmuseum te Amsterdam, de stad waar de Admiraal in de Nieuwe kerk begraven ligt."

En zo werd via de krant een strijd gevoerd over de bestemming van de kanonnen. Of het Legermuseum als bestemming echt in gevaar is geweest weet ik niet, maar Hoefer wint uiteindelijk, en op 3 maart 1938 verschijnt in het Utrechts Nieuwsblad een fotootje van de kanonnen en het anker op de binnenplaats van Doorwerth.
De kanonnen zijn er al op 30 december 1937 gearriveerd volgens een van de aantekeningen van Hoefer zelf. Zijn andere aantekening gaat over de precieze vindplaats van de kanonnen.

Op de halve getypte pagina, die een deel van een brief lijkt te zijn (aan de Minister van Oorlog?) en een verslag bevat van de gebeurtenissen toen de kanonnen eenmaal op Nederlandse bodem waren aangekomen, lezen we:
"Den 17 October j.l. kwamen de in kisten verpakte 3 vuurmonden en 1 anker per stoomschip "Tiberius" aan het adres van het Nederlandsche Legermuseum te Amsterdam aan. De Kon.Ned.Stoomboot Maatij. had ons tevoren hiervan verwittigd en verzocht om toezending van het oorspronkelijke connossement en tevens om eene door ons af te geven schriftelijke verklaring voor de douane dat de aan het Legermuseum geadresseerde zending voor definitieve opslag in dat Museum bestemd was. Hieraan werd door ons voldaan.
Aangezien voor de plechtige ontvangst der kanonnen op het Legermuseum eenige voorbereiding noodig was, hoopten wij den dag der aankomst der zending aldaar te vernemen. Toen dit bericht uitbleef telephoneerden wij den 20 Oct. j.l. naar de Artillerie-Inrichtingen en ontvingen ten antwoord dat de zending aldaar was aangekomen, dat de dag van doorzending naar het Legermuseum nog niet bekend was, maar dat de n.b. aan het Legermuseum geadresseerde kisten waren geopend, teneinde de inhoud te kunnen fotograferen en schoonmaken. Vooral voor het schoonmaken waarschuwen wij ten zeerste. Men bedenke dat het museumstukken zijn.
Den 21e j.l. vernamen wij dat bovengenoemde handelingen zouden zijn geschied omdat de Marine voor de zending interesse zoude hebben. Wij vestigen er nog de aandacht op dat de Italiaansche gezant ons bij schrijven van den 21 Oct. j.l. het afzenden dier zending bericht en daarbij omtrent de zending uitdrukkelijk vermeldt: "donati dal Regio Governo al Museo di Doorwerth".
De Italiaansche gezant, waarmede wij voor de regeling persoonlijk in aanraking kwamen, verklaarde gaarne bij de plechtige ontvangst van de kanonnen op het Legermuseum aanwezig te willen zijn.
Uwe Excellentie zal wel begrijpen, dat wij met de grootste verbazing kennis namen van het ophouden en openmaken der voor het Nederlandsch Legermuseum bestemde en aan hetzelve geadresseerde zending."




Om het verhaal compleet te maken zit er tussen de krantenknipsels een bericht van 19 oktober 1937 over de Italiaanse gezant bij het Nederlandse hof, die een rol heeft gespeeld bij de overdracht van de kanonnen aan Nederland. Deze heer F.M.Talliani zal dan binnenkort in het huwelijktreden met aartshertogin Margaretha van Habsburg, dochter van wijlen aartshertog Leopold Salvator en Blanche van Castilië, prinses van Bourbon.


"Aartshertogin Margaretha is 8 Mei 1894 te Lemberg in Galicië geboren en woont thans te Weenen met haar moeder. Zij is een nicht van Otto van Habsburg, den Oostenrijkschen kroonpretendent. De aartshertogin kent ons land uit eigen aanschouwing en heeft nog in December van het vorige jaar eenigen tijd gelogeerd bij den Oostenrijkschen gezant."

Aan het lichaam van de overleden de Ruyter is ook een krantenknipsel gewijd.
"Het zal niet allen Nederlandschen toeristen, die de kathedraal van Syracuse bezichtigen, bekend zijn dat deze een rol heeft gespeeld in verband met het overlijden van De Ruyter. Het stadsbestuur deed na zijn dood stappen bij de kerkelijke autoriteiten om de deelen van het lichaam die niet medegebalsemd werden, in de kathedraal te doen bijzetten. Dit stuitte evenwel op verzet, daar het begraven van Protestanten in naar Roomsch-Katholieken ritus gewijde aarde niet geoorloofd was. Na eenig gehaspel en misver¬stand tusschen het stadsbestuur en het vloot-commando werd tenslotte het gedeelte van het stoffelijk overschot, dat niet naar het vaderland zou worden vervoerd, ter aarde be¬steld „ter plaatse daar men den kapitein Noirot had begraven: die was op een kleene heuvel, omtrent honderdt schreeden van de stadt, in de baay gelegen, én rondom van de zee omringht". De vraag rijst of deze historische plek bekend is. Aan den westkant van het schiereiland Ortygia (toenmaals de geheele stad Syracuse omvattend) vindt men verscheidene kleine eilandjes, ongeveer op den aangegeven afstand van de kust. Zoo een daarvan, nevens het graf van den gesneuvelden scheepsbevelhebber Noirot, het hart van onzen grooten zeeheld bevat, kan dit dunkt mij Nederlandschen bezoekers van Syracuse niet onverschillig zijn."


Het citaat waar dit knipsel gebruik van maakt komt uit Geeraardt Brandt, Leven en bedryf van den heere Michiel de Ruiter (1687). De herdruk uit 1988 is in de bibliotheek van het Legermuseum aanwezig, maar ook gedigitaliseerd en online beschikbaar bij de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren :
http://www.dbnl.org/tekst/bran002leve01_01/

Met de kanonnen van Doorwerth is het slecht afgelopen zoals velen wel zullen weten. In de Tweede Wereldoorlog vonden de Duitsers het brons een interessante oorlogsbuit en ze sleepten alles mee. Een deel van alle aanwezige kanonslopen is na de oorlog teruggevonden in Groningen, enkele grote vuurmonden waren opgeblazen, misschien om het vervoer en het omsmelten te vergemakkelijken. Brokstukken brons zijn later geschonken voor de vervaardiging van het borstbeeld (of de kopie daarvan) van Generaal Snijders, ontworpen door de beeldhouwster Isabella van Beeck-Calkoen, en voor de vervaardiging van bronzen herdenkingspenningen.
Ook hier is weer een verhaal van te maken want in het archief bevinden zich interessante stukken hierover.

Het archiefmateriaal over de kanonnen van Messina is geregistreerd onder referentienummer 1372

Aris de Bruijn
The Legermuseum Archives

dinsdag 23 november 2010

Frans dorpje geëvacueerd vanwege munitievondst


Er gaat bijna geen maand voorbij of er is weer iets in het nieuws over de Eerste Wereldoorlog. Als je naar Frankrijk gaat en je bekijkt een plaatselijke krant dan vind je altijd wel een artikeltje dat op een of andere manier met de oorlog te maken heeft. Nu is er weer opschudding in het plaatsje Coucy-lès-Eppes, in de buurt van Laon in het achterland van de Chemin des Dames. In het dorp is tijdens grondwerkzaamheden voor nieuwbouw van een huis, een voormalige Duitse munitiedump gevonden. Naar schatting 30 ton explosieven verdeeld over zo'n 1600 granaten van 10,15 en 21 cm. De granaten staan allemaal rechtop met de punt omhoog in een zone van 16 bij 1,5 meter op een diepte van 80 centimeter.

Het dorp is in rep en roer want overdag, als de mijnopruimers bezig zijn, moeten bijna alle bewoners (een kleine 500 van de 650) het dorp uit. Zesentwintig mijnopruimers denken er nog de hele week mee bezig te zijn voor alles is afgevoerd. Aan het einde van elke werkdag rijden er drie vrachtauto's onder escorte met hun explosieve lading weg uit het dorp, één naar Sissone, het militaire kamp, en de andere twee naar Suippes voor een onmiddelijke vernietiging.


Intussen zijn de plaatselijke historici ook al in hun archieven gedoken om de munitieopslag te verklaren. Waarom een depot op deze plaats? Natuurlijk wordt er meteen weer gezegd dat het een strategische plek is. "Het dorp was door het Duitse zevende leger uitgekozen vanwege de strategische ligging". Dat zal best, zo was elke dorp strategisch. Overtuigender is de aanwezigheid van een spoorverbinding. Coucy-lès-Eppes was een overslagpunt van normaalspoor naar smalspoor. De smalspoorverbinding werd in 1917 aangelegd van Coucy-lès-Eppes naar het zuiden via Festieux, voor de bevoorrading van het front van de Chemin des Dames met munitie. Zo simpel kan het ook zijn.



Hier nog een filmpje waarin de inwoners van het dorp hun reactie geven:
http://lorraine-champagne-ardenne.france3.fr/info/champagne-ardenne/le-village-de-coucy-les-eppes-evacue-aisne-65783808.html?onglet=videos&id-video=000184741_CAPP_LevillagedeCoucylsEppesbienttvacu_101120101817_F3

Aris de Bruijn
The Legermuseum Archives

zondag 21 november 2010

De Generaal met het houten been


Ik had niet gedacht nog een keer terug te moeten komen op het armen en benen onderwerp, maar Mathieu maakte mij er op attent dat het museum toch wel degelijk een object in de collectie heeft dat binnen dit kader past. Het is een houten been, waarvan het niet meteen duidelijk was aan wie het had toebehoord. Een kleine navraag wees uit dat het gaat om het houten been van Generaal Menno David Graaf van Limburg-Stirum, oud Minister van Oorlog (1807-1891)
Het is weer een mooi voorbeeld van de relaties die tussen verschillende objecten in de collectie bestaan. In de bibliotheek vinden we een boekje dat als eerbetoon aan de generaal verscheen in 1892:
Een zeldzaam Nederlander. Levensbeschrijving van zijne excellentie Menno David Graaf van Limburg Stirum. door Doctor J.A.van der Stok.
Daaraan ontleen ik de volgende feiten en anekdotes:


Menno wordt geboren op het buitenverblijf Rockfield nabij Wexford in Ierland op 30 november 1807 als vijfde van tien kinderen. Zijn voornaam is een rechtstreekse verwijzing naar Menno van Coehoorn, de beroemde vestingbouwer, waarmee in de verte een familieverwantschap bestaat.
Zijn vader, Frederic Willem graaf van Limburg Stirum, was Luitenant-Generaal, die in 1813 zijn diensten aanbood aan de Prins van Oranje, en met hem vanuit Engeland naar Holland vertrok. Menno was toen zes jaar en bleef met de rest van de familie voorlopig in Ierland achter, totdat in 1821 ook moeder en de kinderen richting Den Haag gingen.
De 13-jarige Menno begint zijn militaire carrière als cadet-page op de artillerie- en genieschool in Delft. Nog geen 4 jaar later wordt hij benoemd tot 2e luitenant van het korps ingenieurs, mineurs en sappeurs, en komt terecht bij het garnizoen in Grave. Via stationneringen in Breda, Oostende en Ieper belandt hij uiteindelijk begin 1832 in Antwerpen. Hij is dan intussen 1e Luitenant.

Tijdens de Belgische opstand waarbij België zich uiteindelijk afscheidt van de noordelijke Nederlanden, is in Antwerpen in oktober 1830 een oproer uitgebroken. Het garnizoen van de stad, onder bevel van generaal Chassé, trekt zich terug op de Citadel. Twee jaar houdt deze situatie stand, onder betrekkelijke rust en inactiviteit. Van Stirum maakt er in zijn nagelaten brieven meermalen melding van dat hij zich opwindt over het werkeloos toezien. Het gebrek aan handelen is voor Van Stirum onbegrijpelijk.
"Het bloed kookte hem; wild brieschten zijne gedachten op; reikhalzend stak hij beide handen uit tot het verrichten van "daden", maar de fiere leeuw werd als in eene kooi opgesloten en tot werkeloosheid gedoemd". De Citadel werd versterkt en een verbinding met Holland in stand gehouden zodat met niet genoodzaakt hoefde te zijn om "zoolen en schoenen te eten".Eind 1832 komt in de situatie verandering als Belgischgezinde Franse troepen overgaan tot beschieting van de Citadel. Het is tijdens deze beschieting dat Van Stirum zijn rechter onderbeen kwijtraakt. In zijn eigen woorden beschrijft hij het gebeuren in een brief aan zijn vader:

"Mijn dierbare vader
Ik schrijf in de haast een paar woorden om u te zeggen, dat ik in eene goede gezondheid verkeer en op een goede weg ben om spoedig genezen te zijn van eene zeer ernstige wond, welke ik kreeg in den avond van den 6-den door het vallen van een van 's vijands bomscherven.
Daar u vroeger of later de waarheid toch moet weten, zal ik u zeggen, dat op dien avond ons vivre magazijn in brand stond - en dat ik enkele werkers bij mij had, met wie ik trachtte den brand te blusschen - na enkele ogenblikken dit te hebben beproefd, ging ik iets terug van het gebouw en bijna onmiddellijk daarna voelde ik eene terugstootende en plotselinge schok in het lagere gedeelte van mijn rechter been.
Ik viel op de linkerzijde en daar het andere been in drie stukken was, waarvan de voet eene vormelooze massa geleek, droeg ik mijnen werkers op, mij naar het hospitaal te dragen. Dit geschiedde en de doctors, na de beenbreuk onderzocht te hebben, zeiden dat dit een geval van afzetten (amputatie) was - en vroegen of ik daartoe kon besluiten. Ik lag te bed en antwoordde met een lach, dat ik het best vond en verzocht hun om maar direct te beginnen - de 2 chirurgijn-majoors in het hospitaal voerden de operatie in 5 minuuten uit met de meest mogelijke kundigheid.
Ik heb zelfs niet even maar ene kik gegeven.
Ik ben nu in een veilig, klein kamertje en zeer goed, maar ...
Wat is toch de bedoeling met te blijven in dit onbegrijpelijke slachthuis? Sinds 8 dagen hebben de Franschen zoo'n overweldigende hoeveelheid bommen en andere projectielen in het fort geworpen, dat het als bezaaid is met ijzer. Ik heb geen tijd om meer te vertellen en het schrijven vermoeit mij. Breng allen thuis, alles liefde over en geloof mij als altijd Uw toegenegen zoon Menno"


Bij de operatie assisteert de hospitaalbediende B.Hesselink met wie Van Stirum nog jarenlang een briefwisseling onderhoudt. Bij de herdenking van het bombardement op Antwerpen, 50 jaar later, blikt Hesselink terug: "Ik zeg het nog vaak, de Graaf mag een held genoemd worden want toen zijn been werd afgezet, heeft hij niet eens gezegd: "dat doet mij zeer", maar wel "is het haast gedaan, het verveelt me". Den anderen dag zei de Graaf: "Hesselink, zou je mijn been nog kunnen wedervinden?" - "Wat zou de Luitenant er mee willen doen?" - "Ik wou er eene pijp van gehad hebben".Tegen zijn oppasser, die kort na het ongeluk stond te wenen van verdriet, schijnt Van Stirum gezegd te hebben: "Ben je gek vent, je moest pret hebben en lachen, want weet je wel dat je voortaan nog maar eene laars te poetsen hebt".

De bezetting van de Citadel van Antwerpen houdt 23 dagen stand en moet zich dan overgeven. Van Stirum verblijft voor verpleging tot begin 1833 in Antwerpen en wordt nog tijdens deze periode benoemd tot Ridder der Militaire Willemsorde 4e Klasse. Hij bezat toen al het Metalen Kruis voor Moed, Beleid en Trouw en er zouden nog meer onderscheidingen volgen. De 30e november 1832 (de dag van Van Stirum's verjaardag) is de geschiedenis ingegaan als de dag van het eerste schot op de vesting.


In april 1833 vertrekt Van Stirum naar zijn familie in Den Haag, maar hij is er de man niet naar om de dienst te verlaten en thuis te gaan zitten. Zoals hij zelf zei:
Hij hoefde niet uit het raampje te kijken als een ouwe sok, en hij kon nog zwemmen. Vaak zei hij "wil je wel geloven dat ik meestentijds vergat dat ik een stelt had?"
In 1834 is hij weer als 1e Luitenant Ingenieur in Grave werkzaam, nu met een houten been.
Zijn carrière zet zich voort. In 1842 wordt hij benoemd tot Kapitein Ingenieur en in dat zelfde jaar wordt hij Ridder van de Nederlandse Leeuw en benoemd tot Secretaris der speciale commissie van inspectie over het militair onderwijs aan de Koninklijke Militaire Academie. Het jaar daarna ziet hij zich geplaatst aan het Departement van Oorlog op het bureau materieel der genie. Intussen is hij door koning Willem III benoemd tot Zijne Majesteits Adjudant in buitengewonen dienst.
In 1857 bij de herdenking van 25 jaar verdediging van de Citadel van Antwerpen, volgt zijn benoeming tot Zijne Majesteits Kamerheer in buitengewonen dienst.
Hij doorloopt de rangen van Majoor en Luitenant-Kolonel en doet na een dienstreis naar België en Engeland in een rapport een voorstel voor het oprichten van militaire slachterijen naar Belgisch voorbeeld. ".. die verbetering is een zegen voor onze soldaten en niet het minst de zieken onder hen, die in het hospitaal verpleegd, tegenwoordig het genot hebben de fijnste stukken vleesch te mogen ontvangen."
We zijn aangeland in 1864 waarin hij bevorderd wordt tot Kolonel en enkele jaren later verplaatst hij zich naar Utrecht als commandant van de 1e Geniestelling. Met de toenmalige Minister van Oorlog ontstaat een verschil van inzicht over fortenbouw. Hij weigert overplaatsing naar Den Bosch en verzoekt om op non-actief te worden gesteld. Hij is dan intussen Generaal-Majoor. Hij maakt in deze periode kennis met de Belgische fortenbouwer Brialmont waaruit een blijvende vriendschap voortkomt.

Van een van zijn vele reizen als privépersoon naar het buitenland, in dit geval naar Rhodos, laat hij een notitie achter voor het repareren van zijn houten been:
"Voor reparatie aan mijn been en hetzelve zwart verven... 3 francs (Ze kennen er geen bliksem van)"

Door de mobilisatie tijdens de Frans-Duitse oorlog in 1870, komt hij weer onder de wapenen en wordt hij commandant van de Hollandse Waterlinie bij Utrecht.
Januari 1871 gaat hij opnieuw op non-actief. In dat jaar is de overdracht van overblijfselen van Nederlandse militairen die gesneuveld waren in de Citadel van Antwerpen, in 1830-1832, naar de begraafplaats Ginneken, waar ook het graf is van Chassé, de bevelhebber van de citadel ten tijde van de belegering. Het zal nog enkele jaren duren voordat hier ook een monument wordt opgericht.
Een jaar later, in 1872, wordt hem de portefeuille aangeboden van Minister van Oorlog. In die rol doet hij een wetsvoorstel voor de afschaffing van de plaatsvervangende dienstplicht. Hij was er van overtuigd dat iedere vaderlander, van welke rang of stand dan ook, zijn vrijheid en onafhankelijkheid zelf moest verdedigen. Het wetsvoorstel wordt echter verworpen en Van Stirum ziet zich genoodzaakt ontslag aan te vragen. Het is voor hem buigen of barsten. Enkele maanden later, in december 1873, gaat hij met pensioen.
In 1874 is dan de onthulling van het monument op de begraafplaats in Ginneken, ter nagedachtenis van de belegering van de citadel, op de dag van het eerste kanonschot, 30 november. Van Stirum houdt op deze dag een redevoering.


De rest van zijn leven staat vooral in het teken van zijn streven tot afschaffing van de plaatsvervanging. Hij voert hierover ook correspondentie met zijn vriend Brialmont, en het komt tot oprichting van een Bond tegen de plaatsvervanging. (Plaatsvervanging of remplacement - de dienstplicht is niet persoonlijk maar kan overgedragen worden op iemand die tegen betaling de plaats inneemt van degene die opgeroepen is.)
"Als iedereen zijne plaats in het leger op tijd inneemt, zal dit niet meer worden beschouwd als eene wijkplaats voor den luiaard en den dagdief, die recht van lijf en leven is; als een ramp voor den jongeling, die, niet bij machte zich vrij te koopen, daarbij wordt ingelijfd. Alsdan zullen alle gegoeden hunne zoons moeten zenden naar die groote school van orde en van tucht."
De Rijnbode schrijft in 1875 naar aanleiding van de oprichting van de Antidienstvervangingsbond:
"Zij, die Scheveningen in den vroege morgen wel eens bezoeken zullen ook wel eens dien forschen grijsaard met dat houten been hebben opgemerkt, wiens voorkomen onmiskenbaar den krijgsman aanduidt. Met eene kracht, die de jeugd hem benijdt, doorklieft hij zwemmende dan de golven, en de acht en zestig jarige Generaal en oud-Minister van Oorlog wint het nog van de kloekste zwemmers in moed en behendigheid. Thans heeft die kloeke grijsaard eene beweging in het leven geroepen tot afschaffing der plaatsvervanging."

Aan zijn liefhebberij, het zwemmen in zee, komt in 1881 toen hij al 74 jaar was abrupt een einde. Niet na waarschuwingen en verzoeken van anderen, want daarnaar luisterde hij niet, maar na inschakeling van de politie.
"Men moet weten dat Van Stirum in de vroegste morgenuren geheel ontkleed (zonder zwembroek), op den rug van een ouden Scheveninger, natuurlijk een vriend van hem, zich zo ver als 't kon in zee liet dragen en dan van dien rug afgleed. Op zekeren morgen stond aan het strand een politiebeambte hem op te wachten (afgesproken werk), en deze bekeurde hem wegens het baden zonder zwembroek. Van Stirum vroeg zeer kalm, hoeveel die boete bedroeg en toen hem dit werd medegedeeld, tastte hij in den zak, betaalde het verlangde en zei heel leuk: - Ik wist niet, dat ik op mijn ouden dag en dan naakt nog zooveel waard was, en ... den volgenden dag zwom hij weer.
De list was dus mislukt. Toen werd Dr. Mess (de baddoctor) in het complot gehaald, en deze liet rode ballons in zee leggen, buiten wier omtrek het verboden werd te baden en sinds dien tijd was voor Van Stirum de aardigheid er af; en van af dat oogenblik heeft de zee hem niet meer omspoeld, en de Scheveningers, die vaak van hem getuigden: "de schoonste zeemeermin kan 't bij hem niet haelen", hebben zich niet meer kunnen verlustigen in de forsche en kloeke slagen, waarmede hun strand- en zeevriend zee bouwde."

In 1882 wordt Van Stirum door de koning benoemd tot Luitenant-Generaal. Zes dagen later vindt in Amsterdam de viering plaats ter herinnering van de dag waarop 50 jaar eerder het eerste schot viel op de citadel van Antwerpen. Van Stirum is de held van de dag en wordt door het publiek bestrooid met bloemen.
Een van de laatste schilderingen in het boekje dat ter ere van Van Stirum is verschenen, gaat over een wandeling die hij maakt samen met zijn vriend Brialmont, langs de Vijverberg in Den Haag. Tijdens de wandeling vindt een emotionele ontmoeting plaats met een oud vrouwtje. Zij geeft te kennen de marketentster te zijn uit de Citadel van Antwerpen en kent Van Stirum nog uit zijn tijd als Luitenant in de vesting.
Op het laatst van zijn leven kon Van Stirum niet meer lopen en werd hij rondgereden in een wagentje, geduwd door een jager van het regiment die hem als bijzondere gunst was toegestaan. Tot het einde toe bleef hij zijn generaalspet dragen, boven zijn burgerkleding. Op 22 juli 1891 overleed deze "zeldzame Nederlander" aan de gevolgen van een beroerte.



Zelf beschreef hij de dramatische gebeurtenis die leidde tot verlies van zijn been als volgt:
Gewond op 6 december 1832 door eene uit de lucht gevallen bomscherf bij het brandende magazijn van levensmiddelen. Op de binnenplaats der Citadel werd mijn rechtervoet, zoo te zeggen terstond, - in het zogenaamd - bomvrij hospitaal te midden van pestlucht en gekerm, afgezet.

Referenties:
Het houten been is objectnummer 067491 in de collectie van het Legermuseum.
Van het boekje "Een zeldzaam Nederlander, enz." zijn drie exemplaren aanwezig. Beschikbaar voor raadpleging is exemplaarnummer 00233758
In de eigen collectie onder objectnummer 00100867 nog een portrettekening Menno David van Limburg Stirum vervaardigd door Gaspard Louis Francois van Kinschot. Verder in de bibliotheek natuurlijk talrijke werken over de gebeurtenissen rondom de citadel van Antwerpen, generaal Chassé, de verhalen over Van Speijk, enz, enz.

Het Nationaal Archief bezit een uitgebreid familiearchief van de familie Van Limburg-Stirum met een gedeelte over Menno David
http://www.nationaalarchief.nl/toegangen/pdf/NL-HaNA_2.21.107.ead.pdf

Informatie over de begraafplaats Ginneken met het Citadelmonument is hier te vinden:
http://www.ginneken-dorp.nl/index.php?main=viewdoc&no=47&hfdstk=3
en het Stadsarchief Breda heeft in de webtentoonstelling oorlog en vrede een flink aantal foto's van hetzelfde monument
http://www.stadsarchief.breda.nl/index.php?option=com_memorix&Itemid=64&task=result&cp=1375&rpp=24



Aris de Bruijn
The Legermuseum Archives

zondag 7 november 2010

Losgeraakte ledematen


De laatste tijd ben ik herhaaldelijk gestuit op losse armen en benen. Niet in het archief gelukkig. Zelfs niet in de onlangs opengebroken kast die jarenlang dicht had gezeten. Voor zover ik weet beschikt het museum niet over menselijke resten.
Toch komen we regelmatig armen en benen tegen in de militaire geschiedenis. Soldaten op het slagveld hebben een veel grotere kans (hoeveel groter?) om een arm of been te verliezen dan, laten we zeggen, een verzekeringsagent of een groentenman (hoewel wij in Schoonhoven vroeger een groentenman met één arm hadden). Zeker in de tijd waarin een kanonskogel iemand niet meteen verpulverde, maar alleen verwondde. Het werd een beetje op de koop toe genomen. Het hoorde er bij en er werd rekening mee gehouden dat iemand een lichaamsdeel kwijt kon raken. In een Duits voorschrift over de taken van een vaandeldrager in de 30-jarige oorlog kwam ik tegen, dat indien de vaandeldrager tijdens het gevecht zijn beide armen verloor, hij zich dan in het vaandel moest rollen om het op die manier te verdedigen. Als extra mogelijkheid was het hem ook toegestaan om het vaandel tussen de tanden te klemmen.
Soms was een soldaat zelfs blij om een arm kwijt te raken. Het betekende een enkele reis naar huis, en wel levend. Om dit te illustreren het nu volgende citaat uit "Grijze zielen" van Philippe Claudel, over een soldaat tijdens de Eerste Wereldoorlog. (Een boektip van Frederiek)

"Ik bleef urenlang in een zaal zitten, naast een soldaat die zijn linkerarm was kwijtgeraakt. Ik weet nog dat hij zei dat hij zo blij was dat hij een arm had verloren, en dan nog wel zijn linkerarm, echt een mazzeltje voor hem als rechtshandige. Over zes dagen zou hij weer thuis zijn - voorgoed. Ver van dit oorlogsbedrog, zoals hij het uitdrukte. Een arm kwijt, heel wat jaren erbij. Levensjaren. Dat bleef hij maar zeggen terwijl hij zijn verdwenen arm liet zien. Hij had zijn verdwenen arm zelfs een naam gegeven: Augustijn. En hij praatte onophoudelijk met Augustijn, nam hem tot getuige, sprak hem toe, plaagde hem. Geluk zit in de kleine dingen. Soms hangt het aan een zijden draadje, soms hangt het aan een arm. Oorlog is de wereld op zijn kop: die kan van iemand die een lichaamsdeel verloren is de gelukkigste mens op aarde maken."


Bekende voorbeelden van hoge officieren die iets moesten missen.

Het been van Lord Uxbridge werd verbrijzeld door een kanonschot tijdens de slag bij Waterloo. Het geamputeerde been is een macaber eigen leven gaan leiden als toeristische attractie in Waterloo. Er zijn heel veel anekdotes ontstaan over dit been en de zaag waarmee het werd afgezaagd wordt bewaard in het National Army Museum. Het been werd eerst begraven in een tuintje en kreeg later een eigen grafsteen. Het trok een enorme hoeveelheid toeristen aan, onder wie onze eigen Prins van Oranje, en bracht geld in het laatje voor de eigenaar. Om aan de vraag te voldoen werden de botten zelfs weer opgegraven en in een vitrine tentoongesteld. Het verhaal rondom dit been gaat nog veel verder maar dat zou een artikel op zichzelf kunnen vormen. Bovendien was er nog een prothese die Lord Uxbridge zich had laten aanmeten, en die ligt nu in het Wellingtonmuseum in Waterloo.(zie foto)


Dan hebben we Generaal Gouraud die in 1915 zijn arm verloor op Gallipoli. Ik heb op de plaats gestaan waar het gebeurd moet zijn, naast fort Sedduhl Bahir, maar er is niets te zien dat aan het feit herinnert. Gouraud is alleen maar beroemder geworden als aanvoerder van de Franse koloniale troepen, en het heeft als voordeel gehad dat hij vrij gemakkelijk te herkennen is op foto's. Hoewel hij toch al vrij herkenbaar is door zijn markante puntbaardje. Hij draagt soms wel iets van een prothese maar die hangt er altijd slap bij en hij geeft een hand met zijn linkerhand. Hij salueert ook met links. Zie ook de filmpjes op de site van British Pathé. Het eerste filmpje bestaat uit korte stukjes uit verschillende jaren die achter elkaar zijn geplakt. In de eerste scenes heeft hij zijn arm nog (voor 1914), in de laatste scenes niet meer (1917 en 1918). Het tweede filmpje laat zijn afscheid zien uit het Franse leger.
http://www.britishpathe.com/record.php?id=80605
http://www.britishpathe.com/record.php?id=13945

Lord Raglan was zijn arm al kwijtgeraakt bij Waterloo voordat hij naar de Krim vertrok als commandant van de Britse troepen. Het schijnt dat we aan hem het begrip raglan-mouw te danken hebben. Zie het artikel in Armamentaria 34, Camouflage op de catwalk, de invloed van het uniform op de burgermode in vogelvlucht, van Mariska Pool.
http://www.collectie.legermuseum.nl/sites/strategion/contents/i004528/arma34%20camouflage%20op%20de%20catwalk.pdf


Een andere vreemde eend is een monument voor een gewonde voet. Het is het Boot Monument, een gedenkteken uit de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog (1775-1783) en het herdenkt Major General Benedict Arnold voor zijn daden in de Battle of Saratoga.

Benedict Arnold raakte drie keer kort achter elkaar gewond en de laatste verwonding aan zijn voet maakte een einde aan zijn militaire carrière. Bijzonder aan het monument is dat de naam van de eigenaar van de voet er niet op vermeld staat terwijl toch iedereen weet om wie het gaat. Een deel van de tekst luidt: "In memory of the most brilliant soldier of the Continental Army who was desperately wounded on this spot". De naam van Benedict Arnold staat er niet bij omdat hij enkele jaren later in de oorlog overliep naar de tegenpartij, de Britten. Hoewel over"lopen" in dit geval misschien een slecht gekozen woord is.



Daniel Sickles was een generaal in de Amerikaanse Burgeroorlog. In de Battle of Gettysburg manoeuvreerde hij zijn legerkorps ongeoorloofd in een onmogelijke positie waar het vrijwel weggevaagd werd. In het gevecht werd zijn been verbrijzeld door een kanonskogel en het moest in een veldhospitaal worden geamputeerd. Kort voor de gebeurtenis was een richtlijn uitgevaardigd door de Army Surgeon General voor het verzamelen van voorbeelden van morbide anatomie en van projectielen en verwijderde ledematen, met het oog op het nieuw opgerichte Army Medical Museum in Washington.


Sickles doneerde zijn been aan het museum in een klein kistje in de vorm van een grafkist en met een visitekaartje er bij. Het huidige National Museum of Health and Medicine heeft het been nog steeds in de expositie, samen met een kanonskogel die vergelijkbaar is met de kogel die hem trof. Sickles zelf ontsnapte door dit voorval aan de krijgsraad omdat men vond dat hij al genoeg gestraft was met het moeten missen van een been. Weer een voorbeeld van een positieve bijwerking.

Ongetwijfeld het meest heroïsch is de geschiedenis van de houten hand van Capitaine Danjou. (foto bovenaan dit artikel)
Het speelt zich af tijdens een vrij onbetekenende episode in de militaire expeditie van Napoleon III in Mexico, het gevecht om Camerone, een Mexicaanse haciënda, op 30 april 1863. Er stonden 62 Legionnairs van het vreemdelingenlegioen met 3 officieren tegenover 2000 republikeinen. Kapitein Danjou, die toen al beschikte over een houten handprothese, had zijn Legionnairs laten zweren stand te houden tot de laatste kogel. Na een urenlang durend gevecht stonden nog zes man overeind die de strijd voortzetten met de bajonet. De laatste drie man gaven zich over onder de voorwaarde dat ze hun wapens konden behouden en hun kameraden mochten begraven. De Mexicanen verloren 500 man. Kapitein Danjou was ook onder de gesneuvelden. Zijn houten hand werd door een plaatselijke boer op het slagveld gevonden en aan het vreemdelingenlegioen terugverkocht.
Camerone is nu voor het vreemdelingenlegioen het symbool voor standhouden tot de laatste patroon, tot de laatste man, voor de vervulling van de plicht waarvoor de Legionnair zijn woord gegeven heeft. Daarom wordt elk jaar op 30 april de dag van Camerone herdacht bij het monument in het hoofdkwartier in het Zuidfranse Aubange. De houten handprothese, het belangrijkste relikwie voor het Legioen, wordt dan tijdens een ceremonie door een uitverkoren Legionnair over de paradeplaats naar het Monument aux Morts gedragen. Snik.


En passant kwam ik op internet een online boek over het vreemdelingenlegioen tegen getiteld "Inside the foreign legion. The sensational story of the world's toughest army" van John Parker.


Gratis te downloaden op:
https://www.semperfidelis.ro/request.php?108


Aris de Bruijn
The Legermuseum Archives

dinsdag 26 oktober 2010

De dekselmaniak


Enig idee waar dit is? Nee? Toch is de kans groot dat een deel van het personeel er dagelijks overheen loopt. Dit fraaie deksel ligt voor de deur van de Paardenmarkt.

HYDRANT SYSTEEM HALBERTSMA
WATERLEIDING 1890
Cie. Gle. DES CONDUITE D'EAU LIEGE

Al sinds jaar en dag heb ik een fascinatie voor putdeksels. Er zijn zoveel verschillende! Ik kan geen stad bezoeken zonder de straten af te struinen op zoek naar nieuwe deksels.
Is dat nou lastig, zo'n afwijking? Een beetje wel. Ik ben in steden geweest, in binnen en buitenland, waar ik naar de grond starend doorheen ben gelopen zonder verder iets van de stad te zien. Rome bijvoorbeeld. Het schijnt een mooie stad te zijn. Ik kan het alleen maar beamen als het gaat over putdeksels. Je komt er de meest vreemde deksels tegen. Hele grote van meer dan een meter, hele kleine, rare vormen, driehoekige, deksels met scharnierende delen, gebroken deksels, deksels met taalfouten. Nou ja taalfouten zijn het eigenlijk niet, maar fabricagefouten. Letters in spiegelbeeld en dat soort dingen. Zo'n deksel wordt op z'n kop gegoten dus als je niet oplet bij het maken van de mal dan staan de letters verkeerd om. Maar wel typisch Italiaans om ze dan ook gewoon in de straat te leggen.
Een andere curiositeit in Rome zijn de deksels uit het Mussolini tijdperk, met symbolen die tijdens het fascisme in zwang waren, zoals de fasces met bijl. Stamt uit de tijd van de Romeinen schijnt het, vertegenwoordigers van de magistratuur droegen de bijl mee als teken van macht over leven en dood, en als er een vonnis moest worden voltrokken ging daarmee de kop er af. Met takken uit de bundel kreeg het slachtoffer vooraf eerst nog een aframmeling. Waar is dat beter op zijn plaats dan in Rome. (Hoewel je het symbool bij de Amerikanen ook nog regelmatig tegenkomt, op de toegangspoorten van de militaire begraafplaatsen.)


Ook aardig zijn de deksels op het Sint Pietersplein. Jawel, Vaticaanstad heeft zijn eigen putdeksels. Je kan er soms de geschiedenis van een stad uit aflezen. Een deksel met "Wasserleitung" in Metz is een mooi document uit de Duitse periode van de stad, 1870-1918. Niet alleen de deksels zelf zijn belangrijk, maar ook hoe ze in de staat zijn ingepast, en de compositie die ze maken als ze met meerdere bij elkaar liggen. Mijn mooiste dekselfoto is een compositie van deksels in het plein voor het legermuseum in Brussel. Een hele familie, in de regen, met een interessant bestratingspatroon er omheen geknutseld.


Lange tijd heb ik gedacht dat ik alleen was met deze afwijking en durfde er niet over te praten, maar nu weet ik wel beter. Het eerste vermoeden dat er meer aan de hand was kreeg ik door de vondst van een Amerikaans boekje over "manhole covers", zoals ze daar heten. We zien in gedachten een Felix the Cat strip waar iemand al krantlezend over straat loopt en in een openliggende put stapt. In het boekje ging het over "charcoal rubbings". Dus dat ging nog een stapje verder. Niet alleen een foto maken van een deksel, maar met een vel papier en een stuk houtskool een afdruk van zo'n deksel maken. Zoals we vroeger op school deden met een muntje. Velletje papier uit je schriftje scheuren, over een muntje heen leggen en dan met een potlood erover krassen, totdat het hoofd van Juliana verscheen. (In mijn tijd was het Juliana).
Ik zie mezelf nog niet op straat zitten om een charcoal-rubbing te maken. Voor je het weet ben je platgereden. Ik heb het wel eens gedaan met opschriften op grafstenen op militaire begraafplaatsen. Wel veiliger, maar dat is toch weer een heel ander verhaal.

Internet veranderde alles. Er zijn nu communities met deksel-maniakken van over de hele wereld en er is een Russische site met duizenden en duizenden afbeeldingen van deksels. Je kan zien hoe de deksels in Japan er uit zien, met stripverhalen in kleur er op. Je kan ze nu gewoon downloaden, maar dat is niet de bedoeling natuurlijk. Voor mij geldt dat ik er zelf gestaan moet hebben.
Ik zit nog met honderden dia's die ik eigenlijk gedigitaliseerd zou willen hebben. Is er iemand die dat even voor mij wil doen? Dan begin ik daarna mijn eigen virtuele dekselmuseum.

Hier enkele putdeksel-series op flickr en een eigen diareeks Italiaanse deksels op picasa:
http://www.flickr.com/photos/rienkmebius/sets/72157620239759875/
http://www.flickriver.com/groups/83383011@N00/pool/interesting/



Aris de Bruijn
The Legermuseum Archives

woensdag 20 oktober 2010

Een onverwachte gebeurtenis


Vandaag was er een onverwachte gebeurtenis. Al van voor mijn komst bij het museum stond er in mijn kamer een ladekast waarvan de laden niet meer opengingen. De sleutel was in het slot afgebroken. Ik had al eens met een tangetje gepeuterd en zelfs licht geweld gebruikt, maar er was geen beweging te krijgen in de vier laden. Nu waren er gisteren twee mensen van de technische dienst in de buurt, voor het versjouwen van een bureau, en die wisten wel raad. Met de grootste schroevendraaier die het museum rijk is verfrommelden ze de ladefronten binnen de kortste keren als een leeg colablikje.
Nu had ik niet echt verwacht een lang verborgen schat aan te treffen, maar de inhoud van de kast was ronduit teleurstellend. Vier laden barstensvol met lege hangmappen.
Totdat ik vandaag nog eens één voor één alle mappen naliep. Er bleek er toch zo maar één tussen te zitten waar wél iets in zat. Zes fotoansichtkaarten en een brief.

De zes fotoansichtkaarten zijn uit de mobilisatieperiode 1914-1918, en tonen groepjes Nederlandse militairen, op een aantal kaarten vergezeld van enkele burgers. De begeleidende brief is uit 1994 en hieruit blijkt dat de kaarten een schenking zijn van een streekarchief, waarvan ik de naam niet zal noemen want het is toch een beetje een genante zaak dat het materiaal zo verloren is geraakt.

Het is me niet helemaal duidelijk of alle kaarten van dezelfde persoon afkomstig zijn, of aan dezelfde persoon geadresseerd waren, want ik zie twee verschillende handschriften en maar één adres. Twee kaarten zijn in ieder geval van ene Jan, die de kaarten als volgt beschreef:

Waarde Ouders
Bij deze meld ik u, goed overgekomen te zijn om 3 uur. En het kiekje is niet goed uitgevallen. Nu, brief volgt, moet op wacht.
Gegroet
Jan


en de tweede lijkt er sterk op maar dan net even anders:


Waarde Ouders
Bij deze stuur ik u het kiekje. Goed uitgevallen hè. Nu ik moet op wacht.
Dag


De kaarten hebben geen adres en geen poststempel dus zijn waarschijnlijk verstuurd in een envelop.
De eerste kaart is een beetje donker en misschien dat hij daarom niet goed beviel, maar eigenlijk mankeert er niet zo veel aan. Het is een groep van zes soldaten, en een moeder met twee kleine kinderen. Een van de soldaten heeft een kind op schoot en zou misschien de vader kunnen zijn. De tweede kaart laat vijf soldaten zien en drie burgers, waarvan een man en twee vrouwen. De man en een van de soldaten hebben bij wijze van grap hun hoofddeksel verwisseld, maar ze kijken er uiterst serieus bij. Er zijn in ieder geval drie soldaten die op beide foto's staan, van de rest ben ik niet zeker. Twee van die drie soldaten zouden wel broers van elkaar kunnen zijn zo veel lijken ze op elkaar. De foto's lijken ook voor dezelfde bakstenen muur genomen te zijn.


Een derde beschreven kaart, in een ander handschrift, is wel echt verstuurd en draagt het poststempel Tilburg, 3.X.17. 3-4 N *7*
De stempelkundigen weten dat het stempel een typenraderstempel is met uur-, dag-, maand-, en jaaraanduiding in de middelste balk. Na de datum 3 oktober 1917 staat de aanduiding 3-4 voor het tijdvak en de N voor namiddag. De sterretje 7 sterretje aanduiding is een volgnummer om te kunnen vaststellen door wie de kaart is gestempeld. Ja mensen, toen hadden we nog posterijen en postkantoren en postbodes en zo. Ook deze portovrije veldpost werd uiteindelijk bezorgd door de reguliere PTT. De kaart is gericht aan Mejuffrouw A.Carléé in Amsterdam en getekend met :

Hartelijk Gegroet, Mil. J.B.Carléé. 7-2-1-4e Divisie, Veldleger.
Op deze foto staan zeven soldaten voor een tent. Het model wigwam. Ik heb ook een foto van mijn eigen opa voor zo'n tent, met zijn voeten in een teiltje met water.
In deze groep van zeven soldaten meen ik weer de twee broers te herkennen. De twee pijprokende types op de eerste rij. En het zouden zo maar broers van Eric Hulzebosch kunnen zijn als ze nu geleefd hadden.

De andere kaarten zijn niet beschreven en zijn van grotere groepen soldaten. Tussen een van de groepen ook weer een aantal burgers, een klein tafeltje waar gebruiksgoederen op zijn uitgestald. Als ik door een loep kijk dan zie ik een sigarendoosje, twee fotolijstjes, een paar pakken levensmiddelen, iets waarop "Het Leven" gedrukt staat, een doosje met de letters HZK.
Volgende week zal ik de hele zaak overdragen aan Theo, dan kan het met een vertraging van zo'n zestien jaar alsnog in de collectie worden opgenomen.





Aris de Bruijn
The Legermuseum Archives

woensdag 13 oktober 2010

Géén kanon voor het Legermuseum


Dat een verwerving van een object ook wel eens niet lukt blijkt uit het volgende geval. Toen ik de bovenstaande tekening voor het eerst zag dacht ik dat het ging om een plattegrond van een ruimte, zoiets als een opstelling voor een tentoonstelling. Maar nee, het bleek te gaan om een kanon. Het is een schild van een kanon recht van voren gezien.
De tekening is een bijlage bij een brief van Cadet-Sergeant J.C.Hopperus Buma, van 23 december 1946, waarin het Legermuseum attent gemaakt wordt op een kanon dat mogelijk een aanwinst voor het museum zou kunnen zijn. In zijn eigen woorden:

"Enige tijd na de wapenstilstand van 7 mei 1945 kwam hier in Deventer een Engelse bezetting. Deze beschikte o.a. over enige stukken P.A.G. Het viel mij terstond op, dat zich onder hun six-pounders ook een Duits stuk P.A.K. bevond. Het is een van die kanonnen van 3,7 cm waarmee de Duitse stormtroepen bewapend waren. Het heeft iets van onze P.A.G. van 4,7 cm, alleen zijn deze stukken van een pantserplaat voorzien. Interessant is dat het door de Engelsen op de Duitsers is veroverd, en daarna in de gehele verdere veldtocht tegen de Duitsers is gebruikt. Op zichzelf geen zeldzaam exemplaar, is het in militair historisch opzicht zeer de moeite waard, daar de bedienende manschappen, op het pantserschild geschilderd hebben aan welke gevechtshandelingen het stuk heeft deelgenomen. Bovendien zijn er vele emblemen van Engelse regimenten op geschilderd. Bijgaand schetsje geeft U hiervan een indruk.
Er zijn plannen om het stuk in het Waagmuseum te Deventer te plaatsen. Volgens mij echter komt het stuk meer in aanmerking om in het Legermuseum geplaatst te worden, daar het hier niet plaatselijke of gewestelijke historie betreft, maar iets van algemeen militair historische aard. Bovendien is het, aan de zijde van het Waagmuseum, nu al een jaar lang bij plannen gebleven, en staat het stuk te roesten op het binnenplein van het Stadhuis te Deventer.
De Engelsen hebben bij hun vertrek, de banden en richtapparaten van het kanon afgesloopt. Overigens verkeert het stuk in redelijken staat. Indien U met mij eens bent, dat dit stuk voor het nageslacht moet worden bewaard, zoudt u zich met de Burgemeester van Deventer in verbinding kunnen stellen."


De directeur van het Legermuseum is het inderdaad met de briefschrijver eens, en onderneemt de nodige stappen om het stuk in bezit te krijgen, maar blijkbaar is de burgemeester van Deventer niet de enige die beslist over het lot van het kanon. Op 17 mei 1947, dus 5 maanden later, komt een brief van Luitenant-Kolonel Siliacus, Hoofd van de Dienst van den Kwartiermeester-Generaal, Dienst Beheer Achtergelaten Materieel. Alleen zo'n dienst en zo'n titel al, verklaren een beetje de maandenlange procedure. Hij bericht:

"...dat ik heden te Deventer den bewusten vuurmond heb aangetroffen op het terrein van de gemeentepolitie onder welks bewaking hij gesteld is. De beschrijving, zooals gegeven door den cadet-sergeant J.C.Hopperus Buma is juist; aan den vuurmond ontbreken echter de richtmiddelen, het sluitstuk met uitwerper, de luchtbanden, onderdelen en verwisselstukken.
Naar inlichtingen mij verstrekt door den Heer G.J. Lugard, Directeur van het museum "De Waag" te Deventer, zou de vuurmond door de betrokken militaire autoriteiten aan de stad Deventer zijn geschonken, welk geschenk door de gemeente op zodanige hogen prijs werd gesteld, dat men besloten heeft het voorwerp in het museum "De Waag" onder te brengen, en te bewaren als historisch gedenkteken.
Daar waar de vuurmond voor het Leger geen of weinig waarde heeft, bestaan mijnerzijds geen bezwaren tot het verlenen van de nodige medewerking in deze, aan de gemeente Deventer en moge ik U adviseren het kanon ter plaatse te laten."


En daarmee was voor het Legermuseum de zaak afgedaan, de kans op verwerving verkeken. Wat is er verder met het kanon gebeurd? Het museum "De Waag", het huidige Historisch Museum Deventer, is misschien nog steeds de eigenaar, maar op internet staat een berichtje van Wim Rietkerk uit Ede, die weet te vertellen dat het stuk jarenlang op het terrein van de Boreelkazerne heeft gestaan.
"Toen ik daar in de periode 1981-83 werkte bij 541 Vbdbat, heb ik dit kanon met twee collega's helemaal opgeknapt, gangbaar gemaakt en persoonlijk de opgeschilderde emblemen gerestaureerd."

Tegenwoordig staat het kanon in volle glorie in Deventer opgesteld bij de Deventerbrug, waar hij is overgeleverd aan elementen en andere invloeden. Het stuk met zijn Engelse achtergrond staat er "ter nagedachtenis van de bevrijding door de Canadezen". Nou ja, whatever, ze spreken ook Engels.

Archiefreferentie: 1145
Link naar website " Oorlogsmusea" waar ook de recente plaatjes van het kanon vandaan komen: http://www.oorlogsmusea.nl/artikel/7405/PAK-36-Kanon-Deventer.htm

Aris de Bruijn
The Legermuseum Archives

zondag 10 oktober 2010

Hongerwinter 44/45 bij het Legermuseum


Een stukje geschiedenis van het Legermuseum, aan de hand van brieven van directeur van Houten en het jaarverslag 1944.

Nederland maakte in de winter van 1944-45 moeilijke tijden door. Na de mislukte operatie Market Garden en de algemene spoorwegstaking van 17 september 1944, blokkeerden de Duitsers alle voedseltransporten naar het westen van het land, waardoor in korte tijd grote voedseltekorten ontstonden. We kennen allemaal de sinistere beelden van de hongertochten en van mensen die op de bodem van de gamellen van de gaarkeuken nog iets eetbaars bij elkaar trachten te schrapen. Bekend is ook de massale houtkap voor het stoken van kacheltjes. 's Nachts trokken de mensen met bijlen en zagen de plantsoenen in om hout te verzamelen. Het kappen was verboden maar de nood was zo hoog dat het verbod niet te handhaven viel. (Op de foto: in beslag genomen zagen en bijlen)

Het Legermuseum was gedurende de oorlog verdeeld over twee locaties. Het kasteel Doorwerth was nog tot september bemand geweest door een slotbewaarder en magazijnknechten. Over de toestand van het kasteel tastte men daarna enige tijd in het duister. Brieven aan de Wehrmachtsbefehlshaber in den Niederlanden om opheldering bleven onbeantwoord. Een eerste vermoeden omtrent de treurige afloop kwam in een brief van Sigurd von Ilsemann, de adjudant van Kaiser Wilhelm.
In Leiden werd sinds 1940 in opdracht van de Rijksgebouwendienst gebouwd aan de restauratie van het Pesthuis. In 1944 ook nog, maar er waren belemmeringen op elk gebied. Aanvankelijk werd aangenomen dat het werk tegen het einde van het jaar gereed zou zijn. De bouwvakarbeiders kregen echter in december te maken met de Arbeitseinsatz voor alle mannen tussen 16 en 40 jaar, en het werk kwam nagenoeg stil te liggen.
Er waren geen brandstoffen meer om de gebouwen te stoken. Alleen de timmermanswerkplaats kon nog verwarmd worden zodat al het werk, zowel van directie als personeel, daar verricht werd. Doordat niet gestookt kon worden ondervond de collectie hinder van roestvorming, en omdat bij stormweer herhaaldelijk pannen van het dak waaiden werd het op zolder opgeborgen lederwerk nat en kreeg last van schimmelvorming. Alle arbeidsuren van het personeel gingen op aan herstellingen van het materieel. Het museumpersoneel van Leiden werd, ondanks een verzoek tot vrijstelling, gevorderd om voor kortere of langere tijd werkzaamheden voor de Duitsers te verrichten, maar van de Arbeitseinsatz is het personeel volgens het jaarverslag 1944 verschoond gebleven.
Sommige personeelsleden hadden zich enige tijd schuilgehouden, maar na korte tijd was iedereen weer aan het werk.

Op het Legermuseum slaat men zich door honger en koude heen, soms letterlijk.
Een brief van directeur van Houten [zonder geadresseerde; waarschijnlijk aan onderdirecteur Hartmans] op 2 december 1944:

" Wat de gratificatie betreft, begin ik er over te denken, Bonneur te schrappen. Hij is eerst weggebleven van 21 september tot 2 october, en daarna van 16 tot 22 november. Nu heb ik hem sedert 23 november niet meer gezien. Hij is boven 40 jaar, dus is er geen reden zich schuil te houden, doch hij zit liever achter de kachel. Wat vindt ge hiervan?
Eergisteren plusminus 8 uur voormiddag, was er op het Pesthuis-terrein volslagen oorlog over een omgezaagden boom, dien Evert wilde weghalen. Van Gent was slaags met Evert Jr. en kreeg toen van Evert Sr. een tik met een klomp op zijn oog. V.d.Burg slaags met Paats, waarbij Mevr. P. van haar edele stokje ging. Ten slotte waren van de weeromstuit Juffr.v.d.Burgh met Juffr.v.d.Berg aan het moelvechten geslagen, zoodat laatstgenoemde in tranen in de Regentenkamer [zat]; de diplomatieke betrekkingen tusschen laatstgenoemde dames zijn echter spoedig weer hervat.
Dat houtgezeur hangt mij echter al lang de keel uit. Deze geschiedenis heeft dan ook de deur dicht gedaan, en heb ik Jonker van den Plantsoendienst opgebeld en hem medegedeeld dat er spoedig geen boom meer zou staan. Hij deelde mij toen mede, dat al het hout ten behoeve van de gemeente zal worden gekapt. Ik heb hem daarop nog gezegd, dat ik er prijs op stel de boomen op de touwbaan nog te behouden; als het mij ten minste gelukt, deze voor omhakken te behoeden.
[...]

Tusschen de bedrijven kook ik nu en dan in de Regentenkamer bruine boonen, en Liesveld in de werkplaats soep of bakt hij meelkoeken, daar hij voor zijn middageten maar 3 sneedjes brood meekrijgt. Het is eigenlijk een krankzinnige toestand.
[...]
Met het eten loopen we hier ook vast. Geen enkel restaurant krijgt meer toewijzing van aardappelen, zoodat je overal uitsluitend soep kunt krijgen. Alleen de Turk geeft nog een groenten-goulasch zonder aardappelen, die m.i. oneetbaar is, en verder alleen zwarte schotels. Het zal trouwens wel niet lang duren; vandaag was zelfs de zwarte schotel al weer matig. De Doelen geeft nog 3 dagen per week te eten, doch volgende week waarschijnlijk voor het laatst."

Brief op 5 december 1944:

" Maandag is plotseling Bonneur weer opgedoken. Ik heb hem zoo onvriendelijk toegesproken, dat hij het wel niet weer zal wagen weg te blijven. Ik kan hem nu moeilijk de gratificatie onthouden, doch zal hem waarschijnlijk korten op het nog te verdeelen hout, daar hij hieraan niet heeft medegewerkt. Hier loopt het gerucht, dat de provincies Noord- en Zuid-Holland prijs gegeven zullen worden, neutraal verklaard en onder Zwitsersch bestuur komen. Te mooi om waar te zijn."

Archiefreferentie: 1133
Foto's: Nederlands Fotomuseum

Aris de Bruijn
The Legermuseum Archives